Drie jaren lang werkte Gordon aan den Boven-Nijl, in de nabijheid van
den aequator. Gedurende de volgende drie jaren vinden wij hem verder
noordelijk als stadhouder van het geheele Egyptische Soedan; Chartoem
is z’n hoofdstad. Zijn provincie is 2000 kilometer breed, vanaf de
Roode Zee tot aan de Sahara en haar uitgestrektheid naar het Noorden en
Zuiden is niet minder.
Het geheele land bevindt zich in opstand. De Khedive van Egypte heeft
met den koning van het christelijk Abessinië een ongelukkigen oorlog
gevoerd en de Mohammedaansche rijken: Kordofan en Darfoer in Westelijk
Soedan zijn tegen hem opgestaan. Juist in dit deel van de provincie van
Gordon doorkruisen half wilde Bedouïnen-stammen de woestijn, eenige van
de boosaardigste slavenhandelaars hebben daar hun holen.
In Mei 1877 beklimt Gordon zijn vluggen dromedaris voor een reis van
3300 kilometer. Hij zelf wil de dorpen en tentkampen der
slavenhandelaars in het ver verwijderd Darfoer opzoeken, ondanks het
warme jaargetijde. Troosteloos strekt zich naar alle kanten de woestijn
uit, grauwgeel, stoffig en droog. Als de zon de middaghoogte heeft
bereikt, verdwijnt de schaduw van den dromedaris bijna onder het dier.
De eene mijl na de andere jaagt de Witte Pacha over het woestijnzand op
zijn prachtig rijdier, dat in geheel Soedan beroemd is. Eenige
honderden Egyptische ruiters volgen hem, maar ze blijven ver achter,
alleen de gids is in staat hem bij te houden. Geheimzinnig en
onverwacht als de wind stuift hij verder, en houdt voor de poort eener
oase stil nog voordat de wacht zijn geweer kan presenteeren. En nadat
hij uit naam van den Khedive zijn bevelen heeft uitgedeeld, verdwijnt
hij even geheimzinnig; niemand weet waarheen. In een andere 500
kilometer verder liggende oase, heeft men bericht van zijn reis
ontvangen, en de hoofdman heeft wachten uitgezet, die de nadering van
den Witten Pacha moeten melden. Geel en zandig strekt zich in het rond
de door de zon doorgloeide woestijn uit, evenals de spiegel der zee;
mijlen ver moet men elken reiziger kunnen zien. Daar meldt de wacht
twee zwarte punten in het verschiet. Dat kunnen niet anders dan de
voorrijders van den pacha zijn, en het zal nog wel uren duren, voordat
hij zelf met zijn troepen aankomt. De beide punten worden grooter en
naderen snel; de lange pooten van den dromedaris glippen over den
woestijngrond, zij vliegen als op onzichtbare vleugelen. Daar zijn zij
reeds aan den rand van de oase, en de bewoners vertrouwen hun oogen
niet; de een der beide aangekomenen draagt de goudgeborduurde uniform
van den Egyptischen Pacha! Zonder vaandels en militaire muziek en al
den uiterlijken glans van z’n positie. Nooit had men in Soedan zoo een
stadhouder zien reizen.
Even raadselachtig gauw is hij ook weer verdwenen; in onveilige
plaatsen legt hij bezetting; in andere streken bezet hij de paden die
naar de bronnen leiden, om oproerige stammen tot onderwerping te
dwingen. Met ijzeren gestrengheid breekt hij de macht der opperhoofden,
die nog slavenhandel drijven. Hij bevrijdt een menigte zwarte slaven en
vormt hen tot soldaten, want hij heeft manschappen noodig; de
krijgslieden van zijn gevolg zijn slechts het schuim van Egypte en
Syrië. Met een handvol mannen volbrengt hij goed gerichte aanvallen
tegen de zwakste punten van den vijand en overwint steeds. In vier
maanden heeft hij het oproer onderdrukt en de heerschappij der
slavenhandelaars gebroken!
Het spoedig tot rust brengen van West-Soedan, was eveneens een
heldendaad en het is nauwelijks te begrijpen, hoe Gordon bijna
alleenstaand tegenover talrijke oproerige stammen, ze heeft volbracht.
