Van de duizelingwekkende hoogte van den Eiffeltoren zijn we gelukkig
weer beneden aangeland, en we begeven ons over het Marsveld naar het
Invalidenhuis. Vroeger bewoond door duizenden invaliden van het
Fransche leger, herbergt het thans slechts historische herinneringen.
Onder den vergulden koepel der Dôme des Invalides, die bijna vanaf elk
punt der stad zichtbaar is, komen we in een ronde zaal; waarvan het
midden bestaat uit een crypta. Deze is eveneens rond, heeft een diepte
van eenige meters en is naar boven toe open. Op den bodem leest men in
mozaïek de beroemde namen: Rivoli, Pyramiden, Marengo, Austerlitz,
Jéna, Friedland, Wagram en Moskou. Twaalf marmerbeelden, die even
zoovele overwinningen voorstellen, houden de wacht om de machtige
sarcophaag uit rood Siberisch porfier, die de asch van Napoleon bedekt.
Een zacht blauw licht beschijnt de crypta. Ook het levendigste Fransche
gesprek verstomt bij het betreden van Napoleon’s grafkamer. Diepe
stilte omgeeft het stoffelijk overschot van hem, die tijdens zijn leven
de wereld vervulde van het gedonder van zijn geschut, en het
wapengekletter zijner legioenen, en die binnen verloop van enkele jaren
de kaart van Europa volkomen veranderde.
De plechtige stilte, de verheven bouwstijl, en het schemerachtige licht
oefenen een aangrijpenden invloed uit op het gemoed van den
toeschouwer. Hoevele beelden worden niet voor ons geestesoog te
voorschijn geroepen! Onwillekeurig verwacht men de echo te hooren
weerklinken der commando’s, die eertijds van den grooten keizer
uitgingen!
We zien een blauwoogig kind spelen aan den schoot zijner moeder te
Ajaccio. Dan hooren we hoe de jonge revolutionnair geestdriftige
redevoeringen houdt in de geheime clubs te Parijs. Bleek en ernstig
zien we de gestalte van den zes-en-twintig jarigen generaal voorbij
schrijden; na tal van roemrijke overwinningen komt hij terug uit
Italië, waar hij als een stormwind was komen neerstrijken in de vlakte
van Lombardije, waar hij als overwinnaar zijn intocht hield te Milaan,
en waar hij de overoude republiek Venetië voor altoos van de
onafhankelijkheid beroofde.
Ginds voor het altaarvenster verheft zich het beeld van den gekruisten
Heiland. Het leidt onze gedachten naar den tocht van het keizerlijke
leger naar Egypte en het Heilige Land. Frankrijk’s grootste generaal
voert de vloot uit de haven van Toulon. Hij ontkomt aan de
oorlogsschepen van Nelson, verovert Malta, vaart langs Kreta en Cyprus
en landt met 40000 man in Alexandrië. Op den weg naar Kaïro versmachten
de soldaten in de dorre woestenij. Bij den Nijl komt het tot een
treffen met het Egyptische leger, en aan den voet der pyramiden moet
het Oosten zich buigen voor den held van het Westen.
In oostelijke richting vervolgt het leger zijn weg naar Syrië. Vijf
eeuwen waren voorbijgegaan sedert de kruisvaarders gepoogd hadden het
Heilige Graf aan de ongeloovigen te ontrukken. Nu kletteren wederom de
wapenen van het avondland in het Jordaandal en aan den voet van den
berg Tabor, en voor de poorten van Nazareth worden de Turken door den
Franschen generaal verslagen. Maar, intusschen heeft Nelson de Fransche
vloot vernietigd, de keur van het republikeinsche leger heeft den dood
gevonden. Napoleon’s droom van een rijk in het morgenland, is in den
rook van het laatste wachtvuur verdwenen. Met twee fregatten verlaat
hij Egypte, zeilt langs Tripolis en de kusten van Tunis, en komt met
gedoofde lichten, behouden door de straat van Gibraltar heen. Bij zijn
aankomst te Parijs begroet hem het volk met stormachtigen jubel.
Geleidelijk raakt het oog gewend aan het schemerduister in den koepel
der Invaliden en de witte zuilen en marmeren beelden geven onze
gedachten een andere wending. De Alpen passen, de St. Bernard, de St.
