Een jaar voor den brand van Rome werd Pompeji door een geweldige
aardbeving geschokt, maar de bewoners vatten weer gauw moed en bouwden
hun stad weer schooner en prachtiger op. Zestien jaren gingen voorbij,
toen viel de meest vernietigende slag, die ooit een stad heeft
getroffen sedert Sodom en Gomorrha door vuur uit den hemel werden
verteerd.
Plinius de Oudere, die ons een onsterfelijk natuur-wetenschappelijk
werk heeft nagelaten, was destijds bevelhebber over de Romeinsche
vloot; ze lag in de bocht van Napels voor anker, terwijl hij zelf
vertoefde bij zijn zuster, op een plaats niet ver van Pompeji. Plinius
de Jongere, zijn neef, een jonge man van achttien jaren, was eveneens
bij zijn moeder te gast.
De 24ste Augustus van het jaar 79 brak aan. De Vesuvius had zich zoo
lang stil gehouden, maar nu kende zijn woede geen grenzen. In den loop
van enkele uren begroef hij Pompeji en nog twee andere steden,
Herculanum en Stabiae onder een regen van puimsteen en asch en onder
een stroom gloeiende lava en heete modder. Onder hen die er het leven
bij verloren behoorde ook Plinius de Oudere.
Verscheidene jaren later schreef de geschiedschrijver Tacitus aan
Plinius den Jongeren en verzocht hem eenig bericht te geven over den
dood van zijn oom. Deze geschriften zijn nog bewaard. Plinius
beschrijft hoe zijn oom beneden aan het strand door een regen van asch
en zwaveldampen stikt. Hij zelf had gezien hoe vurige vlammen uit den
krater opstegen en hoe de Vesuvius een zwarte wolk uitspuwde die zich
omhoog, als de kroon van een pijnboom vertakte. Hij was met zijn moeder
gevlucht in den voorhof van haar huis; maar toen de grond onder hun
voeten begon te wankelen en de lucht zich met asch vulde, snelden zij
met nog een menigte menschen weg. Zijn reeds bejaarde moeder smeekte
hem zich toch door een haastige vlucht te redden, maar hij wilde haar
niet alleen laten. „Dikke rookerige duisternis,” zoo luidt zijn
beschrijving, „welfde zich dreigend boven ons. Zij overstroomde de
aarde als een voortstormende rivier, en golfde achter ons aan. „Laat
ons terzijde afslaan,” zeide ik, „zoolang wij nog kunnen zien, opdat
wij onderweg niet vallen en in de duisternis, door hen, die ons volgen,
worden vertreden.” Ternauwernood waren wij gelukkig aan het gedrang
ontkomen, of diepe nacht omringde ons reeds, een nacht, niet alleen
zonder maan of bewolkt, maar zooals hij in dichtgesloten ruimten
heerscht, waar het licht is uitgebluscht.” Dan vertelt Plinius hoe de
vluchtenden kussens op hun hoofd bonden om niet verpletterd te worden
door neervallende steenen en hoe men onophoudelijk de asch van zich
moest afschudden om niet door den last daarvan op den grond te worden
gedrukt. Hij zelf bleef onder deze gebeurtenissen heel kalm, want hij
was er van overtuigd, dat de geheele wereld nu ten onder moest gaan.
Door deze uitbarsting van den Vesuvius werd Pompeji onder een dikke,
zes meter hooge laag puimsteen en asch begraven. Nog vele jaren later
gingen de bewoners van omliggende streken er heen om met spaden
allerhande uit te graven. Maar daarna daalde Pompeji in den nacht der
vergetelheid en sliep 1500 jaren onder de aarde. Maar na 1500 jaren
werd de stad weer ontdekt en men begon opnieuw te graven. Akkers,
moerbeiboschjes en landgoederen waren intusschen op het kleed van het
geweldige bed van asch opgegroeid. Maar pas vijftig jaar geleden begon
de navorsching van den nieuwen tijd met ernst de bedolven stad op te
graven, en nu heeft men het reeds voor meer dan de helft gedaan.
Tegenwoordig kan de vreemdeling ongehinderd door haar straten rijden,
de oude winkels en baden inzien en de prachtige muurschilderingen in de
paleizen der aanzienlijken bewonderen. De zuilen van den tempel van
Jupiter, die zoo lang in ondoordringbaren nacht begraven waren—werpen
nu weer, in de verblindende zon hun schaduw op dezelfde steenen zerken
van het Forum als te voren. De Weg der Graven is opengelegd en jonge
cypressen schieten omhoog tusschen de grafteekenen. De dooden, die voor
den tweeden keer begraven werden, toen de Vesuvius zijn asch over hen
uitspreidde, luisterden nu opnieuw naar de schreden van een jong
geslacht, buiten op de straat.
