We begeven ons thans naar Mombas, aan Afrika’s Oostkust, vlak ten
zuiden van den aequator. Hier bevinden we ons in het gebied van den
Afrikaanschen leeuw. De beste gids die er voor deze streken bestaat,
vergezelt ons, namelijk de Engelsche overste Patterson; talrijk zijn de
avonturen die hij heeft meegemaakt op zijn leeuwenjachten, en van een
dezer avonturen willen we nu vertellen. Hoewel het een verhaal vol van
verschrikkingen zal zijn, is ’t toch in waarheid gebeurd, en
onopgesmukt, zooals duizenden die er getuigen van waren, zouden kunnen
bevestigen.
Overste Patterson was in het jaar 1898 gedetacheerd bij den
Uganda-spoorweg, die van Mombas door Britsch Oost-Afrika
noordwestwaarts naar het Victoria-Niansa-meer, een der groote meren,
waaruit de Nijl zijn oorsprong neemt, loopt. Bij zijn aankomst aldaar
liep de spoorweg nog niet verder dan tot aan den Tsavo, een klein
zijriviertje van den Sabaki, die ten noorden van Mombas in de zee
uitstroomt. Hier aan den Tsavo, waar een houten hulpbrug gebouwd was,
die door Patterson vervangen zou worden door een ijzeren brug,
kampeerde hij met een paar duizend Indische arbeiders.
Eenige dagen na zijn aankomst hoorde Patterson van twee leeuwen, die de
streek onveilig maakten. Aanvankelijk sloeg hij niet veel acht op dit
gerucht, totdat na verloop van eenigen tijd een zijner bedienden door
een leeuw werd weggesleept. Een makker van den ongelukkige, die in
dezelfde tent sliep, had gezien hoe de leeuw midden in den nacht het
kamp onhoorbaar binnensloop, de tent binnendrong, en Patterson’s
bediende bij de keel greep. De man had geroepen „Laat me los!” en zijn
arm om den hals van het roofdier geslagen. Toen was het kamp weer in
diepe stilte gehuld. Des morgens kon de overste het spoor van den leeuw
gemakkelijk volgen, want langs den geheelen weg hadden de voeten van
het slachtoffer door het zand gesleept; daar waar de leeuw zijn prooi
verslonden had, lagen nog slechts de kleedingstukken van den
ongelukkige, en zijn hoofd; een namelooze ontzetting sprak uit de
gebroken oogen.
Diep door dit droevige schouwspel bewogen, zwoer de overste niet eerder
te zullen rusten voordat de beide leeuwen gedood waren. Met zijn buks
in de hand hield hij den volgenden nacht in de nabijheid van de tent
zijner bedienden de wacht. Toen het stil en donker geworden was,
weerklonk in de verte een gebrul, dat steeds meer nabij kwam; de
leeuwen kwamen om een nieuw offer te halen. Toen werd het wederom stil;
de leeuw bespringt zijn prooi in stilte; alleen wanneer hij zijn
zwerftochten begint, stoot hij een dof gebrul uit, als om de bewoners
der wildernis te waarschuwen. De overste wachtte—daar weerklonk
plotseling in het naastbijzijnde kamp, op een afstand van ongeveer
honderd meter, een kreet van ontzetting. Dan weer diepe stilte. Weer
hadden de roofdieren hun prooi weggesleept.
Nu verborg de overste zich in het andere kamp. Maar ook hier werd hij
teleurgesteld. Van uit de verte klonk den volgenden nacht een
hartverscheurende kreet—een derde arbeider was weggesleurd.
De Indische arbeiders sliepen in verschillende kampen, en de leeuwen
hadden elken nacht een ander kamp uitgezocht, teneinde de menschen op
een dwaalspoor te brengen. Toen ze nu bemerkten dat ze verscheidene
nachten achtereen ongestraft hun prooi hadden kunnen wegsleuren, werden
ze steeds overmoediger, en toonden niet den geringsten angst voor de
wachtvuren. Ze stoorden zich zelfs in ’t geheel niet aan de kogels, die
hun in de duisternis werden nagezonden.
