Rome is onuitputtelijk. Het groeit onder de voeten van den bezoeker. In
2600 jaren zijn steeds nieuwe bouwwerken boven de ruïnen van een
vroegeren tijd verrezen. Van wat in de diepste lagen verborgen ligt,
het Rome uit den tijd der koningen, heeft men nog nauwelijks eenig
vermoeden. Daarop volgde het Rome der republiek, en vervolgens het Rome
van den keizertijd, de wereldstad, toen vanuit het Palatinum de
Caesaren hun scepter zwaaiden over de geheele, toenmaals bekende
wereld; van het nevelachtige Brittannië, en de duistere wouden van
Germanië, tot aan de gloeiende zandvlakten van Afrika, van de bergen
van Spanje, tot aan Galilea, het land der Joden. Talrijke
overblijfselen uit deze tijden van Rome’s wereldheerschappij zijn nog
heden temidden van het moderne straatgewoel overgebleven. Monsters op
den troon der Caesaren hebben de stad verwoest, teneinde de herinnering
aan hun voorgangers uit te wisschen, en slechts hun eigen roem aan het
nageslacht over te leveren. Vandalen, Gothen en andere barbaren hebben
Rome geplunderd. „Rome is niet op één dag gebouwd”—maar ook hebben
tweeduizend jaren Rome’s heerlijkheid niet kunnen vernietigen!
Op het Rome van den keizertijd volgen nieuwe lagen, de christelijke
tijd, de middeleeuwen en de nieuwere tijd met hun tallooze kerken,
kloosters, musea, en machtige paleizen. Het christendom bouwde op de
bouwvallen van het heidendom, het verleden en het heden gaan onmerkbaar
in elkaar over. Op het Kapitool staat de Romeinsche keizer Marcus
Aurelius, en op den anderen Tiber-oever staart Garibaldi, de
vrijheidsheld van het jonge Italië over de eeuwige stad heen. Men rijdt
door een moderne straat met prachtige winkels, en in weinige minuten
staat men op het Forum Romanum, het Romeinsche marktplein, het hart van
het oud-Romeinsche rijk, het tooneel van volksverzamelingen,
gerechtszittingen en handelszaken. Het Forum geleek op een marmeren
zaal in de open lucht, waardoor de triumfators omstuwd van
wapenbroeders en gevangenen zich naar het Kapitool begaven, om daar hun
offer te brengen aan Jupiter. Heden zijn nog eenige zuilen en
bouwvallen overgebleven van al de pracht waarmede Julius Caesar en
keizer Augustus het plein versierden. Zoo juist dwaalde men nog als een
vroom pelgrim door de St. Pieterskerk rond, en reeds bevindt men zich
onder den triomfboog van Titus, die opgericht werd ter herinnering aan
de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 n. Chr.!
Zoo dwaalt men in Rome rond, tusschen gedenkzuilen en triomfbogen,
tusschen tempel en theater, en vergeet bijna dat bijkans tweeduizend
jaren verloopen zijn, sedert de stemmen van krijgers, priesters en
tooneelspelers onder al deze geweldige bogen, voor het laatst
weerklonken. Op de trappen die naar het Kapitool voeren, wordt men
herinnerd aan de stichting van Rome; in een door een ijzeren hekwerk
omsloten grot loopen twee wolven heen en weer, vruchteloos een uitweg
zoekend; en boven op den heuvel zien we het bronzen beeld der wolvin
die Romulus en Remus zoogde. Volgens de sage werden beide knapen aan
den oever van den Tiber te vondeling gelegd, maar door de wolvin
gevonden en in het leven gehouden. Romulus grondvestte 750 jaar voor
het begin onzer jaartelling de eeuwige stad, en werd Rome’s eerste
koning.
Tal van gangen en gewelven bedekken den Palatijnschen heuvel, het zijn
de overblijfselen der paleizen van de Romeinsche keizers. Op de
hellingen groeien sinaasappelen tusschen de varens en klimopranken, en
door de oude pijnboomen en cypressen ruischt een wegstervende echo uit
lang vervlogen tijden.