Wel moeten de verwachtingen hooggespannen zijn van hem, die van Venetië
zijn eerste indrukken van Italië ontving, toen hij door de poorten der
Lagunenstad zijn intrede in dit land deed. Wij echter komen op onze
reis, van Zwitserland’s hemelhooge bergen in een heerlijk dal aan de
oevers van het Lago Maggiore. Door steile bergen omringd, bevat dit
donkerblauwe meer een groep kleine eilandjes, bezet met witte huizen,
fraaie paleizen en groene parken. Een dezer eilandjes draagt den
beroemden naam „Isola Bella”, het „mooie eiland”.
Dan snelt de spoortrein de Lombardische vlakte in, die het grootste
deel van Noord-Italië omvat, en waardoor de Po heenstroomt, alvorens in
de Adriatische Zee uit te monden.
De eerste groote stad, die nog geen bepaald Italiaansch karakter
draagt, is Milaan. De straten zijn breed en goed geplaveid, de huizen
modern gebouwd; men zou kunnen wanen zich in een groote Duitsche stad
te bevinden. Ook van fabrieken, die in de kleinere Italiaansche steden
nagenoeg geheel ontbreken, is Milaan ruimschoots voorzien.
Maar twee wonderen herbergt de stad. Het eene is de Dom, een der
prachtigste Gotische bouwwerken. In het middelpunt der stad verheft
zich dit indrukwekkende Godshuis op een ruim plein. Eerst wanneer men
de vijfhonderd treden, deels binnen in het gebouw, deels aan de
buitenzijde van den toren bestegen heeft, kan men zich een voorstelling
maken van de reusachtige afmetingen. Niet minder dan acht en negentig
spitsen, versieren als een woud van marmer het dakwerk, en het aantal
marmeren beelden dat aan de buitenzijde is aangebracht, moet ongeveer
tweeduizend bedragen. Geen andere kerk is met pulk een kwistigen
rijkdom van marmer voorzien. De oogverblindende schittering van al dit
marmer, vormt een wonderbare tegenstelling met het mystieke
schemerlicht dat daarbinnen, door de beschilderde glazen, heerscht;
daglicht en schemering hebben hier een verbond gesloten, om dit
meesterwerk van architectuur, waarover meer dan twee eeuwen gebouwd
werd, een bijzondere bekoring te verleenen.
Het tweede wonder van Milaan is het Heilige Avondmaal van Leonardo da
Vinci. Deze schat bevindt zich in het refectorium van een klooster, dat
tegen de kerk Santa Maria delle Grazia aangebouwd is; jammer is ’t dat
de jaren slechts te duidelijk hun sporen op dit beroemde schilderstuk
hebben achtergelaten. Maar nog steeds verkondigen de omtrekken en
verbleekte kleuren het genie van Leonardo.
De vruchtbare, dicht bebouwde vlakte van Lombardije biedt den reiziger
geen bonte verscheidenheid van tafereelen. Eerst bij Piacenza, waar wij
de Po oversteken, en waar reeds de noordelijke uitloopers der Apenijnen
in ’t gezicht komen, wordt het terrein heuvelachtig. De trein voert ons
langs den noordelijken rand der Apenijnen naar Bologna. Wij snellen de
oude universiteitsstad Parma, waar de beroemde schilder Corregio
arbeidde, voorbij evenals het overoude Reggio, de geboorteplaats van
den dichter Ariosto. Dan volgt Modena, met zijn bijna duizendjarigen
Dom en ten slotte bereiken we de vijftienhonderd jaar oude
universiteitsstad Bologna.
Gedurende de middeleeuwen, en ook tijdens de Renaissance, was Bologna
de verzamelplaats van alle naar wetenschap, dorstende jongelieden. Hier
heeft ook Ulrich von Hutten zich aan de bron der kennis gelaafd.
Bologna’s geschiedenis reikt ver in het verleden terug. Reeds in de
vijfde eeuw voor onze jaartelling werd een heftige strijd gevoerd om
het bezit der stad, totdat het door de Romeinen tot een hunner koloniën
gemaakt werd. Ook keizer Frederik Barbarossa had menigen harden kamp om
Bologna te voeren. Zijn zoon Enzio werd in 1249 in den bloedigen slag
van Forsalta gevangen genomen, en werd langen tijd als gijzelaar door
de Bolognesers gehouden. Het paleis waar hij in gevangenschap zuchtte,
en, volgens het verhaal, door de schoone Lucia Biadagola vertroost
werd, is nog heden ten dage te zien. Bologna is rijk aan kerken en
paleizen. Een der mooiste is de onvoltooide kerk San Petronio. Hier
werd Karel V door Paus Clemens VII gekroond.
