„Brood en spelen” brulde het naar vermaak dorstende Romeinsche
gepeupel, en om bij het volk in de gunst te blijven, lieten de keizers
van het Romeinsche rijk prachtige theaters oprichten waarin van tijd
tot tijd op groote schaal volksfeesten gevierd werden. Zulk een theater
was het Circus Maximus dat aan 200.000 toeschouwers ruimte bood. Hier
werden wedrennen gehouden met vierspannen. Op den van goud flonkerenden
wagen stond met gebogen knieën de wagenrenner, de teugels in de handen.
Geheel Rome, Senatoren, patriciërs en plebejers waren daarbij
tegenwoordig, en temidden van zijn hofhouding en gunstelingen zat de
keizer in zijn loge. De wagenrenners droegen verschillende kleuren, en
bij het wedden op de een of andere kleur werden vermogens op het spel
gezet. Een trompetsignaal gaf het teeken tot vertrek, en in het witte
zand der arena joegen de voortrazende wagens dichte stofwolken op.
Zulk een theater was ook het circus van Nero. In den zomer van het jaar
64 n. Chr. ging Rome in vlammen op, en in een week tijds was de geheele
stad in de asch gelegd. De Campagna werd wijd en zijd door dezen
reusachtigen brand verlicht, en onschatbare kunstwerken gingen voor
altijd verloren. Nero echter, de grimmige beheerscher van het
Romeinsche rijk, genoot van dit gruwelijke schouwspel, en verheugde
zich over de woede der vlammen! Hij zette zich een krans op het hoofd
en terwijl hij zijn lier bespeelde, zong hij het lied van de
verwoesting van Troje.
Maar onder de burgers verspreidde zich het gerucht dat de keizer zelf
Rome zou hebben doen in brand steken, om ruimte te krijgen voor zijn
waanzinnige bouwplannen, en zijn nieuw paleis. Nero vreesde den haat
van het volk, en, om zich van deze verdenking te zuiveren, beschuldigde
hij de leden der jonge christengemeente van deze euveldaad; ze hadden
immers vaak in het openbaar de ongebonden leefwijze in de hoofdstad
vervloekt, en den ondergang van het Romeinsche rijk en de overwinning
der christelijke leer geprofeteerd. Wat lag meer voor de hand dan dat
zij de schuldigen waren? Nu zouden ze voor hun misdaad boeten. De
leiders der christenen, de apostelen Paulus en Petrus werden in ketenen
geslagen, en met andere geloovigen in de Mamertijnsche gevangenis
gebracht, een verpest onderaardsch gewelf tusschen het kapitool en het
Forum. Bij geheele troepen sleepte men de geloovigen uit hun huizen en
uit de plaatsen waar ze hun samenkomsten hielden, en dreef ze als
kudden in de onderaardsche holen die met den circus van Nero in
verbinding stonden. Hier moesten ze hun straf afwachten, en tevens zou
het verbasterde gepeupel van een nieuw schouwspel genieten.
In andere, met ijzeren tralies afgesloten, onderaardsche holen,
bewaarde men leeuwen, tijgers en andere roofdieren. Dagen achtereen
liet men de dieren honger lijden, en om hun bloeddorst nog meer te
prikkelen, moesten de circus-beambten bloedige stukken vleesch voor hun
hokken heen en weer bewegen. Rome sprak over niets anders dan over het
op handen zijnde schouwspel!
De groote dag brak aan. Voorname mannen en vrouwen kwamen in prachtige
draagstoelen, gekleed in purperen zijden gewaden; het krioelde van
krijgslieden en blanke wapenen, de lucht was doortrokken met den geur
van welriekende oliën en zalven. Men spreidde kussens en dekens over de
banken uit, en nam zijn plaats in. In de keizerloge verschenen Nero en
zijn hovelingen.
De trompetten schallen en terdood veroordeelde krijgsgevangenen
betreden de arena voor het gladiatorengevecht. Voor een deel dragen ze
helm en pantser, terwijl andere geheel ongekleed zijn. Net en een
drietand zijn de wapenen van dezen, terwijl genen voorzien zijn van
zwaard en schild. De tweekamp eindigt eerst met den dood van een der
beide partijen, tenzij een wenk van den keizer den overwonnene
begenadigt. Daarna komt een algemeen gevecht; maar, alvorens op elkaar
los te stormen, begeven de gladiatoren zich met statigen tred tot voor
Nero’s loge, en roepen: „Heil, U, Caesar, zij die sterven gaan, groeten
U!” Zoodra het bloedige spel teneinde is, worden de lijken weggesleept,
en versch zand in de arena rond gestrooid om de bloedsporen te
bedekken.
Wederom schallen de trompetten, luider dan voorheen. Een christenschare
wordt in de arena gedreven. Inplaats van in kleederen zijn ze in
dierenvellen gestoken. Slechts hun bleeke, rustige gelaatstrekken zijn
zichtbaar; opwaarts blikkend heffen ze een psalm aan, en hun gezang
klinkt trotsch en luide over het heidensche Rome.
Nieuwe trompetstooten—en de ijzeren zijdeuren worden geopend; een troep
wilde honden stort zich in de arena. In ’t eerst zijn ze schuw, maar
met steenworpen en wilde kreten worden ze aangehitst; ze naderen hun
prooi, trekken aan de dierenhuiden en besnuffelden het naakte vleesch.
