Na de afzending van het dagboek daalt op de laatste weken van Chartoem
ondoordringbare nacht. Van de hand van Gordon hebben wij geen bericht
meer en geen navorschingen zullen in staat zijn, volkomen licht over
zijn laatsten strijd te brengen.
Door overloopers zijn nog enkele schaarsche berichten ontvangen.
Gedurende de veertig dagen, dat de stad zich na den 16den December
staande hield, werden 18000 inwoners in het legerkamp van den Mahdi
gezonden, om hen van den dood te redden. Daardoor reikte de proviand
voor de achterblijvenden langer dan men had berekend. De overige 14000
burgers en soldaten werden op half rantsoen gezet; de hulpexpeditie
moest nu dicht bij zijn! Omdoerman, een fort aan den linker oever van
den Witten Nijl, dat reeds lang van de stad was afgesneden, viel en de
troepen van den Mahdi drongen van alle kanten op. Ontvluchte slaven
hebben medegedeeld, dat de Egyptische officieren zich hadden willen
overgeven, maar dat Gordon onder geen enkele voorwaarde zijn
toestemming had willen geven. Hij had zijn rekening met de wereld
afgesloten, en zoolang hij in leven was, wilde hij de vlag niet
strijken, ook al verlieten allen hem. Toen alle proviand op was, leefde
men van ratten en muizen, huiden en leer, en ontbolsterde men de
stammen der palmen, om de zachte vezels er binnen te eten. Ondanks
alles stond de Witte Pacha nog altijd met opgeheven hoofd en onbewolkt
voorhoofd, in de voorste gelederen, om zijn manschappen tot heldhaftige
verdediging aan te vuren.
Intusschen trok de hulpbrigade zuidwaarts en bereikte 20 Januari 1895
Metemma, 160 kilometer van Chartoem verwijderd. Hier stiet zij op de
stoombooten van Gordon, die reeds sedert vier maanden vergeefs hadden
gewacht. Vier dagen later vertrokken twee der stoombooten naar
Chartoem.
Waarom werd er vier dagen gewacht, terwijl toch elk uur Gordon het
leven kon kosten? Nauwelijks een maand geleden had een bode van Gordon
het leger bereikt, en had een brief gebracht met de woorden: „In
Chartoem alles wel, kan nog jarenlang stand houden.” Daaruit maakte men
op, dat de toestand nog niet gevaarlijk kon zijn. Eerst later is men
den zin dezer woorden van Gordon goed gaan uitleggen. Hij wist dat de
bode door de troepen van den Mahdi zou gevangen genomen worden, en de
Mahdi wist, dat de stad elken dag kon vallen. Gordon wilde daarom den
bode voor gevangenschap en dood bewaren; de Mahdi moest den man wel met
genoegen laten loopen, want zijn boodschap zou den opmarsch van het
hulpleger slechts verlangzamen.
Den 24sten Januari verlieten de beide stoombooten Metemma pas;
halverwege moesten zij over een waterval en verloren daardoor twee
dagen. Pas den 28sten hadden zij de watervallen achter zich en de
middagzon scheen helder, toen de Engelsche officieren Chartoem op de
landtong tusschen den Witten en den Blauwen Nijl zagen liggen. Alle
verrekijkers werden naar het hooge paleis gericht; men dorst niet te
spreken, ternauwernood adem te halen. Daar stond het paleis van Gordon,
maar—de vlag was gestreken!
Toch stoomden de booten verder. Maar geen vreugdekreten begroetten de
bemanning, als vurig verlangde bevrijders. Toen zij in het bereik der
kogels waren, begonnen de derwischen op hen te vuren; woeste, door de
overwinning bedwelmde scharen, verzamelden zich aan den oever, Chartoem
was in de macht van den Mahdi; de hulp kwam acht-en-veertig uren te
laat!
Twee dagen te voren, den 26sten Januari, hadden de derwischen, tot
uiterste woede geprikkeld door den hardnekkigen tegenstand, hun
voortdurende verliezen en den onuitputtelijken regen van kogels uit
Chartoem, zich verzameld tot een laatsten stormloop. De aanval
geschiedde gedurende de donkerste uren van den nacht, nadat de maan was
ondergegaan. De verdedigers werden verrast, bovendien waren zij
uitgeput en tengevolge van den honger onverschillig geworden voor hun
lot. Zij boden ternauwernood meer weerstand, toen de derwischen de stad
binnenstormden en hun wild gehuil in de straten en stegen weerklonk.