Men bouwde thans om elk kamp een hooge, stevige omheining van
doornstruiken, maar toch gelukte het den leeuwen steeds er over heen te
springen of er doorheen te breken. Overdag volgde overste Patterson het
spoor in alle richtingen, maar zoodra hij op rotsachtig terrein kwam,
hield natuurlijk elk spoor op. Nog ernstiger werd de toestand, toen de
spoorweg meer landwaarts gelegd werd, en slechts een paar honderd
arbeiders bij de Tsavo-brug achterbleven. De heiningen werden bizonder
hoog en stevig gebouwd, de kampvuren gloeiden als brandstapels, overal
werden wachtposten uitgezet, de buksen lagen gereed, en in elk kamp
moest een man op oliekannen trommelen om de dieren te verjagen. Maar
toch verdwenen steeds weer nieuwe offers. De arbeiders waren zóó
verlamd van angst, dat ze niet eens konden schieten wanneer de leeuwen
vlakbij waren. Eens werd zelfs een zieke uit de hospitaaltent
weggesleept. Het volgende offer was een waterdrager, hij had met het
hoofd naar het midden der tent, en met de voeten naar de opening
gelegen; de leeuwen waren over de heining heen gesprongen, hadden den
man bij de voeten beetgepakt, en naar buiten gesleurd. De ongelukkige
had zich aan een kist vastgeklemd, dan aan een stuk touw van de tent;
het touw was afgebroken, en de leeuw was met zijn buit in den bek langs
de omheining geloopen om een open plek te zoeken, waar hij doorheen was
gedrongen. Hier vond men des morgens eenige flarden van kleederen en
stukken vleesch. De tweede leeuw had aan de buitenzijde gewacht, en
samen hadden ze den buit gedeeld. Een hand van het slachtoffer was
overgebleven, en daaraan stak een ring, die naar zijn vrouw in Indië
gestuurd werd.
Hierop volgde een periode van rust. De leeuwen waren klaarblijkelijk
elders bezig, en de arbeiders begonnen reeds wegens de hitte buiten de
tenten te slapen. Op zekeren nacht zaten ze rondom het wachtvuur toen
de eene leeuw plotseling over de omheining sprong, voor hen bleef
staan, en ze aanstaarde. Alles sprong in ontzetting op wierp met
steenen en brandende stukken hout naar het ondier. Maar de leeuw deed
onversaagd een sprong, pakte weer een der mannen en stormde met hem
door de omheining heen, weg. Het andere dier wachtte hem daarbuiten, en
op slechts dertig meter afstand van het kamp verslonden ze samen hun
prooi.
Een geheele week achtereen hield de overste de wacht in een der kampen,
waar het bezoek te wachten was. Er is, zooals hij zelf zegt, niets
afmattender voor de zenuwen dan zulk een vruchteloos afwachten. Altijd
hoorde hij het waarschuwende gebrul in de verte, wanneer de roofdieren
in aantocht waren. Dan riepen de wachters: „Past op, broeders, de
duivel komt!” En dan weerklonken altijd weer een oogenblik later de
angstkreten van het slachtoffer dat weggesleurd werd! Tenslotte werden
de leeuwen zoo overmoedig dat ze beiden tegelijk over de heining
sprongen, om ieder voor zich een prooi te maken. Eenmaal gelukte het
een der leeuwen niet om zijn buit door de heining heen te sleepen, en
hij moest zich tevreden stellen met zijn aandeel in de buit van zijn
makker. De man, dien hij had moeten achterlaten, was echter zoo
gruwelijk toegetakeld, dat hij reeds stierf voordat men hem in de
ziekentent had kunnen brengen. De arbeiders, uitgeput als ze waren door
hun voortdurend doodsgevaar en het waken, konden dezen toestand
eindelijk niet meer uithouden; ze legden het werk neer. Ze waren naar
Afrika gekomen om geld te verdienen bij het aanleggen van een spoorweg,
en niet om als voedsel te dienen voor leeuwen. Op zekeren dag hielden
ze een trein aan, vulden de wagens met al hun hebben en houden, en
vertrokken naar de kust. De enkele dapperen, die bij overste Patterson
stand hielden, overnachtten in boomen, in het waterreservoir of in
overdekte kuilen, die ze in hun tenten gegraven hadden.