De stad die op Bologna volgt, Ravenna, is het Pompeji uit den tijd der
eerste Christenheid. Oorspronkelijk was Ravenna, evenals Venetië, een
lagunen-stad. Ten tijde van keizer Augustus was het de oorlogshaven
voor de vloot der Adriatische zee. Maar tegenwoordig ligt de stad op
een afstand van tien kilometer van de zee verwijderd; zoozeer is in den
loop der eeuwen de kustlijn veranderd! Talrijke monumenten verkondigen
nog heden ten dage den glans der vroegere Germaansche heerschappij over
Italië. Weliswaar zijn er van het trotsche paleis van Theoderik nog
slechts enkele zuilen over, maar nog altijd verheft zich in
indrukwekkenden eenvoud zijn grafmonument. Hier is ook de laatste
rustplaats van Italië’s grootsten dichter, Dante. Bij Bologna begint de
spoorweg naar Florence de Apenijnen te doorsnijden. Het landschap
verliest nu zijn eentonigheid. Diepe dalen en ravijnen wisselen af met
steile rotsgevaarten, watervallen en wilde bergstroomen. Alvorens
Florence te bereiken komen we door meer dan 20 tunnels, want deze stad,
de kroon van Toscane, ligt diep in het dal van den Arno verscholen.
„La Bella”, de schoone, zoo noemen de Italianen Florence. Maar haar
schoonheid springt niet dadelijk in het oog, zooals die van Venetië, ze
is een schoonheid die slechts geleidelijk haar bekoorlijkheden
tentoonspreidt.
De aantrekkelijkheid der stad ligt in de kunstschatten die binnen haar
muren besloten zijn. Men hoeft nog niet de Uffiziën of het Palazzo
Pitti bezocht te hebben, men behoeft nog niet op de Piazza della
Signoria met het burchtachtige Palazzo Vecchio gestaan te hebben, om
deze bijzondere bekoorlijkheid van Florence op te merken. Bijna op
elken hoek der straat, bij elke fontein worden wij door een kunstwerk
getroffen, en worden we herinnerd aan de namen van een Leonardo, Michel
Angelo of Rafaël.
Niet ver van het station ligt een eenvoudige kerk, San Lorenzo genaamd,
gebouwd door de Medici en andere Florentijnsche families. Deze kerk
biedt weinig aantrekkelijks voor het oog, maar ze bevat de mooiste en
zinrijkste grafmonumenten ter wereld. Ze zijn vervaardigd door Michel
Angelo. Het was zijn plan om in deze kleine kapel nog meer van zulke
meesterwerken op te richten, maar verstoordheid over het omverwerpen
der republiek benam hem hiertoe den lust. Zoo hebben deze
grafmonumenten, behalve hun oorspronkelijk doel, den roem der Medici
door alle tijden heen te verkondigen, nog een tweede beteekenis; ze
zijn de laatste getuigenissen der Florentijnsche kunst, die met den val
der republiek uitstierf. Nauwelijks een eeuw had dit bloeitijdperk
geduurd, maar gedurende dezen tijd zijn er binnen de muren van Florence
zoovele kunstschatten opgehoopt, dat de stad voor altoos „La Bella” zal
blijven heeten.
Zuidelijk van Florence komen de sporen der antieke wereld duidelijker
voor den dag dan die der Renaissance. Reeds het Trasmeensche meer,
langs welke Westelijken oever we voorbij sporen, wekt de herinnering
aan het oude Rome. Hier versloeg Hannibal in 217 v. Chr. het leger van
den onvoorzichtigen Romeinschen consul Flaminius. Van af de bergtoppen
der Apenijnen zien nog trotsche, ommuurde burchten uit de middeleeuwen
op ons neer, en de een of andere bergvesting als Perugia of Siena
herinneren ons aan de Renaissance; maar hoe meer we het dal van den
Tiber naderen, des te talrijker worden de overblijfselen uit de
oudheid, om eindelijk in de Campagne, en in Rome zelf, uit tal van
ruïnes te verhalen van een wereld waaraan ook wij, bewoners van
noordelijke gewesten, het grootste deel van onze beschaving te danken
hebben. Daar ligt de eeuwige stad voor ons! Beschenen door de stralen
der zon, schittert de vergulde koepel van den St. Pieter als een
hemelsch vuur boven Rome!