Gothard, de Mont Cenis en de Simplon, de hoogste bergtoppen van Europa,
worden door Napoleon met zijn vier armeecorpsen getrotseerd! Soldaten
trekken de kanonnen door de sneeuwvelden; en eerst op Italiaanschen
bodem scharen ze zich weer in ’t gelid. Bij Marengo oogsten de vanen
van Frankrijk nieuwe lauweren, en het lot van geheel Europa berust in
handen van Frankrijk’s grootsten held.
„Austerlitz” lezen we in het mozaïek der crypta. Frankrijk’s keizer is
opgetrokken naar Mähren, en zijn legioenen strijden onder den vergulden
adelaar. De garde-cavalerie rijdt de Russische garde onder den voet, en
Napoleon’s leger vernietigt de vereenigde strijdmachten van Oostenrijk
en Rusland; de Fransche artillerie beschiet de bevroren oppervlakte van
een meer, zoodat de vijand met kanonnen, wagens en paarden omkomt.
Welke nieuwe echo stijgt thans uit de crypta omhoog? „Jena!” Waar de
Pruisen verslagen werden, waar hun land tusschen Elbe en Oder onder het
vreemde juk gebracht, hun vestingen geslecht werden; Erfurt,
Maagdeburg, Stettin en Lübeck geven zich over, terwijl de overwinnaar
zijn intocht houdt in Berlijn, de residentie van Frederik den Grooten!
Dan dreunen de voetstappen der scharen door Poolsche straten, op de
bloedige slagvelden bij Pultusk op den oostelijken oever van den
Weichsel en bij Eylau in West-Pruisen, waar de lijken opgehoopt in de
diepe sneeuw liggen. Napoleon zelf snelt op zijn schimmel voort na den
slag bij Friedland in Oost-Pruisen, waar de Russen verslagen werden.
Met getrokken sabel defileeren garde-cavalerie en huzaren, en nog heden
trilt de naklank van hun geestdriftigen jubel om de vaandels van de
sarcophaag, en langs de heirwegen van Europa weerklinkt het
hoefgetrappel der paarden: het zijn de boden, die de gemeenschap
onderhouden tusschen het hoofdkwartier en Parijs.
Napoleon trekt op Weenen aan, en dreigt Oostenrijk te verpletteren. Hij
overwint in den bloedigen slag bij Wagram, noord-oostelijk van Weenen;
hij maakt zelfstandige rijken tot provinciën van Frankrijk, hun
beheerschers tot Fransche vazallen, en deelt koningskronen uit onder
zijn bloedverwanten, vrienden en generaals. Zijn rijk strekt zich thans
uit van Danzig tot Cadix, van de Elbe tot aan den Tiber, als eertijds
het rijk van Karel den Grooten! De macht van den Corsikaan is
uitgebreid, en zijn rijk is gevestigd zooals van geen sedert de helden
van het oud Romeinsch rijk.
Bajonetten en sabels, kurassen en helmen flikkeren in het
zonlicht—Napoleon’s onoverwinnelijke heirscharen trekken over den
Njemen, een half millioen soldaten rukt op tegen Moskou, Rusland’s oude
hoofdstad. Onafzienbare scharen, tallooze kanonnen en een eindelooze
legertros trekt voort over de Russische wegen van Wilna naar Witebsk en
Smolensk. De Russen weten het: het gaat om hun vrijheid. Ze verbranden
hun eigen steden en dorpen; ze verwoesten hun land, en trekken zich
terug naar het binnenland, zooals ze het reeds een eeuw vroeger deden,
toen Karel XII van Zweden in Rusland binnendrong. Eindelijk komt het
tot een slag aan de Moskowa, en het Fransche leger bezet de stad. Maar
dan verlichten de vlammen van het brandende Moskou ver in het rond de
Septembernachten!
Op een der terrassen van het Kremlin staat een kleine man in grauwe
wapenrok, de handen op den rug staart de keizer nadenkend in de vlammen
en de rookwolken, die over de stad heen rollen. In een week is het oude
heiligdom der Moskovieten in vlammen opgegaan.
Daarbuiten, in de straten van Parijs, is de schemering neergedaald, en
de schaduwen tusschen de zuilen rondom Napoleon’s graf worden dichter.