Nu had overste Patterson een Engelschen kameraad uitgenoodigd om bij
hem aan den Tsavo te komen en aan de jacht op de beide leeuwen deel te
nemen. De trein, waarmede die aankwam, had vertraging en het was reeds
donker toen hij zich door het struikgewas op weg naar het kamp begaf.
Hij werd slechts door één bediende met een lantaarn vergezeld. Toen hij
halverwege gekomen was, sprong plotseling een leeuw van de glooiïng van
een heuvel naar beneden, bracht den Engelschman bloedende wonden in den
rug toe, en zou hem meegesleurd hebben, wanneer deze niet zijn karabijn
had afgevuurd. Door den knal verdoofd, liet de leeuw onwillekeurig los,
maar wierp zich nu op den bediende en was het volgende oogenblik met
zijn prooi in het struikgewas verdwenen.
Eenige dagen later meldde een Suaheli, de afstammeling van een
Arabischen vader en een negerin, dat de leeuw een ezel geroofd had, en
nu bezig was, dien vlak in de nabijheid te verslinden. De overste
snelde naar de plek, die de boodschapper hem aanwees, en zag reeds
vanuit de verte den gelen rug van het dier. Ongelukkigerwijze trad hij
op een tak. De leeuw verdween in het ondoordringbare struikgewas. Nu
werd iedereen die in de nabijheid was ontboden, en van trommels en
blikken kannen voorzien, ondernamen ze een klopjacht, terwijl de
overste zich in een hinderlaag legde bij de plek waar het beest
waarschijnlijk te voorschijn zou komen. En ja, daar kwam hij te
voorschijn, een geweldige leeuw, grimmig en woedend gemaakt door die
stoornis. Langzaam liep hij rechtuit; telkens bleef hij stilstaan, en
hij was zoozeer in beslag genomen door het lawaai achter zich, dat hij
den jager in ’t geheel niet opmerkte. Nu was hij nog slechts op dertien
meter afstand; de overste nam zijn buks op—daar hoorde de leeuw de
beweging, zette zich met de voorpooten schrap, en bereidde zich,
snuivend van woede, voor tot een sprong. De overste richtte zijn buks
op den manenlooze kop en—het schot weigerde!
Maar op hetzelfde oogenblik draaide de leeuw zich om en nam de wijk in
de struiken; een schot beantwoordde hij met een woedend gebrul. Nu
moest de overste tot aan het aanbreken van den nacht geduld hebben. In
de haast had hij die verraderlijke buks van iemand geleend; nu was het
zaak om op zijn eigen wapenen te vertrouwen. De ezel lag daar nog
onaangeroerd. In de onmiddellijke nabijheid van het lijk werd een
verhevenheid van vier meter hoogte opgericht, waarop tegen
zonsondergang de overste post vatte. Aan den aequator duurt de
schemering slechts zeer kort, en wanneer de maan niet schijnt, wordt
het snel donkere nacht. Dan heerscht er over Afrika’s vlakten een
drukkende, onheilspellende stilte. Patterson zelf bekent dat het hem
steeds banger te moede werd, naarmate de uren voorbij gingen. Met het
geweer in de hand bleef hij onbeweeglijk staan wachten; hij was er
zeker van, dat de leeuw zou komen, om tezamen met zijn makker den ezel
te verslinden, want uit de arbeiderskampen waren dezen avond geen
angstkreten opgestegen.
Klonk het daar niet alsof er een dunne tak onder een zwaren last brak?
Een groot dier drong zich tusschen de struiken door, dat was duidelijk
te hooren. Dan weer diepe stilte, nu een dof gesteun, het teeken van
honger—het dier was in de nabijheid. Weer een zacht ruischen tusschen
de struiken, daarna verbrak een vreeselijk gebrul de nachtelijke
stilte. De leeuw had lucht gekregen van de nabijheid van een mensch.
Zou hij omkeeren? Integendeel, hij versmaadt nu den ezel, en gaat
regelrecht op den overste af!
Twee uren lang kroop het roofdier in steeds enger kringen om de
verhevenheid heen. Het werd den jager bang te moede. Plotseling voelt
hij hoe iets zachts zijn nek aanraakt—„nu heeft het monster me” dacht
hij! Maar ’t was slechts een nachtuil, die de roerlooze gestalte van
den overste niet bemerkt had.
