47. DE VAL VAN CHARTOEM EN HET EINDE VAN GORDON.

Na de afzending van het dagboek daalt op de laatste weken van Chartoem

ondoordringbare nacht. Van de hand van Gordon hebben wij geen bericht

meer en geen navorschingen zullen in staat zijn, volkomen licht over

zijn laatsten strijd te brengen.

Door overloopers zijn nog enkele schaarsche berichten ontvangen.

Gedurende de veertig dagen, dat de stad zich na den 16den December

staande hield, werden 18000 inwoners in het legerkamp van den Mahdi

gezonden, om hen van den dood te redden. Daardoor reikte de proviand

voor de achterblijvenden langer dan men had berekend. De overige 14000

burgers en soldaten werden op half rantsoen gezet; de hulpexpeditie

moest nu dicht bij zijn! Omdoerman, een fort aan den linker oever van

den Witten Nijl, dat reeds lang van de stad was afgesneden, viel en de

troepen van den Mahdi drongen van alle kanten op. Ontvluchte slaven

hebben medegedeeld, dat de Egyptische officieren zich hadden willen

overgeven, maar dat Gordon onder geen enkele voorwaarde zijn

toestemming had willen geven. Hij had zijn rekening met de wereld

afgesloten, en zoolang hij in leven was, wilde hij de vlag niet

strijken, ook al verlieten allen hem. Toen alle proviand op was, leefde

men van ratten en muizen, huiden en leer, en ontbolsterde men de

stammen der palmen, om de zachte vezels er binnen te eten. Ondanks

alles stond de Witte Pacha nog altijd met opgeheven hoofd en onbewolkt

voorhoofd, in de voorste gelederen, om zijn manschappen tot heldhaftige

verdediging aan te vuren.

Intusschen trok de hulpbrigade zuidwaarts en bereikte 20 Januari 1895

Metemma, 160 kilometer van Chartoem verwijderd. Hier stiet zij op de

stoombooten van Gordon, die reeds sedert vier maanden vergeefs hadden

gewacht. Vier dagen later vertrokken twee der stoombooten naar

Chartoem.

Waarom werd er vier dagen gewacht, terwijl toch elk uur Gordon het

leven kon kosten? Nauwelijks een maand geleden had een bode van Gordon

het leger bereikt, en had een brief gebracht met de woorden: „In

Chartoem alles wel, kan nog jarenlang stand houden.” Daaruit maakte men

op, dat de toestand nog niet gevaarlijk kon zijn. Eerst later is men

den zin dezer woorden van Gordon goed gaan uitleggen. Hij wist dat de

bode door de troepen van den Mahdi zou gevangen genomen worden, en de

Mahdi wist, dat de stad elken dag kon vallen. Gordon wilde daarom den

bode voor gevangenschap en dood bewaren; de Mahdi moest den man wel met

genoegen laten loopen, want zijn boodschap zou den opmarsch van het

hulpleger slechts verlangzamen.

Den 24sten Januari verlieten de beide stoombooten Metemma pas;

halverwege moesten zij over een waterval en verloren daardoor twee

dagen. Pas den 28sten hadden zij de watervallen achter zich en de

middagzon scheen helder, toen de Engelsche officieren Chartoem op de

landtong tusschen den Witten en den Blauwen Nijl zagen liggen. Alle

verrekijkers werden naar het hooge paleis gericht; men dorst niet te

spreken, ternauwernood adem te halen. Daar stond het paleis van Gordon,

maar—de vlag was gestreken!

Toch stoomden de booten verder. Maar geen vreugdekreten begroetten de

bemanning, als vurig verlangde bevrijders. Toen zij in het bereik der

kogels waren, begonnen de derwischen op hen te vuren; woeste, door de

overwinning bedwelmde scharen, verzamelden zich aan den oever, Chartoem

was in de macht van den Mahdi; de hulp kwam acht-en-veertig uren te

laat!

Twee dagen te voren, den 26sten Januari, hadden de derwischen, tot

uiterste woede geprikkeld door den hardnekkigen tegenstand, hun

voortdurende verliezen en den onuitputtelijken regen van kogels uit

Chartoem, zich verzameld tot een laatsten stormloop. De aanval

geschiedde gedurende de donkerste uren van den nacht, nadat de maan was

ondergegaan. De verdedigers werden verrast, bovendien waren zij

uitgeput en tengevolge van den honger onverschillig geworden voor hun

lot. Zij boden ternauwernood meer weerstand, toen de derwischen de stad

binnenstormden en hun wild gehuil in de straten en stegen weerklonk.