Maar de ongelukkigen, die levend onder den aschregen werden begraven,
zijn lang tot stof vergaan, en toch zijn er nog en in de musea kunnen
wij hen met verwrongen ledematen, het gelaat op den grond gedrukt, zien
liggen precies in de houding, die zij innamen, toen zij neervielen en
de asch hen bedekte. Want zoo bleven zij als in een gietvorm 1800 jaren
liggen! Hun stof werd weer aarde, maar de ontstane ledige ruimte bleef
bestaan, en als men gips in zulke holten giet, dan verkrijgt men een
levendig afbeeldsel van die menschen in het oogenblik van hun dood!
Hier ligt een vrouw, die voor haar huis is neergestort en krampachtig
een buidel van goud en zilver met beide handen omklemd houdt; ginds een
man, wiens hoofd zwaar op de ellebogen is neergevallen en daar een
hond, die zich ineen heeft gerold, voordat hij stikte. Zoo is de
slapende stad tot nieuw leven ontwaakt en de dooden zijn teruggekeerd
uit het rijk der schaduwen.
Onverbiddelijk heeft de spade alle geheimen van Pompeji onthuld; de
asch heeft alles getrouw bewaard, tot zelfs de vluchtige invallen, die
op de hoeken van huizen werden geschreven. Op een huis werd aangegeven,
dat het vanaf den eersten Juli te huur was: „Mogelijke huurders worden
verzocht zich tot den slaaf Primus te wenden.” Op een anderen hoek
raadt een grappenmaker een kennis aan: „Loop heen en hang je op!” Een
burger schrijft van zijn vriend: „Ik hoor tot mijn leedwezen, dat je
gestorven bent.—Vaarwel!” Een andere muur draagt de vriendelijke
aanmaning: „Hier is geen plaats voor luilakken, maak dat je wegkomt,
jij, deugniet!” Het merkwaardigst zijn echter de woorden Sodom en
Gomorrha, die stellig door een Jood tegen een huis werden ingekrast.
Zelfs de schrijfoefeningen der schooljongens zijn nog tegen een muur te
herkennen, pogingen in het Grieksche alphabet, hetgeen bewust dat de
Grieksche taal een deel van het onderwijs uitmaakte. Oudere jongens
hebben, precies als zij nu nog doen, verzen van voorname dichters
ingekrast, en eens vindt men, met houtskool geschreven en nog maar voor
de helft leesbaar: „Verheug u op het vuur, Christen!” Zoo bespotte men
de martelaars, die met teer overgoten in den tuin van Nero als fakkels
werden verbrand!
De kunstschatten, schilderijen en beeldhouwwerken, die men te Pompeji
heeft uitgegraven, hebben met den geheelen aanleg der stad, haar
bouwtrant en haar inschriften een licht over het leven der Oudheid
geworpen, dat men te voren nooit had vermoed. Maar nog een veel
rijkeren oogst voor de wetenschap verwacht men uit het bed van lava en
slib, dat Herculanum, de stad die naast Pompeji lag, bedekt. Maar op
dien bodem zijn intusschen twee steden verrezen, die eerst verwijderd
zouden moeten worden als ook Herculanum uit zijn eeuwigen slaap gewekt
zou worden.
Vaarwel, Pompeji en Napels!
Wij gaan in gedachten op een schip dat ons over de Golf van Napels
draagt. Rechts laten wij het verrukkelijke eiland Capri achter ons. Aan
de noordelijke zijde ervan kan men liggend in een platte roeiboot, of
zwemmend een rotsopening, die niet hooger is dan een meter, voorbij
gaan, die toegang geeft tot de Blauwe Grot. Zij werd in 1826 door twee
Duitsche schilders ontdekt. Daarbinnen strekt zich een stille,
kristalheldere watervlakte uit, meer dan vijftig meter den berg in en
het gewelf boven den waterspiegel is vijftien meter hoog. De eenige
verlichting van het inwendige der grot, is de reflectie der kleur van
den hemel en van de zee in de grot, van welker gewelf en wanden
druipsteenen als ijskegels neerhangen—alles blauw. Dompelt men een
roeispaan of de hand in het water dan glinstert zij, door de reflectie
van den witten zandbodem, zilverwit. Maar men kan het slechts bij kalm
weer wagen er in te varen, anders zou de boot tegen de rotsachtige
zoldering verpletteren. Slechts moedige bewoners van Capri wagen er
zich ook bij hooge zee in, met groote handigheid en vlugheid boegseeren
zij hun boot tusschen twee golfslagen in de grot.
Aan onze linkerhand verbergt een landtong de witte huizen en
olijftuinen van Sorrent, een kleine stad, die door groote dichters werd
bezongen. Daarna stevenen wij op de turkoois-blauwe watervlakte van de
Tyrrheensche zee verder. In het Zuiden duikt het rotseiland Stromboli
uit de golven op, met zijn vuurspuwenden op een vuurtoren gelijkenden
vulkaan. In de straat van Messina zijn wij tusschen de kusten van
Calabrië en Cicilië, die zoo vaak door ontzettende aardbevingen werden
verwoest. Maar nu gaat het naar buiten, in de groote, open
Middellandsche Zee. Achter ons verdwijnt Italië en daarmede Europa aan
den horizon, en wij schommelen naar het Oosten, naar het land der
pharao’s.