46. HET DAGBOEK VAN GORDON.

Het eenige wat er aan betrouwbare berichten omtrent den tijd tusschen

10 September en 14 December 1884 is overgebleven, weten wij uit het

dagboek van Gordon, dat nog bestaat en aangrijpend is om te lezen.

In Augustus had de Engelsche regeering eindelijk het besluit opgevat

een hulpexpeditie uit te zenden tot redding van Gordon. Het ging nu

niet meer om de garnizoenen, maar om Gordon zelf, de geheele wereld

verkeerde in opgewondenheid, over zijn lot, en met elke maand werd de

spanning grooter. Sedert een half jaar had men geen bericht van hem, en

nu overhaastte men het verleenen van hulp om nog bijtijds bij hem te

komen. Groote troepenmassa’s van alle wapenen werden naar het Zuiden

gezonden, rivierbooten bij honderden gebouwd, de beste Engelsche

officieren namen het bevel op zich, en reeds midden September trok het

eerste bataljon infanterie Dongola, in de noordelijkste helft van het

groote Nijlgebied, binnen. Intusschen waren de stoombooten pas te

Alexandrië aangekomen en moesten den Nijl nog af, over de gevaarlijke

en tijdroovende watervallen, en de woestijncolonnen, die bestemd waren

Chartoem te bestormen, hadden Engeland nog niet eens verlaten.

Zonder verbinding met de buitenwereld, zonder vriend en makker,

vertrouwde Gordon zich slechts aan zijn dagboek toe, en in de weinige

bladzijden, die daarvan bewaard zijn gebleven, weerspiegelt zich zijn

diepst en innigst zieleleven. Hij is een held, een groot

legeraanvoerder en een goed christen. Hij beklaagt zich nooit en geen

verwijt tegen hen, die in het vaderland de verantwoording van zijn lot

dragen, komt over zijn lippen! Dag aan dag beschrijft hij den voortgang

der belegering zoo kalm en rustig, alsof het de eenvoudigste zaak ter

wereld was. Nergens spreekt hij van zijn eigen heldenmoed en de

nachtelijke uren van eenzaamheid, die hij onder het vijandelijk vuur

der schansen doorbracht; hij beproeft zelfs zijn heldenmoed te

verkleinen, terwijl hij eens schrijft:

„Gedurende de belegering hebben wij vaak over de vraag omtrent de vrees

geredeneerd, dat gevoel, hetwelk een echte man volgens het oordeel der

wereld niet mag kennen. Ik ben echter steeds door vrees vervuld,

dikwijls zelfs zeer erg! Vrees voor den dood is dat echter niet, die

is, Gode zij dank, voorbij; maar vrees voor een nederlaag en haar

gevolgen. Ik geloof niet aan den steeds kalmen, onwrikbaren man. De

hoofdzaak is slechts dat hij niet toont, wat hij voelt. Daarom moet een

bevelhebber nooit te nauw samen zijn met zijn ondergeschikten. Want zij

slaan hem met scherpe oogen gade, en er bestaat geen gevaarlijker

besmettingsstof dan de vrees! Ik kon woedend worden, als ik van angst

niet kon eten, en dan zag dat de officieren aan mijn tafel dezelfde

neigingen hadden. Misschien vraagt men mij, waarom ik niet met Steward

en de anderen heenging? Nu eenvoudig daarom niet, omdat de menschen

hier niet zoo dwaas zouden zijn geweest, mij te laten gaan!”

Ondertusschen legerden de derwischen ongeveer tien kilometer van de

buitenwerken en wachtten hun tijd af. Uit de verte werden schoten

gewisseld, maar de dagen verliepen toch nog eenigszins kalm. Den 20sten

September hoorde Gordon door een handig verkenner, dat de hulpexpeditie

onderweg was en tien dagen later zond hij zijn stoomboot een eind in

noordelijke richting, haar tegemoet, om het naderbrengen der troepen te

verhaasten. Maar daardoor boette hij ook de helft van zijn

weerstandskracht in.

Den 21sten October kwam de Mahdi zelf in het leger rondom Chartoem en

den volgenden dag zond hij aan Gordon de bewijzen, dat de stoomboot van

Steward was vergaan, en alle opvarenden gedood waren; hij legde zelfs

een lijst over der dagboeken en aanteekeningen, die aan boord waren

gevonden. Uit deze papieren had de Mahdi tot op een dag gezien, hoe

lang Chartoem zich nog staande kon houden, hoe groot het garnizoen was

en hoe de verdediging was georganiseerd, waar de batterijen stonden en

hoe lang de ammunitie nog kon strekken. Dat was een ontzettende slag

voor Gordon, maar het brak zijn moed niet. Het meest deed hem den dood

van Steward en der overigen leed, daar hij meende er zelf schuld aan te

hebben. Hij liet den Mahdi echter zeggen: „Ook al kaapt gij mij 20.000

booten weg, toch sta ik hier pal!”