Terwijl de razende bende der bloeddorstige derwischen naar het paleis
van Gordon drong, luisterde in het kamp van den Mahdi een tweede
Europeaan met koortsachtige spanning naar elk geluid, dat van de
vestingwerken van Chartoem tot hem doordrong. Met veertien meter lange
zware kettingen, met hals- en voetijzers geketend, lag hij voor zijn
tent en had al zijn bewonderenswaardige energie noodig, om den hem
bespiedenden bewakers zijn opwinding niet te verraden. Op de wallen van
de in het nauw gebrachte stad viel voor hem waarschijnlijk ook de
beslissing over leven en dood!
Deze gevangene van den Mahdi was een vroeger Oostenrijksch officier,
Rudolf Slatin genaamd. Hij was tegen het eind van het jaar 1878, den
oproep van Gordon volgend, in dienst der Egyptische regeering gekomen,
en dank zij zijn geschiktheid en dapperheid, heerschte hij enkele jaren
later als gouverneur en militair commandant over de provincie Darfoer.
Hier was het zijn taak de roofzuchtige, als nomaden levende Arabieren,
in toom te houden en aan zijn onverschrokken geestkracht gelukte het
gaandeweg een reeks oproerige stammen met sterke hand ten onder te
brengen. Maar toen de Mahdi het vaandel van den profeet ophief en de
volkeren van Soedan tot den heiligen oorlog opriep, vielen ook de tot
nu toe getrouwen van de Egyptische regeering af, en na enkele weken
stond Slatin met zijn schaarsche en bovendien onbetrouwbare troepen
midden in het brandpunt van het oproer, dat bovendien nog door
persoonlijken haat en wraakzucht van den strengen gouverneur werd
aangewakkerd. Er viel aan geen ontkomen meer te denken, en na een
dappere verdediging moest Slatin zich in December 1883 met de overige
zijner soldaten overgeven aan de zegevierende overmacht van den Mahdi.
Eerst hield de sluwe Mahdi hem in dragelijke gevangenschap; deze hooge
beambte der Egyptische regeering, die men bovendien voor den neef van
Gordon hield, was voor hem een maar al te kostbare gijzelaar.
Uit krijgslist had Slatin reeds terwijl hij gouverneur was, den Islam
aangenomen: het fanatisme der Mahdisten had daarom dus geen reden meer
dezen „christenhond” als zooveel anderen met geweld uit den weg te
ruimen.
Slatin had de hoop gekoesterd, bij de belegering van Chartoem naar
Gordon te kunnen ontvluchten. Maar de Mahdi doorzag hem, en had hem
voor Chartoem in boeien geslagen en streng laten bewaken om elke poging
tot ontvluchten en elke verbinding met Gordon onmogelijk te maken. Zoo
was deze gevangene de eenige overlevende Europeaan, die de belegering
van Chartoem van nabij en met het volle overzicht over de krachten der
strijdende partijen meeleefde. Wat aan schriftelijke berichten in
handen der derwischen viel, werd hem voorgelegd, want in het leger van
den Mahdi was hij alleen in staat, de brieven en rapporten van Gordon
te lezen. Slechts zijn ongewone tegenwoordigheid van geest en
verbazingwekkende dialektische handigheid, bewaarden hem voor het lot,
terwille van zijn eigen redding, door het vertalen van die brieven
verraad tegenover de zijnen te moeten plegen. De Mahdi was toch ook
door overloopers en door berichten van geheime aanhangers in Chartoem
zelf ruimschoots onderricht over den onhoudbaren toestand der belegerde
stad. Maar even precies kende Slatin nu den toestand van Gordon en toen
den 26sten Januari 1885 het leger van den Mahdi onder de beschutting
van den duisteren nacht en zoo geluidloos als maar mogelijk was tot de
bestorming van Chartoem uitrukte, maakte zich van den achtergebleven
gevangene, die tot nu toe ketenen en honger, verachting en spot, zijner
pijnigers met stoïcijnsche onverschilligheid had verdragen, een met het
uur groeiende zenuwachtigheid meester.