Terwijl de razende bende der bloeddorstige derwischen naar het paleis

van Gordon drong, luisterde in het kamp van den Mahdi een tweede

Europeaan met koortsachtige spanning naar elk geluid, dat van de

vestingwerken van Chartoem tot hem doordrong. Met veertien meter lange

zware kettingen, met hals- en voetijzers geketend, lag hij voor zijn

tent en had al zijn bewonderenswaardige energie noodig, om den hem

bespiedenden bewakers zijn opwinding niet te verraden. Op de wallen van

de in het nauw gebrachte stad viel voor hem waarschijnlijk ook de

beslissing over leven en dood!

Deze gevangene van den Mahdi was een vroeger Oostenrijksch officier,

Rudolf Slatin genaamd. Hij was tegen het eind van het jaar 1878, den

oproep van Gordon volgend, in dienst der Egyptische regeering gekomen,

en dank zij zijn geschiktheid en dapperheid, heerschte hij enkele jaren

later als gouverneur en militair commandant over de provincie Darfoer.

Hier was het zijn taak de roofzuchtige, als nomaden levende Arabieren,

in toom te houden en aan zijn onverschrokken geestkracht gelukte het

gaandeweg een reeks oproerige stammen met sterke hand ten onder te

brengen. Maar toen de Mahdi het vaandel van den profeet ophief en de

volkeren van Soedan tot den heiligen oorlog opriep, vielen ook de tot

nu toe getrouwen van de Egyptische regeering af, en na enkele weken

stond Slatin met zijn schaarsche en bovendien onbetrouwbare troepen

midden in het brandpunt van het oproer, dat bovendien nog door

persoonlijken haat en wraakzucht van den strengen gouverneur werd

aangewakkerd. Er viel aan geen ontkomen meer te denken, en na een

dappere verdediging moest Slatin zich in December 1883 met de overige

zijner soldaten overgeven aan de zegevierende overmacht van den Mahdi.

Eerst hield de sluwe Mahdi hem in dragelijke gevangenschap; deze hooge

beambte der Egyptische regeering, die men bovendien voor den neef van

Gordon hield, was voor hem een maar al te kostbare gijzelaar.

Uit krijgslist had Slatin reeds terwijl hij gouverneur was, den Islam

aangenomen: het fanatisme der Mahdisten had daarom dus geen reden meer

dezen „christenhond” als zooveel anderen met geweld uit den weg te

ruimen.

Slatin had de hoop gekoesterd, bij de belegering van Chartoem naar

Gordon te kunnen ontvluchten. Maar de Mahdi doorzag hem, en had hem

voor Chartoem in boeien geslagen en streng laten bewaken om elke poging

tot ontvluchten en elke verbinding met Gordon onmogelijk te maken. Zoo

was deze gevangene de eenige overlevende Europeaan, die de belegering

van Chartoem van nabij en met het volle overzicht over de krachten der

strijdende partijen meeleefde. Wat aan schriftelijke berichten in

handen der derwischen viel, werd hem voorgelegd, want in het leger van

den Mahdi was hij alleen in staat, de brieven en rapporten van Gordon

te lezen. Slechts zijn ongewone tegenwoordigheid van geest en

verbazingwekkende dialektische handigheid, bewaarden hem voor het lot,

terwille van zijn eigen redding, door het vertalen van die brieven

verraad tegenover de zijnen te moeten plegen. De Mahdi was toch ook

door overloopers en door berichten van geheime aanhangers in Chartoem

zelf ruimschoots onderricht over den onhoudbaren toestand der belegerde

stad. Maar even precies kende Slatin nu den toestand van Gordon en toen

den 26sten Januari 1885 het leger van den Mahdi onder de beschutting

van den duisteren nacht en zoo geluidloos als maar mogelijk was tot de

bestorming van Chartoem uitrukte, maakte zich van den achtergebleven

gevangene, die tot nu toe ketenen en honger, verachting en spot, zijner

pijnigers met stoïcijnsche onverschilligheid had verdragen, een met het

uur groeiende zenuwachtigheid meester.