Door zijn ontzaglijke snelheid en verrassende alomtegenwoordigheid,
deed hij de menschen gelooven, dat hij over heerscharen te beschikken
had, terwijl hem slechts eenige honderden mannen ten dienste stonden en
door zijn onwankelbare kalmte en zijn groot overwicht verlamde hij
elken aanslag.
Een karavaan met slaven trekt door de woestijn. In lange rijen komen de
zwarte mannen aanloopen, die tot den zwaren arbeid der lijfeigenschap
veroordeeld zijn en de jonge meisjes, die voor de harems van Egypte en
Turkije bestemd zijn, gedreven door hun Arabische meesters, als vee,
met zweepslagen aangezet en dikwijls in den dood gedreven. Gedurende de
warmste uren van den dag wordt aan de van honger en dorst
versmachtenden toegestaan uit te rusten, maar de woestijn biedt geen
schaduw en zoo liggen zij midden in de gloeiende middagzon halfdood van
uitputting. En dan suist de zweep weer op de naakte ruggen neer, en in
de avondkoelte worden zij verder naar het Oosten gedreven.
Daar nadert in een stofwolk de Witte Pacha. De tirannen vluchten als
kaf voor den wind, alle banden worden losgemaakt, alle honger gestild,
de mannen worden gewapend. Voor een troep slaven heeft het uur der
bevrijding geslagen!
Zoo zuiverde Gordon geheel westelijk Soedan. Ten laatste bleef alleen
nog Dara in Zuid-Darfoer over. Hier hadden zich de machtigste
slavenkoningen, tot weerstand, verzameld. Maar als de bliksem viel hij
op zekeren dag hun tentkamp binnen. Zij hadden hem gemakkelijk om het
leven kunnen brengen; met bovenmenschelijke kalmte ging hij alleen
tusschen hun tenten rond, en niemand waagde het hem aan te raken. Toen
zijn troepen aankwamen, liet hij de opperhoofden in zijn tent komen en
stelde hen daar zijn voorwaarden: het neerleggen der wapenen en
terugtrekken naar hun haardsteden. En de een na den ander gehoorzaamde
en ging stil zijns weegs.
Wie was deze buitengewone man, die zijn scepter over een land zwaaide,
dat grooter was dan alle koninkrijken van Europa te zamen; Arabieren,
Egyptenaren en negers, onderdrukkers en onderdrukten vreesden en
bewonderden hem evenzeer! Hij reed op zijn snelvoetigen dromedaris
sneller dan de roofzuchtige Bedouïn en haalde zelfs den struisvogel in
aan den rand van de Libysche woestijn! Geen gevaar schrikte hem af.
Rechtvaardigheid en bescherming van de zwakken, daarin bestond zijn
leven en hij verlangde geen loon. Een pacha, die zijn macht niet
gebruikt tot afpersingen—van zoo een had men nog nooit gehoord! De
herinnering aan Gordon zweeft nog heden als een lied en een sage over
de troostelooze woestijn!
Wat bereikte Gordon door zijn rustelooze jacht voor het geluk der
zwarten? De slavenhandel wortelde als een onkruid veel te diep in
Afrika’s aarde, om opeens uitgeroeid te kunnen worden. Ternauwernood
was Gordon naar Chartoem teruggekeerd, of de slavenhandelaars begonnen
hun schandelijk bedrijf opnieuw. En toch gaf hij de hoop niet op.
„Stuur mij een man,” zoo schreef hij in zijn dagboek, „die geld, roem
en onderscheidingen veracht, die geen hoop meer koestert zijn
geboorteland terug te zien, en tot God opziet als de bron van het goede
en den wreker van het kwade, een man met gezond lichaam en ijzeren
karakter, die den dood beschouwt als den bevrijder van alle ellende—ik
neem hem in mijn dienst. Indien gij zoo een niet vindt, laat mij dan
alleen! Ik heb genoeg aan mijzelf te dragen; ik heb geen bagage
noodig!”
Van uit zijn groot paleis te Chartoem regeerde Gordon zijn geweldige
provincie en richtte nieuwe slagen tegen den slavenhandel. Dikwijls lag
hij, als in September na de zomerwarmte de koortstijd begon, in hooge
koorts ijlend op zijn legerstede, of zwierf rusteloos door zijn eenzame
zalen, steeds nieuwe plannen smedend om de zwarten te redden. Voor hem
had het leven geen waarde, als hij het niet gebruiken kon om het lijden
van anderen te verminderen.
