Gordon had het stadhouderschap van de nieuwe provincie, niet ver van de
bronnen van den Nijl op zich genomen in de hoop den slavenhandel
eindelijk te kunnen uitroeien of althans eenigszins de jacht op zwarte
mannen en vrouwen te stuiten. Hij voer van Caïro over de Roode Zee naar
Soeakin, reed naar Berber aan den Nijl en werd daar door den generaal
gouverneur der provincie Chartoem met grooten luister ontvangen. Hier
vernam hij dat de Nijl nog 1500 kilometer verder zuidelijk bevaarbaar
was en hij dus zijn reis zonder oponthoud kon voortzetten.
De Nijl bood aan Gordon’s stoomboot den uitnemendsten weg. Maar
dezelfde rivier kan voor den reiziger ook een onoverwinnelijken
hinderpaal zijn. Want na den regentijd treedt ze buiten haar oevers en
vormt een onontwarbaar doolhof van zijarmen, meren en moerassen.
Tusschen ondoordringbare bosschen van riet en velden van
papyrusstruiken is de vrije waterweg dikwijls niet meer dan een nauwe
doortocht. De wortels der grootere planten maken zich los uit het slik
en pakken zich samen met stengels en aarde tot koeken, die dan door het
aandringende water naar het Noorden worden gedreven. In smalle
openingen of bij scherpe bochten blijven ze hangen en telkens worden
weer nieuwe van deze eilanden aangespoeld en botsen tegen ze aan. Zoo
stuwden zij het water der rivier op, en tusschen deze natuurlijke
dammen vormt het water meren. Zulke gezwellen van drijvende en
vastrakende, verrottende vegetatie noemt men „Sedd”, en hoe sterker de
regen is, des te grooter is deze stroomafwaarts gedreven slibmassa.
Eindelijk weeken de hardgeworden koeken weer, bezwijken voor den druk
van het water en dan is de Nijl weer bevaarbaar.
Langzaam gleed Gordon’s stoomboot stroomopwaarts en drong steeds dieper
in de tot nu toe onbekende wereld van het tropisch Afrika. Aan den
oever schommelden de waaiers der papyrusstruiken boven het riet. Uit
het merg van den papyrus bereidden de oude Egyptenaren een stof, het
papier, waarop zij hun kronieken neerschreven. Tusschen de struiken zag
de bemanning van de stoomboot de zwarte inboorlingen en zwervende
scharen luid schreeuwende apen. De nijlpaarden, op zwemmende eilanden
gelijkend, vertoonden zich slechts bij nacht, als zij het ondiepe water
opwoelden. Achter de weelderige vegetatie van de oevers strekten zich
eindelooze grassteppen uit, met hun groot aantal dieren, en hun
schaarsche bosschen.
Na vier dagen en vier nachten gleed de stoomboot het eiland Abba
voorbij. Hier woonde in zijn grot een bedelmonnik, de derwisch Mohammed
Ahmed, en deze eenvoudige man wierp zich later op tot beheerscher van
Soedan en zijn fanatieke scharen zouden tien jaar later Gordon’s
moordenaar worden!
Midden April bereikte Gordon Gondokoro, een kleine plaats, die
tegenwoordig op de grens van Soedan en Britsch-Oost-Afrika ligt. En nu
begon hij als stadhouder van de aequator-provincie zijn werkzaamheid.
De Egyptische soldaten die hier en in twee andere plaatsen aan den Nijl
in garnizoen lagen en op eigen hand een rooversleven leidden, voedde
hij op tot nuttigen arbeid met ploeg en spade, de slavenjagers die men
meester kon worden, werden gevangen genomen en de slaven bevrijd.
Overal stond Gordon de armen bij, beschermde de hulpeloozen en zond aan
de hongerenden durrha.
De hitte was ontzettend en misschien nog erger de wolken bloeddorstige
muggen, door welke Gordon en zijn metgezellen werden geplaagd. Maar
toen in September de regen begon te vallen en de geheele streek in een
moeras veranderde, werd hun toestand nog gevaarlijker, want uit deze
moerassen stegen moordende koortsdampen omhoog. Na een maand waren
reeds zeven van Gordon’s officieren aan de koorts overleden, maar hij
zelf werkte onverpoosd aan zijn taak. „Als God wil, zal ik in dit land
veel uitrichten”, schreef hij in zijn dagboek.
Spoedig zag hij, dat de beste streken van zijn provincie aan de groote
meren in het Zuiden lagen. Maar de provincie Aequatoria was te ver van
Egypte verwijderd; zij hing als aan een oneindig lang koord, den Nijl.
En van het Victoria-Niansa—het grootste meer—tot aan Caïro waren het in
rechte lijn 3500 kilometer. Des te korter was de weg naar Mombasa, aan
de Oostkust. Gordon raadde daarom den Khedive aan Mombasa te veroveren
en vandaar uit een weg naar het Victoria-Niansameer aan te leggen.
Daardoor zou de bestrijding van den slavenhandel aanmerkelijk veel
gemakkelijker zijn geweest. Met vurige woorden schilderde hij hem in
brieven den toestand in Soedan en deze brieven deden den Khedive de
oogen opengaan over dingen, waarover hij uit den mond zijner pacha’s
nooit de waarheid had vernomen.
Gordon wilde allereerst een stoombootdienst instellen naar de meren;
toen de Nijl begon te stijgen, kwamen de stoombooten aan. Nu ging het
verder naar het Zuiden. De inboorlingen sloegen deze expeditie echter
met haat gade en vreesden de Egyptische overheersching. Zij beproefden
het verder doordringen van den „Witten Pacha” te verhinderen, het was
Gordon zeer pijnlijk de wapenen tegen hen te moeten keeren. Zij
verlangden verder niets dan in hun woestijnen en bosschen met rust te
worden gelaten, en het doel van den indringer was hen onbegrijpelijk.
Gewelddaden stond Gordon echter aan zijn manschappen niet toe. Gestolen
vee moesten zij weer teruggeven en de dochter van een hoofd, die zij
gevangen genomen hadden, liet hij met kostbare stoffen en gewaden
tooien en onder ridderlijke bescherming weer naar huis brengen. In
tegenstelling van alle andere Europeanen kende hij noch haat noch
wreedheid; vandaar zijn merkwaardige macht over de wilden van Afrika,
precies zooals hij tien jaren vroeger over de Chineezen had gehad!
Na groote moeielijkheden bereikte hij eindelijk het noordelijkste der
Nijl-meren, het Albert-Niansameer. Het bereiken van dit doel was een
heldendaad. Maar tot aan het Victoria-Niansameer door te dringen
gelukte hem niet, want de beheerscher van het land tusschen de meren
duldde geen indringers noch blanke, noch Arabieren.