Niet ver van het Colosseum ligt het begin van een der oudste en
beroemdste wegen, die ooit door menschenvoeten betreden zijn, de
Appische weg. Hierlangs hielden keizers en legeraanvoerders hun
zegevierenden intocht in Rome; hierlangs werden ze na hun dood
uitgedragen om op brandstapels verbrand en in hun familiegraven
bijgezet te worden. Hierlangs schreden in duisteren nacht de
christenen, om de overblijfselen hunner, in de arena omgekomen,
geloofsgenooten aan het onderaardsche Rome toe te vertrouwen. Langs den
Appischen weg kwam ook Paulus Rome binnen, omstuwd door een schare
christenen, die hem, zooals men in het laatste hoofdstuk van het boek
der Handelingen lezen kan, tegemoet gegaan waren. Nog heden staat aan
de Via Appia een kleine kapel; ze is geheeten „Quo vadis?” („waarheen
gaat ge?”); aan deze kapel is de volgende sage verbonden:
Nadat de apostelen Petrus en Paulus negen maanden lang in den
Mamertijnschen kerker gevangen gezeten hadden, werd het doodvonnis over
hen beiden geveld. Als Romeinsch burger zou Paulus met het zwaard
worden terechtgesteld; Petrus echter werd tot den onteerenden kruisdood
veroordeeld.
Doch in den nacht, voorafgaande aan den dag waarop het vonnis
voltrokken zou worden, kwamen de gevangenbewaarders bij de gevangenen,
bevrijdden hen van hun boeien en fluisterden hun toe: „Vlucht, voor het
te laat is!” Paulus vluchtte niet, hij was bereid om voor zijn geloof
te sterven. Petrus echter kon, volgens de sage, de verzoeking niet
weerstaan. Het was een duistere nacht, de regen stroomde kletterend op
het marmeren plaveisel van het Forum neer, en de storm huilde door de
zuilengangen. Over de verlaten markt voortsnellend, bereikte hij een
der stadspoorten en ontvluchtte Rome langs de Via Appia. Wel sprak zijn
geweten, maar hij trachtte het tot zwijgen te brengen door te denken
aan al de bekeeringen, die hij zou volvoeren, indien hem nog eenige
jaren levens vergund werden.
De storm bedaarde en de lucht werd helder. Daar bespeurde Petrus voor
zich uit een lichtschijnsel, dat hem tegemoet kwam. Het licht was niet
geel, zooals van vuur, maar blauwachtig als het schijnsel van sterren,
en toen het nabij gekomen was, zag Petrus dat het licht van een
stralenkrans uitging, die het hoofd omgaf van een man, gehuld in een
lang wit gewaad.
Petrus gevoelde bij dezen aanblik een wondere ontroering. Toen de
onbekende twee schreden aan Petrus voorbij was, wendde hij zich om en
zag den apostel met denzelfden weemoedigen zachten blik aan, dien
Petrus zich zoo wel herinnerde van drie en dertig jaar geleden, in den
hof van den hoogepriester Kajafas. Hij wierp zich voor Jezus’ voeten,
en vroeg:
„Heer, waarheen gaat ge?”
En Jezus antwoordde: „Naar Rome, om nog eenmaal gekruisigd te worden!”
Toen boog Petrus het oude, moede hoofd ter aarde, en weende bitterlijk.
Toen hij zich weder ophief, was de Meester verdwenen, en de apostel
stond alleen op de Via Appia.
Opnieuw was de storm opgestoken, en zware wolken joegen over de
Campagna naar de Appenijnen. Zonder aarzeling, keerde Petrus om, en
snelde naar Rome terug. Onderweg ontmoette hij een vrijgelaten slaaf,
dien hij zelf gedoopt had.
„Heer, waarheen gaat ge?” vroeg de slaaf verbaasd. En Petrus
antwoordde: „Naar Rome om gekruisigd te worden!” Met vluggen tred ging
hij verder, ging weer over het Forum, en daalde in de Mamertijnsche
gevangenis af. Hier liet hij zich door den gevangenbewaarder de ketenen
weer aanleggen.
Den volgenden dag bracht men hem naar een heuvel waar het kruis reeds
opgericht was. Daar hij zichzelf evenwel voor onwaardig hield om in
dezelfde houding als zijn Heiland te sterven, vroeg hij den Romeinschen
krijgsknechten om de gunst om met het hoofd naar omlaag aan het kruis
genageld te mogen worden.
