37. „BROOD EN SPELEN”.

„Brood en spelen” brulde het naar vermaak dorstende Romeinsche

gepeupel, en om bij het volk in de gunst te blijven, lieten de keizers

van het Romeinsche rijk prachtige theaters oprichten waarin van tijd

tot tijd op groote schaal volksfeesten gevierd werden. Zulk een theater

was het Circus Maximus dat aan 200.000 toeschouwers ruimte bood. Hier

werden wedrennen gehouden met vierspannen. Op den van goud flonkerenden

wagen stond met gebogen knieën de wagenrenner, de teugels in de handen.

Geheel Rome, Senatoren, patriciërs en plebejers waren daarbij

tegenwoordig, en temidden van zijn hofhouding en gunstelingen zat de

keizer in zijn loge. De wagenrenners droegen verschillende kleuren, en

bij het wedden op de een of andere kleur werden vermogens op het spel

gezet. Een trompetsignaal gaf het teeken tot vertrek, en in het witte

zand der arena joegen de voortrazende wagens dichte stofwolken op.

Zulk een theater was ook het circus van Nero. In den zomer van het jaar

64 n. Chr. ging Rome in vlammen op, en in een week tijds was de geheele

stad in de asch gelegd. De Campagna werd wijd en zijd door dezen

reusachtigen brand verlicht, en onschatbare kunstwerken gingen voor

altijd verloren. Nero echter, de grimmige beheerscher van het

Romeinsche rijk, genoot van dit gruwelijke schouwspel, en verheugde

zich over de woede der vlammen! Hij zette zich een krans op het hoofd

en terwijl hij zijn lier bespeelde, zong hij het lied van de

verwoesting van Troje.

Maar onder de burgers verspreidde zich het gerucht dat de keizer zelf

Rome zou hebben doen in brand steken, om ruimte te krijgen voor zijn

waanzinnige bouwplannen, en zijn nieuw paleis. Nero vreesde den haat

van het volk, en, om zich van deze verdenking te zuiveren, beschuldigde

hij de leden der jonge christengemeente van deze euveldaad; ze hadden

immers vaak in het openbaar de ongebonden leefwijze in de hoofdstad

vervloekt, en den ondergang van het Romeinsche rijk en de overwinning

der christelijke leer geprofeteerd. Wat lag meer voor de hand dan dat

zij de schuldigen waren? Nu zouden ze voor hun misdaad boeten. De

leiders der christenen, de apostelen Paulus en Petrus werden in ketenen

geslagen, en met andere geloovigen in de Mamertijnsche gevangenis

gebracht, een verpest onderaardsch gewelf tusschen het kapitool en het

Forum. Bij geheele troepen sleepte men de geloovigen uit hun huizen en

uit de plaatsen waar ze hun samenkomsten hielden, en dreef ze als

kudden in de onderaardsche holen die met den circus van Nero in

verbinding stonden. Hier moesten ze hun straf afwachten, en tevens zou

het verbasterde gepeupel van een nieuw schouwspel genieten.

In andere, met ijzeren tralies afgesloten, onderaardsche holen,

bewaarde men leeuwen, tijgers en andere roofdieren. Dagen achtereen

liet men de dieren honger lijden, en om hun bloeddorst nog meer te

prikkelen, moesten de circus-beambten bloedige stukken vleesch voor hun

hokken heen en weer bewegen. Rome sprak over niets anders dan over het

op handen zijnde schouwspel!

De groote dag brak aan. Voorname mannen en vrouwen kwamen in prachtige

draagstoelen, gekleed in purperen zijden gewaden; het krioelde van

krijgslieden en blanke wapenen, de lucht was doortrokken met den geur

van welriekende oliën en zalven. Men spreidde kussens en dekens over de

banken uit, en nam zijn plaats in. In de keizerloge verschenen Nero en

zijn hovelingen.

De trompetten schallen en terdood veroordeelde krijgsgevangenen

betreden de arena voor het gladiatorengevecht. Voor een deel dragen ze

helm en pantser, terwijl andere geheel ongekleed zijn. Net en een

drietand zijn de wapenen van dezen, terwijl genen voorzien zijn van

zwaard en schild. De tweekamp eindigt eerst met den dood van een der

beide partijen, tenzij een wenk van den keizer den overwonnene

begenadigt. Daarna komt een algemeen gevecht; maar, alvorens op elkaar

los te stormen, begeven de gladiatoren zich met statigen tred tot voor

Nero’s loge, en roepen: „Heil, U, Caesar, zij die sterven gaan, groeten

U!” Zoodra het bloedige spel teneinde is, worden de lijken weggesleept,

en versch zand in de arena rond gestrooid om de bloedsporen te

bedekken.

Wederom schallen de trompetten, luider dan voorheen. Een christenschare

wordt in de arena gedreven. Inplaats van in kleederen zijn ze in

dierenvellen gestoken. Slechts hun bleeke, rustige gelaatstrekken zijn

zichtbaar; opwaarts blikkend heffen ze een psalm aan, en hun gezang

klinkt trotsch en luide over het heidensche Rome.

Nieuwe trompetstooten—en de ijzeren zijdeuren worden geopend; een troep

wilde honden stort zich in de arena. In ’t eerst zijn ze schuw, maar

met steenworpen en wilde kreten worden ze aangehitst; ze naderen hun

prooi, trekken aan de dierenhuiden en besnuffelden het naakte vleesch.