Bij de wisseling van het jaar gistte het weer aan alle kanten. De
provincie Bahr el-Ghasal, die uit haar binnenland den Witten Nijl
talrijke zijrivieren toezendt, was in opstand, en Abessinië dreigde met
oorlog. In Bahr el-Ghasal regeerde Ziber, een machtig Arabisch
opperhoofd; deze had de brandfakkel tegen Egypte ontstoken en nu
dreigde de beweging zich over geheel Darfoer uit te breiden. Het
opperhoofd kocht bij de negerstammen in het hartje van Afrika een
menigte slaven, om hen als soldaten tegen Egypte te gebruiken. De
negers zelf hebben altijd den slavenhandel vergemakkelijkt; als de
stammen onder elkaar met bogen, speren en schilden, vervaardigd van de
huid van nijlpaarden, oorlog voerden, dan aten zij hun verslagen
vijanden op en verkochten de gevangenen als slaven. Daarom viel het aan
het Arabisch opperhoofd gemakkelijk manschappen te krijgen. Maar
Gordon’s waakzaamheid verijdelde zijn plannen.
Ternauwernood was de rust weer hersteld, of Gordon ontving het bericht
dat Khedive Ismail Pacha afgezet was, en een nieuwe Khedive het lot van
Egypte bestuurde. Nu spoedde hij zich naar Kaïro en verzocht om zijn
ontslag. Maar de nieuwe Khedive kon hem niet missen, en drong bij hem
aan, dat hij bleef. Gordon liet zich overhalen en begaf zich nu, in
opdracht van den nieuwen Khedive, naar koning Johannes van Abessinië,
om te zien of de dreigende oorlog niet was af te wenden. Maar de koning
behandelde hem met minachting en stelde onaannemelijke voorwaarden.
Daarom keerde Gordon naar zijn hoofdstad Chartoem terug. Maar op het
oogenblik, dat hij de grenzen van Soedan had bereikt, werden hij en
zijn metgezellen door Abessinische ruiters gevangen genomen, die hem
dwongen Soedan te verlaten en door de met sneeuw bedekte bergen van
Abessinië den terugtocht naar de kusten van de Roode Zee te ondernemen.
Zoo keerde hij weer naar Kaïro terug. Nijd en afgunst begluurden elk
zijner schreden. Vele Europeanen haatten en vreesden hem ook. Want
Egypte moest immers tot wanhoop worden gedreven; maar Gordon steunde
den Khedive. In zijn eigen vaderland, Engeland, werd hij belasterd en
zijn particuliere correspondentie met den Khedive werd in de dagbladen
openbaar gemaakt. De een noemde hem krankzinnig, de ander een
gevaarlijk avonturier. En toch was Gordon een der grootste en edelste
mannen, die ooit heeft geleefd.
Spoedig daarop vinden wij hem in Bombay. Hier ontving hij een telegram
van den grooten staatsman Li-hung-tschang, die hem verzocht, dadelijk
naar Peking te komen. Rusland bedreigde China met den oorlog en China
dacht er nog aan, dat Gordon den Taiping-opstand had onderdrukt.
Werkelijk gelukte het hem weer door verstandigen raad, het krijgsgevaar
af te wenden, en hij leerde den Chineezen hoe zij hun verdediging
moesten inrichten.
Welk blad van Gordon’s levensgeschiedenis wij ook opslaan, ze schijnt
ons steeds een heldensage toe. Na zijn terugkeer uit China vertoefde
hij in Ierland, daarna in Engelschen dienst, op het eiland Mauritius in
het Oosten van Madagascar, en spoedig daarop in Zuid-Afrika. In het
einde van 1882 was hij weer in Engeland en een jaar daarna dwaalde hij
eenzaam en vergeten door de straten van Jeruzalem. Hij zocht alle
plaatsen op, waar de Heiland had geleefd en geleden, alsof hij zich
door dezen pelgrimstocht wilde voorbereiden op het laatste jaar van
zijn merkwaardig leven.