30. EEN WANDELING DOOR DE SEINESTAD.

We bevinden ons nu in de wereldstad waar de Seine een wijden boog

beschrijft, om verder noordwestwaarts langs Rouaan te stroomen en bij

Le Havre in de zee uit te monden. Het eerste wat ons opvalt zijn de

boulevards, prachtige straten, met schaduwrijke boomen beplant, met aan

weerszijden groote paleizen, theaters, café’s en winkels. De naam

boulevard beteekent bolwerk, en de oudste boulevards waren dan ook

niets anders dan vestingwallen. Lodewijk de XIII liet in de 17e eeuw

ter verfraaiïng en uitbreiding der hoofdstad, deze bolwerken slechten,

en in de plaats daarvan de eerste moderne boulevards aanleggen. Zij

vormen noordelijk van de Seine een doorloopende reeks met verschillende

namen: Boulevard de la Madeleine, des Capucines, des Italiens en

Montmartre, en deze boulevards vormen een der hoofdaderen van Parijs.

Hier bevindt men zich temidden van het gewemel van automobielen,

omnibussen, huurrijtuigen, equipages en een onophoudelijken

menschenstroom.

Later werden ook daar, waar oorspronkelijk geen vestingwallen waren,

boulevards aangelegd; onder Lodewijk XIV en diens opvolgers nam Parijs

aan grootte en luister toe, en ten tijde van Napoleon I was het ’t hart

van het machtigste rijk ter wereld. Na den val van Napoleon werd het

tweemaal door Frankrijk’s vijanden veroverd. Napoleon III verfraaide en

verbeterde de stad, als nooit te voren geschied was. In 1871 namen de

Duitschers Parijs in, en in hetzelfde jaar werd het door de oproerige

benden der Commune bezet. Het gepeupel verwoestte tal van prachtige

paleizen, musea en gedenkteekenen. Ook de reusachtige Vendôme-zuil, een

herinnering aan Napoleon’s overwinningen werd bij deze gelegenheid

omvergehaald.

Sedert dien tijd is Parijs voor verwoestingen gespaard gebleven. Maar

nog steeds gaat het levendig toe in die stad, waar koningen, keizers en

presidenten elkaar afwisselen en waar ministers nooit langen tijd

achtereen hun post behouden. Nog heden is Parijs de stad der

verrassingen, en dagelijks volgt de geheele wereld met gespannen

aandacht de nieuwtjes die van daaruit bericht worden.

We moeten ons met een snelle wandeling door Parijs tevreden stellen. We

kiezen daarvoor den noordelijken oever der Seine en doorkruisen de stad

van het zuidoosten naar het noordwesten. We beginnen onze wandeling

waar eertijds de Bastille, tegelijk vesting en staatsgevangenis, stond.

Deze werd bij het begin der groote revolutie den 14den Juli 1789

bestormd en verwoest en sedert is die dag de nationale feestdag der

Franschen gebleven. Tegenwoordig verheft zich in het midden van het

plein de Juli-kolom, opgericht ter eere van hen die in de

Juli-revolutie van 1830 op de barricade gevallen zijn.

Van hieruit volgen we de Rue de Rivoli, een der grootste en mooiste

straten van Parijs. Links is het stadhuis, een grootsch bouwwerk in

renaissance-stijl, in welks prachtige zalen schitterende feesten

gehouden worden. Het bevat vele schilderstukken van beroemde meesters.

Iets verder verheft zich het grootste openbare gebouw van de stad, het

Louvre, van de middeleeuwen af, tot aan de dagen van Napoleon III, de

residentie van Frankrijk’s koningen en keizers, het schitterendste

paleis der wereld; tegenwoordig bevat het twee groote ministeriën en

een der grootste musea. Om alles wat het bevat nauwkeurig te bezien,

heeft men, evenals in het Britsch museum, dagen en weken noodig, zoo

niet maanden en jaren! Kolossale verzamelingen zijn hier opgehoopt,

niet slechts herinneringen aan de groote rijken der oudheid, van Azië

en Europa, maar ook het beste en kostbaarste wat Europa door alle

tijden heen aan kunst heeft opgeleverd.

In noordwestelijke richting gaan we door het park der Tuilerieën, en

vertoeven een oogenblik op de Place de la Concorde, om te genieten van

het prachtige uitzicht dat men hier naar alle kanten heeft, de rivier

met haar kaden en bruggen, de parken en lanen, de machtige gebouwen,

wonderen van bouwkunst, de talrijke pleinen en de onafgebroken stroom

van levenslustige mannen en elegante vrouwen, die naar de laatste mode

gekleed zijn.

In dit deel van Parijs vormen de pleinen, plantsoenen en parken een

onafgebroken reeks.

Van de Place de la Concorde komen we thans in de Champs Elysées, een

twee kilometer lange allée. Op de breede paden verzamelt zich de

voorname wereld in schitterende equipages en prachtige automobielen, te

paard of te voet. Des avonds zijn al deze pleinen, straten en parken

schitterend electrisch verlicht, zoodat ook dan het oog overal door

prachtige vergezichten geboeid wordt. Aan de noordzijde der Champs

Elysées woont in het Elysée-paleis de president der republiek. Den

14den Juli ontvangt hij ieder, die in het bezit is van een

visitekaartje en een rok.

Wanneer we de breede straten in noordwestelijke richting vervolgen,

komen we aan de Place de l’Etoile, waarop twaalf avenue’s of groote

straten uitkomen. Een daarvan, het vervolg der Champs Elysées is

genoemd naar het leger van Napoleon, en voert naar het Bois de

Boulogne. In het midden van de Place de l’Etoile verheft zich een

vijftig meter hooge triomfboog, opgericht ter herinnering aan de

overwinningen van den Corsicaan. Vanaf dezen triomfboog overziet men de

twaalf straten die aan den voet samenkomen; vanaf die hoogte lijkt het

gewoel daar beneden op het gekrioel in een mierenhoop.

We begeven ons thans naar de Pont d’Iéna waar tegenover, op den anderen

oever der Seine de Eiffeltoren zich driehonderd meter boven Parijs

verheft. De Eiffeltoren is het hoogste bouwwerk dat ooit door

menschenhanden werd opgericht; met zijn driehonderd meter is deze toren

ongeveer tweemaal zoo hoog als de dom te Keulen en als de hoogste

pyramide van Egypte. Op het tweede platform zijn we al meer dan honderd

meter boven de stad; maar de heuvels rondom Parijs beletten nog het

vrije uitzicht. Wanneer de lift ons echter op het derde platform

gebracht heeft, bevinden we ons op een hoogte van 276 meter boven den

grond, en in de diepte zien we de Seine met haar talrijke bruggen en we

overzien de stad met haar tallooze straten en haar 140 pleinen en

parken. Langs een trap komen we nog tot heel boven in den toren, en in

de spits straalt des nachts een licht dat zeventig kilometer ver

zichtbaar is. Alleen zij, die geen last hebben van duizeligheid kunnen

het wagen om over de borstwering naar beneden te zien, naar de pijlers

van het ijzeren gevaarte; en vooral niet wanneer het hard waait en de

groote toren merkbaar heen en weer schommelt. Men behoeft niet in een

luchtballon op te stijgen om Parijs in vogelvlucht te zien; vanaf den

Eiffeltoren ziet men de geheele stad als een uitgerolde kaart aan zijn

voeten liggen.

Van pool tot pool(#76913) · 第 36 / 75 题