Zoodra er een begint, volgen de anderen zijn voorbeeld, en stillen hun

honger. Geen der martelaren smeekt om genade, geen keurt Nero één blik

waardig. Eerst met den dood van den laatste verstomt het gezang.

Reeds worden nieuwe scharen binnengevoerd, en nu is het de beurt voor

de leeuwen om hun honger te stillen. Zoo gaat het bloedige feest voort.

Tijgers, panters, beren, wolven en jakhalzen worden op de christenen

losgelaten terwijl het gepeupel brult van dolle opwinding, en de lucht

van het bloed den geheelen circus vervult.

Wanneer het schouwspel voorbij en het theater ledig is, wagen zich

eenige christenen die zich nog in vrijheid bevinden in de arena om het

gebeente der dooden te verzamelen en ze te begraven in de grafplaatsen

buiten Rome.

Er staat nog een derde theater op zijn oorspronkelijke plaats, het

Colosseum, en dit bouwwerk is zoo goed bewaard gebleven, dat men zich

nog een duidelijk beeld van zijn oorspronkelijken toestand kan vormen.

Het is het mooiste en grootste bouwwerk uit de oudheid dat Rome bevat.

Dit theater, voltooid in het jaar tachtig van onze jaartelling, werd

onder de keizers Vespasianus en Titus gebouwd. De rijen banken, die

ruimte boden voor 85.000 toeschouwers waren in vier afdeelingen

verdeeld, waarvan de achterste en hoogste bestemd waren voor vrouwen en

vrijgelaten slaven. Als toegangskaarten deden stukjes elpenbeen dienst,

die de ligging der verschillende plaatsen zoo nauwkeurig aangaven, dat

ieder dadelijk in het reusachtige gebouw zijn weg kon vinden. De

zitplaatsen waren van marmer, en tal van marmeren beelden sierden de

muren van het theater.

Daar de spelen gewoonlijk overdag gegeven werden, had men over de arena

en de plaatsen der toeschouwers een reusachtigen zijden doek gespannen.

Wanneer het theater met publiek gevuld was, bood het een schouwspel van

overweldigende pracht. Op de beste plaatsen zaten de Senatoren in

purperomzoomde toga, de priesters der verschillende tempels, zwart

gesluierde Vestaalsche maagden, en krijgslieden in schitterende

wapenrusting. Daarachter kwamen de rijen der Romeinsche burgers in hun

witte of bonte toga, het hoofd onbedekt, baardeloos en met kort geknipt

haar; ze onderhielden zich met elkaar in een taal die even welluidend

was als het tegenwoordige Fransch en Italiaansch. De talrijke

vreemdelingen die Rome bezochten, waren aanwezig, gezanten uit alle

landen der wereld, staatslieden, kooplieden en reizigers uit Germanië

en Gallië, uit Syrië, Griekenland en Egypte.

Nog machtiger indruk krijgt men van dit bouwwerk wanneer met het niet

overdag, maar des avonds bij maanlicht, bezoekt. Het plein voor het

theater, waar eertijds de gladiatorenkazernen en de lijkenhuizen

stonden, is nu leeg en verlaten, en de duistere nacht breidt zich uit

over de ruïnen; maar wanneer men de geweldige arena binnentreedt,

beschijnt het maanlicht de hooge, grauwe muren en de verweerde banken.

Hier en daar gapen donkere holen, ’t zijn de toegangen tot de

onderaardsche gewelven waar de christenen en de wilde dieren opgesloten

werden. Want ook in dit theater is de bodem letterlijk met bloed

gedrenkt.

Geen geluid van de stad, die ter ruste gegaan is, dringt tot ons door.

En toch meen ik reeds lang weggestorven stemmen te hooren. Ik hoor het

vreugdegehuil van het gepeupel, dat het bloed van de christenen ziet

vloeien; ik hoor den strijdkreet der gladiatoren, het gekletter van hun

wapenen wanneer zij elkaar op leven en dood bevechten; uit de

onderaardsche gewelven stijgt een dof, hongerig gebrul dat de aarde

doet beven, en boven dit alles uit stijgt helder en plechtig het

overwinningslied der martelaren ten hemel!

Een circus, of een theater van den tegenwoordigen tijd,—dat is slechts

speelgoed, in vergelijking met het Colosseum. De oude Romeinen waren

meesters in het uitvinden van zulke schouwspelen, die naar den smaak

van de massa waren. Geheele wouden werden tevoorschijn getooverd,

waarin de gladiatoren op leeuwen en tijgers jacht maakten. In korten

tijd kon het geheele tooneel onder water gezet worden, en op dit

kunstmatige meer werden bloedige zeeslagen geleverd, totdat het water

rood gekleurd was van bloed. Door vernuftige kanalen liep de arena dan

in een oogwenk weer leeg, de lijken werden door slaven weggesleept, en

het theater werd ingericht voor een nachtelijk feest. Dan werd de arena

door fakkels verlicht, en nieuwe scharen gevangen christenen werden

gekruisigd of voor de wilde dieren geworpen. Toen de Romeinsche keizer

Philippus Arabs in 248 het duizendjarig bestaan van Rome vierde, traden

twee en dertig olifanten, een groote menigte wilde dieren en

tweeduizend gladiatoren in het Colosseum op.

Van pool tot pool(#76913) · 第 43 / 75 题