Toen hij tegen het ochtendgrauwen van afmatting een weinig was

ingeslapen, werd hij eensklaps opgeschrikt door het geknetter der

geweren en de eerste kanonschoten. Er was in de schemering nog niets te

zien. Na eenige salvo’s vielen nog slechts enkele schoten, daarna werd

alles weer rustig. Dat kon toch onmogelijk de bestorming van Chartoem

zijn?

De zon kwam op, in het rond was alles stil, de bewakers hadden zich,

door nieuwsgierigheid gedreven, verwijderd. Plotseling geschreeuw en

jubelkreten, de bewakers kwamen terug met het bericht: „Chartoem is

bestormd, en in handen der Mahdisten.”

Deze jobstijding dreef Slatin uit zijn tent. Een groote menigte

menschen had zich verzameld voor de tenten van den Mahdi en zijn

kalifa’s. De menigte scheen zich in beweging te zetten en het staketsel

te naderen, waarmede de tent van Slatin werd omgeven. En werkelijk

kwamen ze nu in deze richting. Voorop liepen drie negersoldaten, een

hunner droeg een bloedigen bundel in de handen. Achter hen aan drong de

joelende menigte. De slaven traden binnen de omheining, bleven met

grijnzend gezicht voor Slatin staan, de een sloeg den doek van elkaar

en vertoonde aan den ontstelden gevangene het hoofd van generaal

Gordon!

Het bloed steeg Slatin naar het hoofd, zijn adem stokte; met de

uiterste inspanning behield hij echter zooveel zelfbeheersching rustig

in het vale gelaat te zien. De blauwe oogen waren half geopend, de mond

had zijn natuurlijken vorm behouden, het gelaat was kalm, de trekken

niet verwrongen, het hoofdhaar en de korte bakkebaarden waren bijna

wit.

„Is dat niet je oom, de ongeloovige?” vroeg de slaaf, het hoofd omhoog

houdend.

„En wat zou dat dan?” antwoordde Slatin rustig. „In elk geval een

dapper soldaat, die op zijn post is gevallen en opgehouden heeft te

lijden. Wel hem!”

„Je prijst den ongeloovige nog! Je zult de gevolgen ondervinden,”

bromde de slaaf en verwijderde zich langzaam met het schrikkelijk

teeken van den triomf van den Mahdi. De menigte drong brullend achter

hem aan.

Slatin sleepte zich terug in zijn tent en wierp zich doodelijk afgemat

op den grond. Chartoem gevallen! Gordon dood! Dat was dus het einde van

den man, die zijn post met zooveel heldenmoed had verdedigd, een man,

die door velen misschien te hoog verheven en verafgood werd, door velen

miskend en belasterd, maar door zijn buitengewone eigenschappen, de

wereld echter met z’n roem had vervuld! Wat nut had nu de zegevierende

voorhoede, wat het geheele Engelsche leger?

Door vrienden, die Slatin zich ook in het leger van den vijand door

zijn vrijgevigheid had verworven, vernam hij nu gaandeweg alle

bijzonderheden van den schrikkelijken nacht. De overval had Gordon niet

onvoorbereid gevonden, maar hij scheen niet verwacht te hebben, dat de

bestorming zoo gauw en in het vroege morgenuur ondernomen zou worden.

Ter misleiding van den vijand en tot amusement zijner manschappen, liet

hij nog den avond te voren een vuurwerk ontsteken, en juist toen de

Mahdi den stormloop voorbereidde, stegen de eerste raketten boven

Chartoem in bont kleurenspel ten hemel en de muziek speelde vroolijke

wijsjes, om de terneergeslagen gemoederen wat op te wekken.

Het vuurwerk was uitgebrand, de muziek zweeg en de verdedigers van

Chartoem sliepen. Maar de vijanden waren maar al te wakker! Zij kenden

de versterking, wisten precies waar ze sterk, en met geregelde troepen

bezet, en waar ze zwak en slechts door de stadsbewoners verdedigd was.

Tegen deze zwakke plaatsen der versterking, hoofdzakelijk aan den

Witten Nijl, richtte zich bij het eerste ochtendgrauwen de hoofdaanval.

De verdedigers vluchtten en toen de soldaten op de muren der vesting

staande de Mahdisten in hun rug de stad zagen binnendringen, verlieten

ook zij hun post, en gaven zich meestal vrijwillig en zonder strijd

over.