Toen hij tegen het ochtendgrauwen van afmatting een weinig was
ingeslapen, werd hij eensklaps opgeschrikt door het geknetter der
geweren en de eerste kanonschoten. Er was in de schemering nog niets te
zien. Na eenige salvo’s vielen nog slechts enkele schoten, daarna werd
alles weer rustig. Dat kon toch onmogelijk de bestorming van Chartoem
zijn?
De zon kwam op, in het rond was alles stil, de bewakers hadden zich,
door nieuwsgierigheid gedreven, verwijderd. Plotseling geschreeuw en
jubelkreten, de bewakers kwamen terug met het bericht: „Chartoem is
bestormd, en in handen der Mahdisten.”
Deze jobstijding dreef Slatin uit zijn tent. Een groote menigte
menschen had zich verzameld voor de tenten van den Mahdi en zijn
kalifa’s. De menigte scheen zich in beweging te zetten en het staketsel
te naderen, waarmede de tent van Slatin werd omgeven. En werkelijk
kwamen ze nu in deze richting. Voorop liepen drie negersoldaten, een
hunner droeg een bloedigen bundel in de handen. Achter hen aan drong de
joelende menigte. De slaven traden binnen de omheining, bleven met
grijnzend gezicht voor Slatin staan, de een sloeg den doek van elkaar
en vertoonde aan den ontstelden gevangene het hoofd van generaal
Gordon!
Het bloed steeg Slatin naar het hoofd, zijn adem stokte; met de
uiterste inspanning behield hij echter zooveel zelfbeheersching rustig
in het vale gelaat te zien. De blauwe oogen waren half geopend, de mond
had zijn natuurlijken vorm behouden, het gelaat was kalm, de trekken
niet verwrongen, het hoofdhaar en de korte bakkebaarden waren bijna
wit.
„Is dat niet je oom, de ongeloovige?” vroeg de slaaf, het hoofd omhoog
houdend.
„En wat zou dat dan?” antwoordde Slatin rustig. „In elk geval een
dapper soldaat, die op zijn post is gevallen en opgehouden heeft te
lijden. Wel hem!”
„Je prijst den ongeloovige nog! Je zult de gevolgen ondervinden,”
bromde de slaaf en verwijderde zich langzaam met het schrikkelijk
teeken van den triomf van den Mahdi. De menigte drong brullend achter
hem aan.
Slatin sleepte zich terug in zijn tent en wierp zich doodelijk afgemat
op den grond. Chartoem gevallen! Gordon dood! Dat was dus het einde van
den man, die zijn post met zooveel heldenmoed had verdedigd, een man,
die door velen misschien te hoog verheven en verafgood werd, door velen
miskend en belasterd, maar door zijn buitengewone eigenschappen, de
wereld echter met z’n roem had vervuld! Wat nut had nu de zegevierende
voorhoede, wat het geheele Engelsche leger?
Door vrienden, die Slatin zich ook in het leger van den vijand door
zijn vrijgevigheid had verworven, vernam hij nu gaandeweg alle
bijzonderheden van den schrikkelijken nacht. De overval had Gordon niet
onvoorbereid gevonden, maar hij scheen niet verwacht te hebben, dat de
bestorming zoo gauw en in het vroege morgenuur ondernomen zou worden.
Ter misleiding van den vijand en tot amusement zijner manschappen, liet
hij nog den avond te voren een vuurwerk ontsteken, en juist toen de
Mahdi den stormloop voorbereidde, stegen de eerste raketten boven
Chartoem in bont kleurenspel ten hemel en de muziek speelde vroolijke
wijsjes, om de terneergeslagen gemoederen wat op te wekken.
Het vuurwerk was uitgebrand, de muziek zweeg en de verdedigers van
Chartoem sliepen. Maar de vijanden waren maar al te wakker! Zij kenden
de versterking, wisten precies waar ze sterk, en met geregelde troepen
bezet, en waar ze zwak en slechts door de stadsbewoners verdedigd was.
Tegen deze zwakke plaatsen der versterking, hoofdzakelijk aan den
Witten Nijl, richtte zich bij het eerste ochtendgrauwen de hoofdaanval.
