33. DE LAGUNENSTAD.

Wie voor het eerst Italië bezoekt, moet steeds met Venetië, de

geboortestad van Marco Polo beginnen, en wel moet hij het zoo

inrichten, dat hij er des avonds aankomt. Dan zal zich een tooverwereld

voor zijn oogen ontsluiten, en hij zal meenen in een sprookje van de

„Duizend en een Nacht” verplaatst te zijn!

Reeds de aankomst is wonderbaar. De trein heeft de vruchtbare vlakte in

snelle vaart doorsneden en rolt nu voort over een smallen, maar 3600

meter langen dam, die de Lagunenstad met het vasteland verbindt. Rechts

en links niets dan een donkere, onmetelijke watervlakte; slechts

vooruit, heel in de verte, duiken tallooze lichten op. Ongeveer tien

minuten lang rijdt men over dezen langen dam; dan stopt de trein in een

ruime, hel verlichte hal, het station van Venetië.

We zien vooralsnog niets bijzonders. Zoodra we echter het station

verlaten, treft ons een zoo eigenaardig schouwspel, dat we sprakeloos

een poos blijven staan, verbluft van den ongewonen aanblik.

Geen groot, open plein, zooals men dat zoo vaak voor stations aantreft,

geen geratel van rijtuigen en gebel van trammen, dicht voor ons

kronkelt als een breed, donker lint een water waaruit de huizen steil

opsteken, en rechts en links doorsnijden zijkanalen de stad. En op al

deze waterwegen een ontelbare menigte Venetiaansche gondels, die er nog

precies eender uitzien als vijfhonderd jaren geleden met hun

zwanenhalzen en uitgesneden spitsen, die in het nachtelijk duister aan

zeemonsters doen denken. Voor ons ligt het Canal Grande, de voornaamste

verkeersweg die zich S-vormig door de stad heen slingert.

We huren een der gondels. De gondelier staat aan het eind van zijn

vaartuig, den eenen voet een weinig naar voren geschoven; met

bewonderenswaardige handigheid hanteert hij zijn roeispaan. Een

doodelijke stilte omgeeft ons: geruischloos glijdt de gondel voort en

door het Canal Grande. Hoe verder we komen, des te beter begrijpen we

waarom de Italianen deze Lagunenstad zoo liefhebben. Het eene paleis na

het andere glijdt ons voorbij, het eene nog prachtiger dan het andere.

Daar is het prachtige Palazzo Vendramin Calergi waarin een van

Duitschland’s grootste toondichters, Richard Wagner, overleed; daar,

aan de overzijde het beroemde Fondaco dei Turchi, in de 17de eeuw

bekend als de verblijfplaats der Turken die Venetië bezochten. Verderop

het sierlijke, in gothische stijl gebouwde Ca’ d’Oro, waarvan de

marmeren gevel, spookachtig in den duisteren nacht uit het water

schijnt op te stijgen. Ook het Fondaco dei Tedeschi, de voormalige

stapelplaats der Duitsche kooplieden, glijden we voorbij, en komen dan

onder den wereldberoemden Ponte di Rialto door, een prachtige brug met

marmeren boog, bezet met een dubbele rij winkels.

De gondelier stuurt het vaartuig in een der kleine zijkanalen. Wederom

andere beelden: nu eens stille, duistere hoeken, vol spookachtige

geheimzinnigheid, dan weer smalle bruggen, waarover men gestalten ziet

voortglijden, dan weer een prachtig paleis, waarvan de terrassen tot

aan het water reiken. Nu klinkt uit een zijkanaal het smachtende lied

van een gondelier. Kortom, tal van indrukken volgen elkaar op, en

verlevendigen tevens de herinnering aan de avontuurlijke geschiedenis

dezer wonderbare stad. We denken aan de macht en den rijkdom der dagen,

aan de pracht en praal die Venetië’s roem over de geheele wereld

verspreidden, aan de schitterende optochten over het water, aan het met

de grootst mogelijke pracht vertoonde huwelijk van den Doge met de zee.

Maar tevens denken we aan den gruwel der inquisitie, aan de folteringen

der politieke gevangenen. Juist waren we onder de „Brug der Zuchten”

door; een donker gat in den muur toont nog heden den weg dien de ter

dood veroordeelden moesten nemen, welke hier in duistere diepte moesten

sterven. Ginds, voor ons, verheft zich het Dogen-paleis, van welks

kwellingen onder de looden daken de avonturier Casanova zulk een

levendige schildering heeft gegeven. Hoevelen zijn daar niet in de

verzengende hitte versmacht, die niet, zooals hij, aan hun boeien

wisten te ontsnappen?

We stijgen aan de Piazzetta uit. Voor ons liggen twee eilanden en

verscheidene trotsche kerken; daarachter de zee, de wonderschoone

Adriatische Zee. In de verte zien we een smalle kuststrook. Dat is

Lido, de voornaamste badplaats van Italië, die jaarlijks duizenden,

zoowel Italianen als vreemdelingen, tot zich trekt.

Na eenige schreden bevinden we ons op het San Marco-plein, in het

Noorden en Zuiden begrensd door de zoogenaamde „Procuraziën”,

oorspronkelijk de woonplaatsen der negen procuratoren, die aan het

hoofd van het stadsbestuur stonden. Het zuidelijke paleis dient

tegenwoordig tot residentie van den koning wanneer deze Venetië

bezoekt. Het indrukwekkendst is echter de oostelijke zijde van het

plein. Hier staat de Marcuskerk, gebouwd in Byzantijnschen stijl, met

een heerlijken rijkdom aan mozaïeken, zoowel van binnen als van buiten.

Men aanschouwt er niet minder dan vijfhonderd marmeren zuilen. Onder

het hoogaltaar rust het gebeente van den heiligen Marcus, den

schutsheilige van Venetië, door Venetiaansche burgers in het jaar 829

uit Alexandrië meegebracht. Niet minder indrukwekkend is het

Dogenpaleis, naast de San Marco gelegen; met zijn ruime, prachtige

zalen herinnert het nog heden ten dage aan de roemrijke Venetiaansche

republiek. Maar niets is heerlijker dan ’s avonds bij maanlicht vanaf

het balcon van dit paleis neer te zien op het Marcusplein. Duizende

menschen, van allerlei stand en van verschillende natiën wandelen hier

onder de tonen der muziek heen en weer. Slanke Venetiaansche vrouwen,

de zwarte doeken bevallig over de schouders geworpen; zongebrande

visschers uit Chioggia, patricische dames met trotsche trekken en

aschblond haar, daartusschen Duitschers, Engelschen, Russen, Franschen,

Turken, in een bont gewemel. Het vroolijke gebabbel en gelach vermengt

zich met de smeltende Italiaansche melodieën, en over dat alles giet de

maan een tooverachtig licht, dat de mozaïeken van San Marco

verzilvert.—Als een betooverde prins, die tot het leven teruggeroepen

is, staat men urenlang tegen de balustrade van het balcon geleund, en

niet zonder weemoed neemt men van dit sprookjesachtige tafereel

afscheid.

Van pool tot pool(#76913) · 第 39 / 75 题