Italië’s koning heerscht over 35 millioen onderdanen. Zijn hoofdstad
Rome is echter ook de zetel van een ander machtig vorst, wiens rijk
niet van deze wereld is. Zijn troon is de stoel van den heiligen
Petrus, zijn wapens zijn de drievoudige kroon, de Tiara, en de
gekruiste sleutels die de poort van het hemelrijk openen en sluiten.
Aan hem zijn de 270 millioen Katholieken over de geheele wereld
onderworpen! Hij is een vrijwillige gevangene in het Vatikaan, een
groep van hooge paleizen, dat wel tienduizend zalen en vertrekken
omvat. Hier zijn musea, bibliotheken en handschriftenverzamelingen van
onschatbare waarde bijeengebracht, alleen de beeldengalerij van het
Vatikaan is de rijkste der wereld. De Sixtijnsche kapel is door Michel
Angelo met reusachtige schilderstukken versierd; de prachtige
plafondschildering stelt de schepping, de zondeval en de zondvloed
voor; een muurschildering toont ons het jongste gericht.
Aan de westzijde van het Vatikaan liggen de tuinen van den paus, en
zuidelijk daarvan verheft zich de St. Pieterskerk, het geweldigste
bedehuis der christenheid.
Het Vatikaan, met alles wat er bij behoort, vormt een stad op zichzelf,
en wel de machtigste stad op de geheele wereld, een zetel van kunst en
geleerdheid, en bovenal, is het ’t brandpunt van een machtig
kerkgenootschap. Van hieruit slingert de Paus zijn banbliksem over
ketters en zondaren, en van hieruit bewaakt hij de geloovigen van zijn
werk volgens het driemaal herhaalde woord van den Heiland tot Petrus:
„Weidt mijne lammeren!”
Toen den 20sten Juli 1903, de vorige Paus, Leo XIII stierf, kwamen de
kardinalen bijeen om zijn opvolger te kiezen. Onder deze bevond zich
ook de bejaarde patriarch van Venetië, kardinaal Giuseppe Sarto. Toen
deze zijn geliefd Venetië verliet, om voor de Pauskeuze naar Rome te
reizen, nam hij aan het station een retourkaartje! Maar, daar hij het
was, die tot Paus gekozen werd, zal hij zijn Venetië, en het landhuis
waar hij als kind gespeeld heeft, nimmer weer zien; want als heerscher
in het Vatikaan, heeft hij van zijn vrijheid afstand moeten doen.
Op zekeren Februaridag van het jaar 1910 bevond ik me op weg naar het
Vatikaan. Een vriend uit Italië vergezelde me. We reden over de
Engelen-brug, en voor ons verhief zich de statige Engelen-burcht, door
keizer Hadrianus 1800 jaar geleden opgericht als zijn eigen
grafmonument. Na links afgeslagen te zijn, kwamen we aan het St.
Pietersplein, dat, begrensd door St. Pieterskerk, Vatikaan en
zuilengangen, een der indrukwekkendste pleinen ter wereld is. Tusschen
de ruischende fonteinen, staat een obelisk, op bevel van keizer
Caligula uit Egypte hierheen gebracht. Reeds lang vóór den tijd van
Mozes zag deze obelisk neer op Egypte’s woestijn. Aan zijn voeten
hebben de kinderen Israël’s in hun gevangenschap hun liederen gezongen.
Ten tijde van Nero, zag hij duizenden Christenen den marteldood
sterven. Nog heden verheft hij zich, vijf en twintig meter hoog,
bestaande uit een enkel stuk steen, ongedeerd door den tijd en
onaangetast door menschenhanden. Aan de noordzijde van het plein
bevindt zich de poort van het Vatikaan. Hier houdt de Zwitsersche Garde
in middeleeuwsche uniform, de wacht. In prachtige, met roode zijde
behangen vertrekken wachten talrijke pelgrims, monniken en prelaten het
oogenblik af, waarop ze tot Zijne Heiligheid zouden worden toegelaten.
Een voornaam priester, gekleed in violet gewaad, ging ons voor, om ons
aan te dienen, en door de geopende deur zag ik, hoe hij nederknielde
terwijl hij met den Paus sprak.
Spoedig was het mijn beurt om toegelaten te worden. In een ruim, rood
behangen vertrek zat Pius X aan zijn schrijftafel. Bij mijn binnenkomst
stond hij op, en reikte mij zijn fijngevormde doch krachtige hand.
Daarop namen wij plaats. De Paus leunde met de ellebogen op de
schrijftafel, en hield het hoofd op de handen gesteund; hij begon over
Tibet te spreken. Hij vroeg of de zending in dat land eenige kans op
succes had. Ik moest antwoorden dat Tibet tegenwoordig voor alle
Europeanen gesloten is, maar dat vroeger Italiaansche monniken er als
zendelingen werkzaam geweest waren. Toen ik onder anderen Odorico uit
Pordenone noemde, die in de 14de eeuw Tibet bereisd had, luisterde de
Paus vol belangstelling; want die naam was hem goed bekend, immers
Pordenone is een dorp uit zijn eigen geboortestreek!
Pius X geeft den indruk van grooten christelijken deemoed, van
eenvoudige, vriendelijke zachtmoedigheid, en zijn stem klinkt week en
ernstig. Ook zijn uiterlijk komt, door de witte kleeding die tegen het
roode behangsel van het vertrek afsteekt, uitstekend tot zijn recht.
Hij droeg een langen dichtgeknoopten priesterrok met een breeden gordel
en een schouderkraag, en op het witte haar droeg hij een wit kapje. Om
zijn hals fonkelde een gouden ketting met een groot kruis.
Tusschen het Vatikaan en de St. Pieterskerk liggen slechts enkele
schreden. We betreden het prachtige voorportaal en komen door een der
vijf gewelfde bronzen deuren in de kerk zelf. Eerbied en bewondering
overweldigen ons, zoo indrukwekkend zijn hier alle afmetingen! Nu eens
verlustigt zich onze blik in de bonte, hemelhooge gewelven, dan weer in
de eindelooze zuilenrijen, nu eens worden we geboeid door een
mozaiekwerk, dan weer door een grafteeken. Hoe lang zou men hier niet
moeten ronddwalen om aan al deze heerlijkheid eenigszins recht te doen
wedervaren! Rome is niet in één dag gebouwd, luidt het spreekwoord.
Voor het bouwen van de St. Pieterskerk waren alleen al honderd en
twintig jaren noodig, gedurende welken tijd twintig Pausen elkaar
opvolgden! Italië’s grootste meesters waaronder Rafaël en Michel Angelo
hebben het beste van hun scheppingen gewijd aan dezen tempelbouw, die
het graf van den apostel Petrus omsluit. De kosten bedroegen twee
honderd en vijftig millioen.