Langs de Via Appia gaat men ook wanneer men de onderaardsche catacomben
wil bezoeken.
Twee monniken met waskaarsen voeren ons een trap omlaag, en dan gaat
het door smalle gangen die een duister en vochtig labyrint onder de
aarde vormen. De meeste gangen zijn slechts een meter breed, het dak is
gewelfd, en in de wanden ziet men ontelbare nissen waar de christenen
hun ontslapene broeders en zusters bij zetten. Men legde het lijk in
een doek; kruiste de armen over de borst, wendde hun gezicht naar het
Oosten. De nissen werden afgesloten met een marmeren plaat, of met
eenige tichelsteenen, en dan zongen de rouwdragers, met fakkels in de
handen, geestelijke liederen.
Hoevele lijkstoeten zullen zich wel door deze gangen hebben
voortbewogen! Hier rustten de martelaren. Hier verzamelden zich de
christenen tot gemeenschappelijk gebed of beraadslagingen, en nog in de
vijfde eeuw vierden ze hier in den schoot der aarde feesten ter
herinnering aan hun martelaren.
Een steile, donkere trap brengt ons nog een verdieping lager. Vaak
liggen vier of vijf verdiepingen onder elkaar, waarvan de diepste meer
dan twintig meter beneden den grond ligt. Alle gangen tezamen vormen
een lengte van negenhonderd kilometer, en overal vindt men nissen in de
wanden; het onderaardsche Rome bevat meer dan drie millioen zulke
graven!
Het zou levensgevaarlijk wezen, zich hier zonder een gids te wagen. Men
zou doelloos ronddwalen, vergeefs een uitweg zoeken, nu eens rechtsom,
dan weer ter linkerzijde een zijgang inslaan. Wanneer de waskaars
opgebrand was, zou men al tastend den weg zoeken, telkens struikelend
zou men al verder en verder verdwalen. Niet het geringste geluid!
Alleen de echo zou op het hulpgeroep antwoorden. De waanzin zou als
verlosser komen en men zou het hoofd te pletter stooten tegen een der
grafsteenen in deze doodenstad!
In de musea, vooral in het Vatikaan, bevinden zich tal van marmeren
gedenkplaten uit dezen oud christelijken tijd. De inschriften zijn in
het Latijn of Grieksch geschreven, en bevatten vaak zinnebeeldige
voorstellingen waarbij de visch de Heiland, het olijvenblad de vrede,
een schip het menschenleven, de duif de ziel van den afgestorvene, het
anker de hoop op de opstanding, en de palmtak de zege der zaligen
beteekent.
Niets is treffender dan deze grafsteenen met hun korte, veelzeggende
afscheidswoorden. Voor de antieke marmeren beelden staat men in stomme
bewondering; hier echter, te midden der schatten van deze doodenstad,
hoort men de steenen spreken. Voor ongeveer tweeduizend jaren hebben de
levenden, vaak in onbeholpen schrift, hun geloof, hun liefde, hun
droefheid en hun hoop aan deze steenen toevertrouwd.
Maar wij moeten afscheid nemen van Rome. Er is echter een middel om
zich de terugkomst in de eeuwige stad te verzekeren.
Ik heb het zelf geprobeerd. Op een klein plein in Rome verheft zich
voor den voorgevel van een prachtig paleis de Fontana Trevi. De zeegod
staat op zijn wagen, een reusachtige schelp, die door twee zeepaarden
wordt getrokken. Door tritons geleid willen zij over den rand van de
nagemaakte rotsen springen, waarover het water in hel-groene golven en
witte stralen afstroomt, om beneden in een rond bassin saam te vloeien.
Als de laatste avond van uw verblijf te Rome is aangebroken, begeeft u
dan naar de Fontana Trevi. Hier werpt gij—voor de straatjongens—een
klein geldstuk in het bassin; laat uw hand volloopen onder een der
waterstralen en drinkt van het water van Rome—dan zal u de toovermacht
van den zeegod gevangen houden, en uw ziel zal geen rust vinden,
voordat gij nog eens uw schreden hebt gericht naar de Eeuwige Stad!