De Mahdisten beproefden voor alles de kerk en het paleis te bereiken,

omdat men daar schatten en in het laatste—voor alles, Gordon Pacha

hoopte te vinden. De dienaren van den generaal, die zich in de

benedenverdieping bevonden, werden neergesabeld. Hij zelf wachtte den

vijand af op de bovenste trede van de naar zijn vertrekken leidende

trap. Zonder zich te bekommeren om zijn groet, stiet hem de eerste

aanvaller, de treden opstormend, de lans in het lichaam. Gordon viel

met het gezicht naar voren zonder een geluid te geven op de trap, en

werd door zijn moordenaars tot aan den ingang van het paleis gesleept.

Hier werd zijn hoofd met een mes van den romp gescheiden, en naar den

Mahdi gezonden, die beval, dat men het aan Slatin zou toonen; de romp

werd prijs gegeven aan de fanatici en honderden van deze onmenschen

beproefden de spitsen hunner lansen en de scherpte van hun zwaarden aan

den gevallen held, die in enkele minuten een onherkenbare bloedige

massa geleek.

Nog langen tijd daarna waren de sporen van deze bloedige daad voor het

paleis zichtbaar en de zwarte bloedvlek op de trap van het paleis geeft

de plaats aan waar men Gordon heeft vermoord; ze werd pas verwijderd,

toen de opvolger van den Mahdi, de Kalief, het regeeringspaleis tot

woning voor zijn vrouwen liet inrichten.

Toen men den Mahdi het hoofd van generaal Gordon bracht, zei de

huichelaar, dat hij wenschte dat men hem levend in handen gekregen had,

want dat hij hem „na zijn bekeering” had willen uitleveren tegen

gevangen genomen derwischen. Wanneer het echter werkelijk zijn wensch

geweest was, Gordon’s leven te sparen, dan zou geen van zijn

volgelingen het gewaagd hebben om in strijd met zijn uitdrukkelijk

uitgesproken verlangen te handelen.

De gruwelen, door de derwischen in de veroverde stad bedreven, spotten

met elke beschrijving. Gedurende de eerste dagen, tijdens welke de

Mahdi Chartoem aan plundering prijsgaf, werden slechts slaven en

slavinnen, benevens de mooiste vrouwen en meisjes der vrije stammen

gespaard, alle anderen hadden het uitsluitend aan het toeval te danken

wanneer ze er levend afkwamen.

Tal van inwoners benamen zich vrijwillig het leven; een nog veel

grooter aantal werd door eigen slaven en vroegere vrienden vermoord, of

viel ten offer aan het zwaard der verraders, die voor de rooverbenden

als gids hadden gediend.

Met het verhaal van al de gruweldaden, die in de weerlooze stad

gepleegd werden, zouden, zooals Slatin Pacha zelf zegt, boekdeelen te

vullen zijn. Ook de overlevenden gingen een droevig lot tegemoet. Nadat

alle huizen bezet waren, begon men naar verborgen schatten te zoeken;

geen ontkennen, geen plechtige verzekeringen mochten baten; hij op wien

slechts de minste verdenking viel—en bij wien was dit niet het

geval?—iets van waarde verborgen te hebben, werd zoolang gemarteld,

totdat hij bekend had, of, indien hij werkelijk niets te bekennen had,

totdat hij onder de handen zijner pijnigers den laatsten adem uitblies.

En de Engelsch-Egyptische ontzettings-expeditie, waarvan de schepen

reeds in ’t zicht van Chartoem lagen? Met den val van Chartoem, en den

dood van Gordon, was haar taak afgeloopen, en bovendien waren er onder

de inlandsche bemanning der schepen zoovele verraders, dat de Engelsche

bemanning genoeg te doen had met er voor te zorgen, dat ze niet door de

brooddronken Mahdisten omsingeld werden, temeer daar ze in aantal lang

niet tegen deze benden opgewassen waren. Ze maakten daarom zoo snel

mogelijk rechtsomkeert, en lieten Soedan aan den Mahdi over, die nu

Omdoerman tot hoofdstad van zijn rijk verhief, dat van nu af niets meer

van de Egyptische regeering te duchten had.

Van pool tot pool(#76913) · 第 53 / 75 题