Weer eenige uren langs glinsterende rails en wij zijn te Napels. Ginds
in het Oosten broedt de kegel van den Vesuvius, als een vuurspuwende
draak over den zeeboezem, aan welks oever steden en dorpen en stralend
witte landhuizen, zoo dicht naast elkaar liggen, als de kralen van een
rozenkrans. Op de met lava geplaveide straten van Napels loopen wij
rond en kunnen ons niet verzadigen aan het gezicht van de prachtige,
bruine gezichten, de bonte, morsige kleederdrachten. Steeds weer zouden
wij de melodieuse liederen willen hooren, die ter eere van het
liefelijk Napels weerklinken. „Napels zien en dan sterven” is een
Italiaansch spreekwoord, het wil zeggen dat voor hem die Napels niet
zag, het leven geen waarde heeft!
Wij gaan het nationaal museum binnen en nu verdwijnen voor ons het
bonte leven daarbuiten op de straten, de blauwe Golf van Napels en de
krans van groenende tuinen. Hier overweldigt ons het verleden, dat in
een grootsche verzameling van kunstwerken, beelden en schilderijen uit
Pompeji ons tegemoet treedt.
In de zevende eeuw voor de geboorte van Christus, werd niet ver van de
kust, aan de Golf van Napels, aan den zuidelijken voet van den Vesuvius
de stad Pompeji gesticht. Ongeveer tachtig jaar voor onze tijdrekening
kwam ze onder Romeinsche heerschappij en gedurende de volgende honderd
vijftig jaren ontwikkelde zij zich in architectuur, taal en gewoonten
tot een echte Romeinsche stad. Een muur met torens omringde de huizen
en straten met haar 20.000 inwoners en bij het invallen van den nacht
werden de acht stadspoorten gesloten. Op het voornaamste plein, het
Forum, waar volksvergaderingen en feesten werden gehouden, verhief
zich, tusschen open hallen en zuilengangen en een reeks marmeren
beelden, de tempel van Jupiter.
Op het tweede plein stonden het theater en een oude Grieksche tempel.
Pompeji werd spoedig een lievelingsstad der aanzienlijke Romeinen, die
in het stadsgebied zelf van Pompeji of in de wonderschoone omgeving
ervan prachtige villa’s lieten bouwen. Een dezer villa’s, bij de
noord-westelijke stadspoort, behoorde aan den beroemden redenaar en
schrijver Cicero, die van tijd tot tijd in dezen, zijnen „Tusculum”,
ontspanning zocht van het geraas en het onrustige leven in Rome. Men
weet heel nauwkeurig dat hij zich hier het laatst ophield in het jaar
44 na Christus, kort na den moord van den grooten Julius Caesar.
Niet ver van de villa van Cicero liep noord-westelijk de „Weg der
Graven”, die evenals de Appische heirweg aan beide zijden door
grafmonumenten is begrensd, van de eenvoudigste gedenksteenen, tot de
kostbaarste altaren en tempels; zij bevatten alle de urnen met het
gebeente en de asch der dooden.
De straten waren recht en regelmatig aangelegd, eenige breed, vele heel
smal. Zij waren met lavazerken, geplaveid en verhoogde trottoirs liepen
langs de huizen. Langs eenige straten waren aan beide zijden winkels,
hier en daar was een rij steenen dwars over de straat gelegd, opdat de
voetgangers na hevige stortregens, die destijds evenals nu nog alle
wegen in kanalen en rivieren veranderden, droogvoets aan den anderen
kant konden komen.
Pompeji bezat vele baden, die prachtig en met de uiterste
geriefelijkheid waren ingericht. Uit steen opgetrokken, waren zij koel
en donker, en boden gedurende den warmen zomer een heerlijke
verkwikking. Men legde zijn kleeren in de nissen van de ontkleedhal, en
liep van het eene badkamertje naar het andere, om eerst een heet
luchtbad, dan een warm bad, en eindelijk een koud bad te nemen. De
muren van de kamer voor het koude bad waren met schilderijen versierd,
die schaduwrijke bosschages en donkere wouden voorstelden; de blauw
gewelfde zoldering was met gouden sterren bezaaid, en het zonlicht viel
slechts door een klein rond venster naar binnen; daardoor geleek het
bassin op een klein meer in een bosch, onder den vrijen hemel. Men liet
zich door de badknechten masseeren en met welriekende oliën inwrijven.
De huizen der welgestelde burgers waren met uitgezochten smaak, en
grooten kunstzin ingericht. Naar de straatzijde toe was niet veel meer
te zien dan kale, gelijkvormige muren, want de oude Romeinen wilden het
heiligdom van hun tehuis niet laten ontwijden door het geraas der
straat en de nieuwsgierigheid der voorbijgangers. Precies zoo is het
ook nu nog, zooal niet in Italië en Griekenland dan toch in het gansche
Aziatische Oosten. In het inwendige wordt daarentegen des te grooter
pracht tentoongesteld. Hier stonden beelden en busten, onder open
zuilengangen, geurende, weelderige bloembedden, en midden in de
voornaamste zaal, in het „atrium” was in den mozaïeken vloer een
marmeren bassin aangebracht. Door een vierkante opening in de zoldering
boven het bassin, keken zon en maan binnen, en de regen vermengde vaak
zijn droppels met de stralen van de steeds klaterende fontein.
Indien de heer des huizes een gastmaal gaf, dan droegen slaven tafels
aan, en terwijl ze op lange rustbedden lagen, gebruikten zij de
overdadige spijzen; dronken, schertsten en luisterden onderhand naar de
tonen der fluiten, citers en cimbalen en volgden met slaperige, door
het gebruik van wijn verduisterde oogen de bewegingen van danseressen.
Dat was een gelukkige tijd van ongestoorde rust voor Pompeji! Men
genoot van de gaven der wouden, der tuinen en van de zee, dreef handel,
vervulde zijn ambtsplichten en verzamelde zich voor beraadslagingen op
het Forum, op welks steenen zerken de marmeren zuilen koele schaduwen
wierpen. Wie dacht aan den nabijzijnden Vesuvius! Sedert duizenden
jaren was de vulkaan reeds uitgebluscht en op oeroude lavastroomen
stonden oeroude boomen en tegen de hellingen van den berg rijpten in de
zon de heerlijkste druiven, waaruit nog tegenwoordig een wijn wordt
geperst, die „de tranen van Christus” heet. De sage vertelt, dat de
Heiland eens op zijn omwandeling op aarde, den Vesuvius heeft
beklommen, en eerst is blijven staan in stomme bewondering over het
heerlijke landschap dat de Golf van Napels omgeeft. Daarna zou Hij,
door leed, over deze plaats der ijdelheid en der zonde bitter hebben
geschreid. En juist op de plaats waar zijn tranen op aarde
neerdruppelden, ontsproot een wijnrank, die haars gelijke niet had!