32. AAN DEN OEVER VAN HET MEER VAN GENEVE.

Slechts noode verlaat de vreemdeling Parijs, maar de gedachte op weg te

zijn naar het zonnige Italië, maakt hem het afscheid minder zwaar,

wanneer hij op zijn tocht oostwaarts door het venster van zijn

spoorwegcoupé, de heuvels en dalen van Champagne, het land vanwaar de

bekende wijn komt, aanschouwt. Overal bebouwde velden, dorpen en

boerderijen, waar de bodem ongeschikt is voor den akkerbouw, daar

grazen groote kudden vee. Allerwege ziet men arbeiders op het veld; het

bedrijf der kleine grondbezitters, boeren en burgers vormt de bron van

Frankrijk’s welvaart.

Thans naderen we de grens. De sterke vesting Belfort is de laatste

Fransche stad, kort daarop zijn we in den Elzas. Nauwelijks een

menschenleeftijd geleden waren deze streken het tooneel van gewichtige

gebeurtenissen. Het was de tijd van den Fransch-Duitschen oorlog; na

een dappere verdediging moest Frankrijk het onderspit delven. Het

verloor hierbij twee van zijn bloeiendste provinciën. Nog heden ten

dage doet men goed de namen dezer provinciën: Elzas en Lotharingen, in

Fransche kringen niet te noemen. Ze wekken smartelijke herinneringen

op. Deze beide provinciën zijn echter in 1919 bij den vrede van

Versailles weder aan Frankrijk toegewezen. Frankrijk was niet voor een

oorlog toegerust, en had zijn leger en vestingwerken verwaarloosd. In

een staat die ten strijde toegerust is, bloeit de vrede. Zoodra

daarentegen een volk luistert naar de inblazingen van idealistische

droomers die de leuze van ontwapening en eeuwigen vrede prediken, dan

is zijn lot beslist, en dan zal vroeg of laat het volk zich bukken

onder het juk van vreemde tyrannen. Zoo was het steeds, en zoo zal het

ook immer blijven. De tijd van het duizendjarig rijk is nog lang niet

aangebroken!

Wederom passeeren we de grenzen, en wel van Zwitserland, het nijvere

Alpenland. De trein houdt stil in Bazel, de stad die den Rijn in tweeën

splitst. Van den „Bodensee” komend, stroomt het heldere water onder

Bazel’s bruggen door, om vervolgens in een rechten hoek naar het

noorden af te buigen en zijn loop tusschen Vogezen en Scharzwald te

vervolgen. Onze plaats van bestemming is Genève. De spoorweg loopt door

een nauw dal langs een zijrivier van den Rijn, de Birs. Het is winter,

en het landschap is met een effen kleed van sneeuw bedekt, nauwelijks

ziet men de kleine dorpjes die in de dalen verspreid liggen. Aan

weerszijden verheffen zich de dennenbosschen; een dikke sneeuwlaag

buigt de takken der boomen naar omlaag. Wanneer het dal niet zoo nauw

was, en zich in het Westen niet een bergketen verhief, zou men zich in

Zweden verplaatst wanen. Die bergketen is de Jura, die de scheiding

vormt tusschen Zwitserland en Frankrijk.

Hier liggen na elkaar drie meren. Het kleinste heet het Bieler-meer;

het volgende is grooter en heet naar de stad Neuenburg; het laatste is

het groote meer van Genève dat we bij Lausanne bereiken.

Hier houdt de sneeuw op, en in het Zuiden schitteren de Alpen van

Savoye, terwijl de zonnestralen door het heldere watervlak weerspiegeld

worden. Deze aanblik behoort tot het schoonste wat de aarde te

aanschouwen geeft, en men blijft in bewondering verzonken, terwijl de

trein langs het meer voortsnelt. Het meer gelijkt in vorm op een

dolfijn die op het punt staat onder te duiken; bij den kop van den

dolfijn ligt Genève, en hier verlaat de Rhône het meer, die verder naar

Lyon stroomt om vervolgens vlak ten westen van de groote havenstad

Marseille in de Middellandsche Zee uit te monden.

Genève is een der sierlijkste en schilderachtigste steden der wereld.

Tusschen de noordelijke en zuidelijke helft der stad wordt het

kristalheldere water, als door een trechter in de Rhône gestuwd, de

stroom is sterk, en wordt door een langwerpig eiland in tweeën gedeeld.

Het geheel herinnert levendig aan Stockholm; in ’t bijzonder ’s avonds

wanneer overal het electrisch licht door den voortglijdenden stroom

weerspiegeld wordt.

Het prachtigst is echter het uitzicht naar het zuidoosten bij helder

weer. Daar verheffen zich de Alpen van Savoye met hun schitterende, met

sneeuw bedekte kruinen en bergruggen. Daar troont boven de Alpen, ja

boven geheel Europa in trotsche majesteit de Mont-Blanc, die den

grenspaal vormt tusschen Zwitserland, Frankrijk en Italië. Tegen den

avond krijgen we den „Witten Berg” even te zien, maar spoedig hult zich

de reus weder in een ondoordringbaren mantel van nevel.

Van Genève uit voert ons de spoorbaan oostwaarts langs den noordelijken

oever van het meer. Als een nevelachtige streep teekenen zich de Alpen

van Savoye aan den horizon af. Voorbij Lausanne verdwijnen de nevelen,

en weer verheffen zich in verblindenden glans de Alpen als geweldige

torens en piramiden. Langs den oever strekt zich temidden van tuinen en

parken een eindelooze rij van internationale hotels uit. Uit alle

oorden der wereld komen reizigers hierheen om zich te verzadigen aan

het natuurschoon en om hun longen te versterken door het inademen der

reine Alpenlucht. Bij iedere bocht ontrolt zich een nieuw panorama, en

in de herinnering smelt alles tezamen tot één onvergetelijk geheel.

We verlaten thans het meer en volgen tusschen woeste rotsgevaarten de

Rhône stroomopwaarts. Naarmate we hooger stijgen, wordt het dal nauwer.

De Rhône is thans een bruisende bergstroom, haast onbeduidend in

vergelijking met de breedte van den stroom bij Genève. In het dal

breiden zich vlakke velden uit, op de hellingen verheffen zich donkere

pijnboomen uit de sneeuw, en boven dat alles tronen de sneeuwtoppen der

Alpen.

Eenige minuten voorbij Brieg suist de trein in volle vaart het gebergte

in. De electrische lampen branden, en alle raampjes zijn gesloten; de

tunnel vult zich met rook, en de duizendvoudige echo maakt ons bijna

doof. Hoezeer verlangt men naar de vrije lucht; door alle spleten

dringt de rook naar binnen; maar hier heet het geduld oefenen, want de

Simplon-tunnel met zijn lengte van 19731 meter is de langste der

wereld. Ze is eerst enkele jaren oud. Van weerszijden werd

tegelijkertijd begonnen, en toen men bij elkaar gekomen was, en een

ontploffing de laatste scheidsmuur opruimde, bleek het dat men zich bij

de berekeningen geen duimbreed vergist had!

Van pool tot pool(#76913) · 第 38 / 75 题