Den 18den Februari 1884 trok Gordon voor den tweeden keer als
stadhouder van Soedan Chartoem binnen, en nam weer zijn intrek in zijn
oude paleis. Wreedheid en onrecht van allerlei aard hadden, gedurende
de jaren zijner afwezigheid, om zich gegrepen. Nu opende hij de deuren
der overvolle gevangenissen, onbetaalde belastingpapieren werden
verbrand, allerhande martelwerktuigen gebroken en in den Nijl geworpen.
Daarna begon hij met de ontruiming der stad. Ongeveer 3000 vrouwen en
kinderen werden naar Abu Hammed en door de Nubische woestijn naar
Korosko gezonden; zij kwamen daar nog zonder gevaar en waren gered.
Langs denzelfden weg zou het oprukken van troepen uit Egypte een
kleinigheid zijn geweest. In plaats daarvan zond Engeland een expeditie
naar Soeakin, om aan de Roode Zee een vast standpunt te hebben! Dat
deed de woede der oproerige stammen in Soedan nog meer ontvlammen, want
zij veronderstelden natuurlijk, dat de blanken van daar uit hun land
wilden veroveren. Steeds vaster sloten zij zich aaneen, rondom den
Mahdi, en hun haat richtte zich tegen den gevreesden Gordon en de
weinige Europeanen, die zich met hem te Chartoem bevonden.
Zoolang de telegraaflijn naar Kaïro nog in orde was, bracht Gordon de
machthebbers op de hoogte van zijn toestand. Vóór alles verlangde hij,
dat de weg van Soeakin naar Berber bezet werd, want ook vanaf deze lijn
was Soedan te beheerschen. Maar men verwierp zijn raadgevingen en
Berber werd door de troepen van den Mahdi veroverd. Verschillende, tot
nu toe bevriende opperhoofden ten Noorden en Noordoosten van Chartoem
voegden zich nu ook bij den Mahdi, onophoudelijk kwamen berichten van
nieuwe opstanden naar Chartoem, en in de stad zelf was Gordon aan alle
kanten door verraders omgeven. Den 10den Maart werd de telegraafkabel
doorgesneden, en nu lag een geheel halfjaar diep stilzwijgen over
Gordon en zijn manschappen! Reeds den 11den Maart vertoonden zich aan
den oever van de Roode Zee Arabische krijgslieden, de Mahdi trok het
net steeds vaster rondom de ongelukkige stad.
Gedurende de laatste jaren had de Egyptische regeering Chartoem slechts
gebrekkig laten versterken en gedurende de eerste drie maanden der
belegering werkte Gordon dag en nacht aan de versterking der
verschansingen. Rondom de stad werden aarden wallen opgeworpen,
prikkeldraad aangebracht, en daar waar aanvallen te verwachten waren,
mijnen gelegd. Einde April was Chartoem geheel ingesloten, en alleen de
weg langs de rivier naar het Noorden vrij. Begin Mei gingen de
Arabieren den Blauwen Nijl over, leden echter groote verliezen door
ontploffende mijnen, en werden met kruppkanonnen uit hun stelling
gedreven.
Zoolang het maar eenigszins mogelijk was, had Gordon troepen
uitgezonden om durrha en andere levensmiddelen te halen. Einde Juli
zuiverde hij met zijn beste troepen den oever van den Nijl en nam
dertien Arabische verschansingen. Maar tot dien tijd had hij reeds 700
man verloren. Elke gedachte aan een ontruiming der stad was reeds
opgegeven. Het was nu nog slechts uithouden—tot het einde.
In September 1884 was er nog proviand voor drie maanden voorhanden en
de Arabieren, die inzagen, dat zij de stad niet aan den Witten Pacha
konden ontnemen, besloten ze te laten uithongeren.
In September had de Nijl zijn hoogsten waterstand bereikt. Hoe vaak
zullen Gordon en zijn beide makkers, overste Steward en Power, de
correspondent van de Times, wel niet vanaf het platte dak van het
paleis, naar het Noorden, naar verlangde hulp hebben uitgezien. Over de
watervallen beneden Chartoem en Berber bruiste het water tien meter
omlaag, en nu alleen was het mogelijk met een stoomboot naar Dongola
door te dringen. In den nacht van 9 September werd een der acht kleine
stoombooten, met welke Gordon de Arabieren van de oevers van den Witten
en den Blauwen Nijl placht te verdrijven, voor de afreis gereed
gehouden. Steward, Power, de Fransche consul en eenige Grieken, kortom
alle Europeanen in Chartoem, begaven zich aan boord en met hen vijftig
soldaten. Zij namen de belegeringskronieken, de ambtelijke geschriften,
de lijsten over proviand, ammunitie, wapenen en manschappen, de
verdedigingsplannen en alle papieren van waarde mede. Toen de stoomboot
van den oever afstiet, en bij het ochtendgrauwen in de schemering
verdween, was Gordon de eenige Europeaan in Chartoem.
In Februari had de stad 60.000 inwoners gehad. Gedurende de belegering
werd echter het derde deel der inwoners verdreven, omdat men wist, dat
het verraders waren. Van de overige 40.000 kan Gordon zich
ternauwernood op de helft verlaten, en ook de betrouwbaren zijner
manschappen waren slechts daarop bedacht, hun have en goed te redden.
In vergelijking met de vreugdedronken, fanatieke derwischen, onder het
vaandel van den Mahdi, waren Gordon’s soldaten erbarmelijk gespuis.
Wat nu gedurende dit halfjaar gebeurde, zal men nooit te weten komen.
Men weet slechts dat Gordon de versterking der stad krachtiger maakte,
de schepen en stoombooten met stalen platen bekleedde en met kanonnen
liet bewapenen en onvermoeid z’n soldaten tot weerstand oefende. Men
weet ook, dat hij waakte over de rechtvaardige verdeeling der
levensmiddelen, zieken en gewonden in de hospitalen opzocht en moed
insprak en de nachten doorbracht in de buitenwerken, waar het eerst
gevaar dreigde. In den bazaar kocht hij groote hoeveelheden blauw-groen
katoen, dat over de aarden wallen werd uitgespreid, opdat deze er
zouden uitzien alsof zij met stalen platen waren bedekt en den aanval
der Arabieren vertraagden, totdat men gereed was met het opwerpen van
nieuwe wallen binnen de oude. Maar al deze berichten zijn slechts bij
geruchten uit het belegerd Chartoem in de wereld gekomen. Want ook
Steward en de overige Europeanen bereikten het doel niet. Vlak achter
Abu Hammed leed de boot schipbreuk, de geheele bemanning werd door de
lieden van den Mahdi vermoord, en al de papieren van waarde van Gordon
vielen den overweldigers in handen!