Eindelijk besloot de leeuw tot den aanval en maakte zich gereed tot een
sprong. Nauwelijks was het dier te onderscheiden van den bodem. Daar
knalde het eerste schot door den nacht; de leeuw stiet een ontzettend
gebrul uit en vluchtte in het struikgewas, waar hij zich, brullend van
pijn, rondwentelde. Maar het gebrul werd zwakker, om eindelijk na een
langgerekt gesteun, te verstommen. De rekening met den eersten roover
was vereffend!
Nog voor het aanbreken van den dag kwamen de arbeiders aangestroomd, en
droegen den overste onder luid gejuich in triomf om den dooden leeuw
rond. De tweede leeuw zette evenwel zijn bezoeken voort, maar werd ook
spoedig neergeschoten.
Nu kon het werk aan den spoorwegaanleg weer voortgezet worden, en de
overste genoot in die streek, die hij van een plaag bevrijd had, de
grootste populariteit.
Patterson beleefde een groot aantal van zulke jachtavonturen, niet
slechts met leeuwen, maar ook met neushoorns, nijlpaarden, luipaarden,
giraffen, krokodillen, enz. Nog een zijner avonturen moge hier een
plaats vinden.
Op zekeren dag had hij in een klein station ten noorden van den Tsavo
met den politiecommissaris Ryall in een spoorwagen gedineerd, zonder
eenig vermoeden te hebben van het lot dat dezen man, eenige maanden
later, precies in denzelfden wagen zou treffen. Een leeuw had dit
station als zijn jachtterrein uitgekozen, en sleepte den eenen man na
den anderen weg. De politiecommissaris begaf zich met twee andere
Europeanen daarheen, om de streek van dien roover te bevrijden. Bij hun
aankomst vernamen ze, dat het dier nog kort te voren in de nabijheid
gezien was, en dat het dus niet ver weg kon wezen. Dus besloten de drie
Europeanen om des nachts de wacht te houden. Ryall’s wagen werd
afgehaakt, en op een zijspoor geschoven. Hier was de onderbouw nog niet
gereed, zoodat de wagen een weinig scheef stond. Na het eten zouden zij
afwisselend de wacht houden. Ryall het eerst. In den wagen stonden twee
sofa’s die als bedden dienst deden, de eene tamelijk hoog boven den
bodem. Ryall had ze zijn gasten aangeboden, maar de eene wilde liever
tusschen de beide sofa’s op den grond liggen. Toen nu Ryall meende dat
hij lang genoeg gewaakt had, en er geen spoor van den leeuw te bekennen
viel, legde hij zich op de lagere sofa ter ruste.
De wagen was voorzien van een schuifdeur die zeer gemakkelijk open en
dicht schoof, en niet gesloten was. Toen alles stil was, kwam de leeuw
uit het struikgewas in de nabijheid te voorschijn sluipen, sprong op
het achterplatvorm van den wagen, maakte met zijn poot de deur open en
gleed onhoorbaar naar binnen. Maar, nauwelijks was hij binnen, of de
deur schoof tengevolge van den scheeven stand van den wagen, weer
dicht, en sprong in het slot. Nu was het beest met drie slapende mannen
in den wagen opgesloten! De slaper op de bovenste sofa werd wakker
geschrikt door een rauwen angstkreet, en zag hoe de leeuw met de
achterpooten op den eenen man, die op den bodem lag, en met de
voorpooten op Ryall stond. Met den moed der vertwijfeling sprong hij
van de sofa op, om de tegenover liggende deur te bereiken, maar hij kon
het dier niet voorbijkomen, zonder op zijn rug te stappen! Tot zijn
ontzetting bemerkte hij dat de bedienden, door het leven wakker
geschrikt, de deur van buiten dicht hielden. Toch gelukte het hem, met
aanwending van alle krachten, de deur te openen, en naar buiten te
komen, waarop men ze snel sloot. In hetzelfde oogenblik klonk een
verschrikkelijk gekraak—de leeuw was met Ryall in den bek door het
venster gesprongen, en, daar de opening te smal was, had hij het
houtwerk als glas versplinterd! Den volgenden dag werden de
overblijfselen van den ongelukkige gevonden en begraven. De leeuw werd
later in een val gevangen, en nog vele dagen lang tentoongesteld,
voordat hij werd doodgeschoten.