Den 2den November telde hij in de streng bewaakte schuur de zakken met

durrha. De proviand strekte nog voor zes weken. Deze termijn kon

verlengd worden, als de menschen op half rantsoen werden gesteld. Maar

waarom de bezetting door beperking van het dagelijksch voedsel onnoodig

zwakker maken? Zij waren toch al met volle magen moedeloos genoeg!

Onder de troepen der Engelsche hulpexpeditie bevond zich een majoor

Kitchener, een naam, die later zeer beroemd is geworden. Hij beproefde

vermomd Chartoem binnen te sluipen en het gelukte hem Gordon de

schriftelijke mededeeling te doen toekomen, dat de hulpbrigade den

eersten November uit Dongola zou opbreken. Toen de brief aankwam, was

het corps reeds twee dagen onderweg; maar de weg tusschen Dongola en

Chartoem bedroeg 450 kilometer!

De brief van Kitchener was in een dagblad gewikkeld. Sedert negen

maanden had Gordon niets meer dan duistere geruchten van de

buitenwereld gehoord en toen hij dit verdwaald blad, dat als omslag

diende, las, zag hij de eene kolom na de andere gevuld met berichten en

vermoedens over hemzelf. „De hulpexpeditie tot ontzet van Gordon” stond

daar gespatiëerd. Het opschrift ontstemde hem, en hij schreef in zijn

dagboek dat het moest heeten: „De expeditie tot ontzet der garnizoenen

in Soedan.”

Gordon’s dagboek vertelt ons ook, hoe hij zijn dagen en nachten

doorbracht en hoe onvermoeid en ingespannen hij werkte. Pas te drie uur

’s nachts placht hij zich uitgeput op zijn legerstede neer te werpen.

Maar dikwijls was hij ternauwernood ingeslapen, of buiten werd

tromgeroffel vernomen. Hij ontwaakt, wrijft zich de oogen en herinnert

zich, dat hij in Chartoem is. Wat beteekent het geraas? Hij roept de

mannen in het geweer en de bevelhebbers naar de buitenwerken. Overdag

is Gordon alom tegenwoordig om zijn manschappen gerust te stellen en

aan te vuren. Slechts zelden blijft hem een kort ongestoord oogenblik

over om in zijn dagboek te schrijven. Als de dag aanbreekt, ziet hij

vanaf het dak in het rond. Vandaar overziet hij ver het vlakke land:

hij ziet hoe de Arabieren den belegeringsketting steeds vaster snoeren.

Hoe ver zijn de Engelsche legerscharen nog achter den vlakken rand van

den noordelijken horizon? Zullen zij komen voordat het te laat is?

40.000 schoten werden dagelijks uit Chartoem afgevuurd en ondanks dat

reikte de ammunitie nog voor veertig dagen. De soldaten konden er

gerust op los schieten, de proviand reikte toch niet langer dan dertig

dagen. Maar Gordon dacht aan geen overgave; volhouden en vallen onder

de vlag, dat was zijn vast besluit. Talrijk waren de overloopers, die

Chartoem verlieten, de ratten verlieten het zinkende schip. Door

verraad omgeven, beproefde hij nog steeds de wegsmeltende scharen

zijner getrouwen staande te houden.

Den 22sten November had Gordon in het geheel reeds twee duizend

soldaten verloren. Toch liet hij de hoop niet varen. Zijn dagboek

onthult, dat hij, indien redding bijtijds was gekomen, het plan had

gekoesterd, nog meer zuidelijk te trekken, om de garnizoenen in de

Aequator-provinciën hulp te verleenen!

Den 10den December is er nog voor vijftien dagen proviand aanwezig. De

aanteekeningen in het dagboek worden steeds korter, en gewagen bijna

van niets anders dan van deserteurs, overloopers en het inslinken der

levensmiddelen. Den 14den December biedt zich nog een laatste

gelegenheid aan, uit Chartoem bericht te zenden en het dagboek, dat de

bode meeneemt, sluit daarom met dien datum, en met de woorden: „Ik heb

mijn best voor de eer van het vaderland gedaan, vaarwel!” Per brief

neemt hij van zijn vrienden afscheid en aan zijn zuster schrijft hij:

„Ik ben, Gode zij dank, volkomen gelukkig; ik heb mijn plicht gedaan.”

Aan een vriend verzoekt hij voor zijn familie te zorgen. Uit al zijn

afscheidsbrieven klinkt ons zijn onwankelbare heldhaftige kalmte tegen,

maar ook de zekerheid, dat hij sinds dit laatst vaarwel, alle hoop op

redding heeft begraven.

Van pool tot pool(#76913) · 第 52 / 75 题