Maar uit deze schaduwen doemen menschelijke gedaanten op, die worstelen
met honger, koude en uitputting. De tijden van tegenspoed zijn
aangebroken! Het groote leger bevindt zich op den terugtocht. Aan den
kant der wegen liggen de lijken, weggeworpen wapenen en achtergelaten
bagage. De kanonnen blijven steken in de diepe sneeuw, en de soldaten
storten bij geheele regimenten neer als rijpe aren onder de sikkel.
Scharen hongerige wolven volgen hun spoor, ze vergenoegen zich met de
lijken, terwijl de kozakkenbenden de overlevenden neerhouwen. Bij den
overtocht over de Beresina, een zijrivier van den Dnjepr, komen 30.000
man om! Alle gehoorzaamheid en discipline is verdwenen.
Gekleed in een pels, een stok in de hand marcheert de overwonnen keizer
als een gewoon soldaat in ’t gelid mee. Het barre klimaat is de
sterkste bondgenoot der Russen, en hun voorzichtige taktiek doet het
overige om het Fransche leger geheel te vernietigen.
Nu heerscht bijna duisternis om ons heen. Bij Leipzig staan Russen en
Oostenrijkers, Pruisen en Zweden tegenover Napoleon. Hier stort zijn
trotsch rijk als een kaartenhuis ineen; zelfs Parijs wordt veroverd, en
de kroon wordt aan zijn hoofd ontrukt! Als gevangene voert men hem door
het Rhônedal over Lyon naar de zee, en per schip naar Elba.
Maar nog is de kracht van dezen man niet uitgeput. Nog eenmaal vervult
zijn naam de wereld met angst. Vergezeld van zeven kleine schepen zet
hij koers naar Frankrijk’s kusten! Hij trekt over de West-Alpen; in
Lyon wordt hij begroet als keizer, en Parijs opent hem de poorten.
Thans staat alles op het spel; in België zal de beslissende slag plaats
vinden. Wederom vereenigen zich aan Frankrijk’s grenzen de vijandelijke
legers. Europa is eindelijk den voortdurenden krijg moede, het besluit
tot een beslissenden slag. Bij Belle-Alliance (Waterloo) strijdt
Napoleon voor het laatst, hier wordt zijn lot voor immer bezegeld.
Nog eens verlaat de keizer zijn hoofdstad—nu voor altijd. In de haven
Rochefort, tusschen de monden van Loire en Garonne gaat hij aan boord
van een Engelsch fregat. Na een zeereis van zeventig dagen wordt hij op
St. Helena, een klein eiland in het zuidelijk deel van den Atlantischen
Oceaan, aan land gezet, om daar zijn zes laatste levensjaren in harde
gevangenschap door te brengen! Onder de wilgen in een dal delft men
zijn graf.
Nu heerscht volslagen duisternis in de Dôme des Invalides. Duister
ontwaakt de werkelijkheid rondom ons. Negentien jaren na zijn dood
vordert Frankrijk het stoffelijk overschot van zijn held op. Het
eenzame graf op St. Helena wordt geopend, de viervoudige lijkkist wordt
ontsloten in tegenwoordigheid van eenige getrouwen, die gedurende zes
lange jaren des keizers gevangenschap gedeeld hebben; in de groen-witte
uniform der garde ligt de overwinnaar van Marengo en Austerlitz,
onveranderd als op zijn sterfbed voor hun oogen!
Dan brengt men het lijk op een Fransch fregat, de kanonnen donderen, de
vlaggen waaien halfstok. In Cherbourg, in Normandië wordt de lijkkist
aan land gebracht, en nog eenmaal houdt de veroveraar van Europa, onder
militair eerbetoon, ten aanschouwe van geheel Frankrijk zijn intocht in
Parijs. Door zestien met rouwfloers bekleede paarden getrokken,
begeleid door de oudgedienden uit zijn veldtochten, rijdt de lijkwagen
met keizerlijke pracht tusschen dichte rijen van soldaten onder den
triomfboog der Place de l’Etoile door langs de Champs Elysées naar de
Dôme des Invalides, om daar in de sarcophaag van porfier te worden
bijgezet.
Zoo werd de laatste wil van den wereldveroveraar, neergeschreven op St.
Helena, vervuld: „Ik wensch dat mijn stof moge rusten aan de boorden
der Seine, te midden van het Fransche volk, dat ik zoozeer heb
liefgehad.”