Zoodra er een begint, volgen de anderen zijn voorbeeld, en stillen hun
honger. Geen der martelaren smeekt om genade, geen keurt Nero één blik
waardig. Eerst met den dood van den laatste verstomt het gezang.
Reeds worden nieuwe scharen binnengevoerd, en nu is het de beurt voor
de leeuwen om hun honger te stillen. Zoo gaat het bloedige feest voort.
Tijgers, panters, beren, wolven en jakhalzen worden op de christenen
losgelaten terwijl het gepeupel brult van dolle opwinding, en de lucht
van het bloed den geheelen circus vervult.
Wanneer het schouwspel voorbij en het theater ledig is, wagen zich
eenige christenen die zich nog in vrijheid bevinden in de arena om het
gebeente der dooden te verzamelen en ze te begraven in de grafplaatsen
buiten Rome.
Er staat nog een derde theater op zijn oorspronkelijke plaats, het
Colosseum, en dit bouwwerk is zoo goed bewaard gebleven, dat men zich
nog een duidelijk beeld van zijn oorspronkelijken toestand kan vormen.
Het is het mooiste en grootste bouwwerk uit de oudheid dat Rome bevat.
Dit theater, voltooid in het jaar tachtig van onze jaartelling, werd
onder de keizers Vespasianus en Titus gebouwd. De rijen banken, die
ruimte boden voor 85.000 toeschouwers waren in vier afdeelingen
verdeeld, waarvan de achterste en hoogste bestemd waren voor vrouwen en
vrijgelaten slaven. Als toegangskaarten deden stukjes elpenbeen dienst,
die de ligging der verschillende plaatsen zoo nauwkeurig aangaven, dat
ieder dadelijk in het reusachtige gebouw zijn weg kon vinden. De
zitplaatsen waren van marmer, en tal van marmeren beelden sierden de
muren van het theater.
Daar de spelen gewoonlijk overdag gegeven werden, had men over de arena
en de plaatsen der toeschouwers een reusachtigen zijden doek gespannen.
Wanneer het theater met publiek gevuld was, bood het een schouwspel van
overweldigende pracht. Op de beste plaatsen zaten de Senatoren in
purperomzoomde toga, de priesters der verschillende tempels, zwart
gesluierde Vestaalsche maagden, en krijgslieden in schitterende
wapenrusting. Daarachter kwamen de rijen der Romeinsche burgers in hun
witte of bonte toga, het hoofd onbedekt, baardeloos en met kort geknipt
haar; ze onderhielden zich met elkaar in een taal die even welluidend
was als het tegenwoordige Fransch en Italiaansch. De talrijke
vreemdelingen die Rome bezochten, waren aanwezig, gezanten uit alle
landen der wereld, staatslieden, kooplieden en reizigers uit Germanië
en Gallië, uit Syrië, Griekenland en Egypte.
Nog machtiger indruk krijgt men van dit bouwwerk wanneer met het niet
overdag, maar des avonds bij maanlicht, bezoekt. Het plein voor het
theater, waar eertijds de gladiatorenkazernen en de lijkenhuizen
stonden, is nu leeg en verlaten, en de duistere nacht breidt zich uit
over de ruïnen; maar wanneer men de geweldige arena binnentreedt,
beschijnt het maanlicht de hooge, grauwe muren en de verweerde banken.
Hier en daar gapen donkere holen, ’t zijn de toegangen tot de
onderaardsche gewelven waar de christenen en de wilde dieren opgesloten
werden. Want ook in dit theater is de bodem letterlijk met bloed
gedrenkt.
Geen geluid van de stad, die ter ruste gegaan is, dringt tot ons door.
En toch meen ik reeds lang weggestorven stemmen te hooren. Ik hoor het
vreugdegehuil van het gepeupel, dat het bloed van de christenen ziet
vloeien; ik hoor den strijdkreet der gladiatoren, het gekletter van hun
wapenen wanneer zij elkaar op leven en dood bevechten; uit de
onderaardsche gewelven stijgt een dof, hongerig gebrul dat de aarde
doet beven, en boven dit alles uit stijgt helder en plechtig het
overwinningslied der martelaren ten hemel!
Een circus, of een theater van den tegenwoordigen tijd,—dat is slechts
speelgoed, in vergelijking met het Colosseum. De oude Romeinen waren
meesters in het uitvinden van zulke schouwspelen, die naar den smaak
van de massa waren. Geheele wouden werden tevoorschijn getooverd,
waarin de gladiatoren op leeuwen en tijgers jacht maakten. In korten
tijd kon het geheele tooneel onder water gezet worden, en op dit
kunstmatige meer werden bloedige zeeslagen geleverd, totdat het water
rood gekleurd was van bloed. Door vernuftige kanalen liep de arena dan
in een oogwenk weer leeg, de lijken werden door slaven weggesleept, en
het theater werd ingericht voor een nachtelijk feest. Dan werd de arena
door fakkels verlicht, en nieuwe scharen gevangen christenen werden
gekruisigd of voor de wilde dieren geworpen. Toen de Romeinsche keizer
Philippus Arabs in 248 het duizendjarig bestaan van Rome vierde, traden
twee en dertig olifanten, een groote menigte wilde dieren en
tweeduizend gladiatoren in het Colosseum op.