De verdedigers vluchtten en toen de soldaten op de muren der vesting
staande de Mahdisten in hun rug de stad zagen binnendringen, verlieten
ook zij hun post, en gaven zich meestal vrijwillig en zonder strijd
over.
De Mahdisten beproefden voor alles de kerk en het paleis te bereiken,
omdat men daar schatten en in het laatste—voor alles, Gordon Pacha
hoopte te vinden. De dienaren van den generaal, die zich in de
benedenverdieping bevonden, werden neergesabeld. Hij zelf wachtte den
vijand af op de bovenste trede van de naar zijn vertrekken leidende
trap. Zonder zich te bekommeren om zijn groet, stiet hem de eerste
aanvaller, de treden opstormend, de lans in het lichaam. Gordon viel
met het gezicht naar voren zonder een geluid te geven op de trap, en
werd door zijn moordenaars tot aan den ingang van het paleis gesleept.
Hier werd zijn hoofd met een mes van den romp gescheiden, en naar den
Mahdi gezonden, die beval, dat men het aan Slatin zou toonen; de romp
werd prijs gegeven aan de fanatici en honderden van deze onmenschen
beproefden de spitsen hunner lansen en de scherpte van hun zwaarden aan
den gevallen held, die in enkele minuten een onherkenbare bloedige
massa geleek.
Nog langen tijd daarna waren de sporen van deze bloedige daad voor het
paleis zichtbaar en de zwarte bloedvlek op de trap van het paleis geeft
de plaats aan waar men Gordon heeft vermoord; ze werd pas verwijderd,
toen de opvolger van den Mahdi, de Kalief, het regeeringspaleis tot
woning voor zijn vrouwen liet inrichten.
Toen men den Mahdi het hoofd van generaal Gordon bracht, zei de
huichelaar, dat hij wenschte dat men hem levend in handen gekregen had,
want dat hij hem „na zijn bekeering” had willen uitleveren tegen
gevangen genomen derwischen. Wanneer het echter werkelijk zijn wensch
geweest was, Gordon’s leven te sparen, dan zou geen van zijn
volgelingen het gewaagd hebben om in strijd met zijn uitdrukkelijk
uitgesproken verlangen te handelen.
De gruwelen, door de derwischen in de veroverde stad bedreven, spotten
met elke beschrijving. Gedurende de eerste dagen, tijdens welke de
Mahdi Chartoem aan plundering prijsgaf, werden slechts slaven en
slavinnen, benevens de mooiste vrouwen en meisjes der vrije stammen
gespaard, alle anderen hadden het uitsluitend aan het toeval te danken
wanneer ze er levend afkwamen.
Tal van inwoners benamen zich vrijwillig het leven; een nog veel
grooter aantal werd door eigen slaven en vroegere vrienden vermoord, of
viel ten offer aan het zwaard der verraders, die voor de rooverbenden
als gids hadden gediend.
Met het verhaal van al de gruweldaden, die in de weerlooze stad
gepleegd werden, zouden, zooals Slatin Pacha zelf zegt, boekdeelen te
vullen zijn. Ook de overlevenden gingen een droevig lot tegemoet. Nadat
alle huizen bezet waren, begon men naar verborgen schatten te zoeken;
geen ontkennen, geen plechtige verzekeringen mochten baten; hij op wien
slechts de minste verdenking viel—en bij wien was dit niet het
geval?—iets van waarde verborgen te hebben, werd zoolang gemarteld,
totdat hij bekend had, of, indien hij werkelijk niets te bekennen had,
totdat hij onder de handen zijner pijnigers den laatsten adem uitblies.
En de Engelsch-Egyptische ontzettings-expeditie, waarvan de schepen
reeds in ’t zicht van Chartoem lagen? Met den val van Chartoem, en den
dood van Gordon, was haar taak afgeloopen, en bovendien waren er onder
de inlandsche bemanning der schepen zoovele verraders, dat de Engelsche
bemanning genoeg te doen had met er voor te zorgen, dat ze niet door de
brooddronken Mahdisten omsingeld werden, temeer daar ze in aantal lang
niet tegen deze benden opgewassen waren. Ze maakten daarom zoo snel
mogelijk rechtsomkeert, en lieten Soedan aan den Mahdi over, die nu
Omdoerman tot hoofdstad van zijn rijk verhief, dat van nu af niets meer
van de Egyptische regeering te duchten had.