42. MET GORDON DEN NIJL OP.

Gordon had het stadhouderschap van de nieuwe provincie, niet ver van de

bronnen van den Nijl op zich genomen in de hoop den slavenhandel

eindelijk te kunnen uitroeien of althans eenigszins de jacht op zwarte

mannen en vrouwen te stuiten. Hij voer van Caïro over de Roode Zee naar

Soeakin, reed naar Berber aan den Nijl en werd daar door den generaal

gouverneur der provincie Chartoem met grooten luister ontvangen. Hier

vernam hij dat de Nijl nog 1500 kilometer verder zuidelijk bevaarbaar

was en hij dus zijn reis zonder oponthoud kon voortzetten.

De Nijl bood aan Gordon’s stoomboot den uitnemendsten weg. Maar

dezelfde rivier kan voor den reiziger ook een onoverwinnelijken

hinderpaal zijn. Want na den regentijd treedt ze buiten haar oevers en

vormt een onontwarbaar doolhof van zijarmen, meren en moerassen.

Tusschen ondoordringbare bosschen van riet en velden van

papyrusstruiken is de vrije waterweg dikwijls niet meer dan een nauwe

doortocht. De wortels der grootere planten maken zich los uit het slik

en pakken zich samen met stengels en aarde tot koeken, die dan door het

aandringende water naar het Noorden worden gedreven. In smalle

openingen of bij scherpe bochten blijven ze hangen en telkens worden

weer nieuwe van deze eilanden aangespoeld en botsen tegen ze aan. Zoo

stuwden zij het water der rivier op, en tusschen deze natuurlijke

dammen vormt het water meren. Zulke gezwellen van drijvende en

vastrakende, verrottende vegetatie noemt men „Sedd”, en hoe sterker de

regen is, des te grooter is deze stroomafwaarts gedreven slibmassa.

Eindelijk weeken de hardgeworden koeken weer, bezwijken voor den druk

van het water en dan is de Nijl weer bevaarbaar.

Langzaam gleed Gordon’s stoomboot stroomopwaarts en drong steeds dieper

in de tot nu toe onbekende wereld van het tropisch Afrika. Aan den

oever schommelden de waaiers der papyrusstruiken boven het riet. Uit

het merg van den papyrus bereidden de oude Egyptenaren een stof, het

papier, waarop zij hun kronieken neerschreven. Tusschen de struiken zag

de bemanning van de stoomboot de zwarte inboorlingen en zwervende

scharen luid schreeuwende apen. De nijlpaarden, op zwemmende eilanden

gelijkend, vertoonden zich slechts bij nacht, als zij het ondiepe water

opwoelden. Achter de weelderige vegetatie van de oevers strekten zich

eindelooze grassteppen uit, met hun groot aantal dieren, en hun

schaarsche bosschen.

Na vier dagen en vier nachten gleed de stoomboot het eiland Abba

voorbij. Hier woonde in zijn grot een bedelmonnik, de derwisch Mohammed

Ahmed, en deze eenvoudige man wierp zich later op tot beheerscher van

Soedan en zijn fanatieke scharen zouden tien jaar later Gordon’s

moordenaar worden!

Midden April bereikte Gordon Gondokoro, een kleine plaats, die

tegenwoordig op de grens van Soedan en Britsch-Oost-Afrika ligt. En nu

begon hij als stadhouder van de aequator-provincie zijn werkzaamheid.

De Egyptische soldaten die hier en in twee andere plaatsen aan den Nijl

in garnizoen lagen en op eigen hand een rooversleven leidden, voedde

hij op tot nuttigen arbeid met ploeg en spade, de slavenjagers die men

meester kon worden, werden gevangen genomen en de slaven bevrijd.

Overal stond Gordon de armen bij, beschermde de hulpeloozen en zond aan

de hongerenden durrha.

De hitte was ontzettend en misschien nog erger de wolken bloeddorstige

muggen, door welke Gordon en zijn metgezellen werden geplaagd. Maar

toen in September de regen begon te vallen en de geheele streek in een

moeras veranderde, werd hun toestand nog gevaarlijker, want uit deze

moerassen stegen moordende koortsdampen omhoog. Na een maand waren

reeds zeven van Gordon’s officieren aan de koorts overleden, maar hij

zelf werkte onverpoosd aan zijn taak. „Als God wil, zal ik in dit land

veel uitrichten”, schreef hij in zijn dagboek.

Spoedig zag hij, dat de beste streken van zijn provincie aan de groote

meren in het Zuiden lagen. Maar de provincie Aequatoria was te ver van

Egypte verwijderd; zij hing als aan een oneindig lang koord, den Nijl.

En van het Victoria-Niansa—het grootste meer—tot aan Caïro waren het in

rechte lijn 3500 kilometer. Des te korter was de weg naar Mombasa, aan

de Oostkust. Gordon raadde daarom den Khedive aan Mombasa te veroveren

en vandaar uit een weg naar het Victoria-Niansameer aan te leggen.

Daardoor zou de bestrijding van den slavenhandel aanmerkelijk veel

gemakkelijker zijn geweest. Met vurige woorden schilderde hij hem in

brieven den toestand in Soedan en deze brieven deden den Khedive de

oogen opengaan over dingen, waarover hij uit den mond zijner pacha’s

nooit de waarheid had vernomen.

Gordon wilde allereerst een stoombootdienst instellen naar de meren;

toen de Nijl begon te stijgen, kwamen de stoombooten aan. Nu ging het

verder naar het Zuiden. De inboorlingen sloegen deze expeditie echter

met haat gade en vreesden de Egyptische overheersching. Zij beproefden

het verder doordringen van den „Witten Pacha” te verhinderen, het was

Gordon zeer pijnlijk de wapenen tegen hen te moeten keeren. Zij

verlangden verder niets dan in hun woestijnen en bosschen met rust te

worden gelaten, en het doel van den indringer was hen onbegrijpelijk.

Gewelddaden stond Gordon echter aan zijn manschappen niet toe. Gestolen

vee moesten zij weer teruggeven en de dochter van een hoofd, die zij

gevangen genomen hadden, liet hij met kostbare stoffen en gewaden

tooien en onder ridderlijke bescherming weer naar huis brengen. In

tegenstelling van alle andere Europeanen kende hij noch haat noch

wreedheid; vandaar zijn merkwaardige macht over de wilden van Afrika,

precies zooals hij tien jaren vroeger over de Chineezen had gehad!

Na groote moeielijkheden bereikte hij eindelijk het noordelijkste der

Nijl-meren, het Albert-Niansameer. Het bereiken van dit doel was een

heldendaad. Maar tot aan het Victoria-Niansameer door te dringen

gelukte hem niet, want de beheerscher van het land tusschen de meren

duldde geen indringers noch blanke, noch Arabieren.

Van pool tot pool(#76913) · 第 48 / 75 题