Wie voor het eerst Italië bezoekt, moet steeds met Venetië, de
geboortestad van Marco Polo beginnen, en wel moet hij het zoo
inrichten, dat hij er des avonds aankomt. Dan zal zich een tooverwereld
voor zijn oogen ontsluiten, en hij zal meenen in een sprookje van de
„Duizend en een Nacht” verplaatst te zijn!
Reeds de aankomst is wonderbaar. De trein heeft de vruchtbare vlakte in
snelle vaart doorsneden en rolt nu voort over een smallen, maar 3600
meter langen dam, die de Lagunenstad met het vasteland verbindt. Rechts
en links niets dan een donkere, onmetelijke watervlakte; slechts
vooruit, heel in de verte, duiken tallooze lichten op. Ongeveer tien
minuten lang rijdt men over dezen langen dam; dan stopt de trein in een
ruime, hel verlichte hal, het station van Venetië.
We zien vooralsnog niets bijzonders. Zoodra we echter het station
verlaten, treft ons een zoo eigenaardig schouwspel, dat we sprakeloos
een poos blijven staan, verbluft van den ongewonen aanblik.
Geen groot, open plein, zooals men dat zoo vaak voor stations aantreft,
geen geratel van rijtuigen en gebel van trammen, dicht voor ons
kronkelt als een breed, donker lint een water waaruit de huizen steil
opsteken, en rechts en links doorsnijden zijkanalen de stad. En op al
deze waterwegen een ontelbare menigte Venetiaansche gondels, die er nog
precies eender uitzien als vijfhonderd jaren geleden met hun
zwanenhalzen en uitgesneden spitsen, die in het nachtelijk duister aan
zeemonsters doen denken. Voor ons ligt het Canal Grande, de voornaamste
verkeersweg die zich S-vormig door de stad heen slingert.
We huren een der gondels. De gondelier staat aan het eind van zijn
vaartuig, den eenen voet een weinig naar voren geschoven; met
bewonderenswaardige handigheid hanteert hij zijn roeispaan. Een
doodelijke stilte omgeeft ons: geruischloos glijdt de gondel voort en
door het Canal Grande. Hoe verder we komen, des te beter begrijpen we
waarom de Italianen deze Lagunenstad zoo liefhebben. Het eene paleis na
het andere glijdt ons voorbij, het eene nog prachtiger dan het andere.
Daar is het prachtige Palazzo Vendramin Calergi waarin een van
Duitschland’s grootste toondichters, Richard Wagner, overleed; daar,
aan de overzijde het beroemde Fondaco dei Turchi, in de 17de eeuw
bekend als de verblijfplaats der Turken die Venetië bezochten. Verderop
het sierlijke, in gothische stijl gebouwde Ca’ d’Oro, waarvan de
marmeren gevel, spookachtig in den duisteren nacht uit het water
schijnt op te stijgen. Ook het Fondaco dei Tedeschi, de voormalige
stapelplaats der Duitsche kooplieden, glijden we voorbij, en komen dan
onder den wereldberoemden Ponte di Rialto door, een prachtige brug met
marmeren boog, bezet met een dubbele rij winkels.
De gondelier stuurt het vaartuig in een der kleine zijkanalen. Wederom
andere beelden: nu eens stille, duistere hoeken, vol spookachtige
geheimzinnigheid, dan weer smalle bruggen, waarover men gestalten ziet
voortglijden, dan weer een prachtig paleis, waarvan de terrassen tot
aan het water reiken. Nu klinkt uit een zijkanaal het smachtende lied
van een gondelier. Kortom, tal van indrukken volgen elkaar op, en
verlevendigen tevens de herinnering aan de avontuurlijke geschiedenis
dezer wonderbare stad. We denken aan de macht en den rijkdom der dagen,
aan de pracht en praal die Venetië’s roem over de geheele wereld
verspreidden, aan de schitterende optochten over het water, aan het met
de grootst mogelijke pracht vertoonde huwelijk van den Doge met de zee.
Maar tevens denken we aan den gruwel der inquisitie, aan de folteringen
der politieke gevangenen. Juist waren we onder de „Brug der Zuchten”
door; een donker gat in den muur toont nog heden den weg dien de ter
dood veroordeelden moesten nemen, welke hier in duistere diepte moesten
sterven. Ginds, voor ons, verheft zich het Dogen-paleis, van welks
kwellingen onder de looden daken de avonturier Casanova zulk een
levendige schildering heeft gegeven. Hoevelen zijn daar niet in de
verzengende hitte versmacht, die niet, zooals hij, aan hun boeien
wisten te ontsnappen?
We stijgen aan de Piazzetta uit. Voor ons liggen twee eilanden en
verscheidene trotsche kerken; daarachter de zee, de wonderschoone
Adriatische Zee. In de verte zien we een smalle kuststrook. Dat is
Lido, de voornaamste badplaats van Italië, die jaarlijks duizenden,
zoowel Italianen als vreemdelingen, tot zich trekt.
Na eenige schreden bevinden we ons op het San Marco-plein, in het
Noorden en Zuiden begrensd door de zoogenaamde „Procuraziën”,
oorspronkelijk de woonplaatsen der negen procuratoren, die aan het
hoofd van het stadsbestuur stonden. Het zuidelijke paleis dient
tegenwoordig tot residentie van den koning wanneer deze Venetië
bezoekt. Het indrukwekkendst is echter de oostelijke zijde van het
plein. Hier staat de Marcuskerk, gebouwd in Byzantijnschen stijl, met
een heerlijken rijkdom aan mozaïeken, zoowel van binnen als van buiten.
Men aanschouwt er niet minder dan vijfhonderd marmeren zuilen. Onder
het hoogaltaar rust het gebeente van den heiligen Marcus, den
schutsheilige van Venetië, door Venetiaansche burgers in het jaar 829
uit Alexandrië meegebracht. Niet minder indrukwekkend is het
Dogenpaleis, naast de San Marco gelegen; met zijn ruime, prachtige
zalen herinnert het nog heden ten dage aan de roemrijke Venetiaansche
republiek. Maar niets is heerlijker dan ’s avonds bij maanlicht vanaf
het balcon van dit paleis neer te zien op het Marcusplein. Duizende
menschen, van allerlei stand en van verschillende natiën wandelen hier
onder de tonen der muziek heen en weer. Slanke Venetiaansche vrouwen,
de zwarte doeken bevallig over de schouders geworpen; zongebrande
visschers uit Chioggia, patricische dames met trotsche trekken en
aschblond haar, daartusschen Duitschers, Engelschen, Russen, Franschen,
Turken, in een bont gewemel. Het vroolijke gebabbel en gelach vermengt
zich met de smeltende Italiaansche melodieën, en over dat alles giet de
maan een tooverachtig licht, dat de mozaïeken van San Marco
verzilvert.—Als een betooverde prins, die tot het leven teruggeroepen
is, staat men urenlang tegen de balustrade van het balcon geleund, en
niet zonder weemoed neemt men van dit sprookjesachtige tafereel
afscheid.