We bevinden ons nu in de wereldstad waar de Seine een wijden boog
beschrijft, om verder noordwestwaarts langs Rouaan te stroomen en bij
Le Havre in de zee uit te monden. Het eerste wat ons opvalt zijn de
boulevards, prachtige straten, met schaduwrijke boomen beplant, met aan
weerszijden groote paleizen, theaters, café’s en winkels. De naam
boulevard beteekent bolwerk, en de oudste boulevards waren dan ook
niets anders dan vestingwallen. Lodewijk de XIII liet in de 17e eeuw
ter verfraaiïng en uitbreiding der hoofdstad, deze bolwerken slechten,
en in de plaats daarvan de eerste moderne boulevards aanleggen. Zij
vormen noordelijk van de Seine een doorloopende reeks met verschillende
namen: Boulevard de la Madeleine, des Capucines, des Italiens en
Montmartre, en deze boulevards vormen een der hoofdaderen van Parijs.
Hier bevindt men zich temidden van het gewemel van automobielen,
omnibussen, huurrijtuigen, equipages en een onophoudelijken
menschenstroom.
Later werden ook daar, waar oorspronkelijk geen vestingwallen waren,
boulevards aangelegd; onder Lodewijk XIV en diens opvolgers nam Parijs
aan grootte en luister toe, en ten tijde van Napoleon I was het ’t hart
van het machtigste rijk ter wereld. Na den val van Napoleon werd het
tweemaal door Frankrijk’s vijanden veroverd. Napoleon III verfraaide en
verbeterde de stad, als nooit te voren geschied was. In 1871 namen de
Duitschers Parijs in, en in hetzelfde jaar werd het door de oproerige
benden der Commune bezet. Het gepeupel verwoestte tal van prachtige
paleizen, musea en gedenkteekenen. Ook de reusachtige Vendôme-zuil, een
herinnering aan Napoleon’s overwinningen werd bij deze gelegenheid
omvergehaald.
Sedert dien tijd is Parijs voor verwoestingen gespaard gebleven. Maar
nog steeds gaat het levendig toe in die stad, waar koningen, keizers en
presidenten elkaar afwisselen en waar ministers nooit langen tijd
achtereen hun post behouden. Nog heden is Parijs de stad der
verrassingen, en dagelijks volgt de geheele wereld met gespannen
aandacht de nieuwtjes die van daaruit bericht worden.
We moeten ons met een snelle wandeling door Parijs tevreden stellen. We
kiezen daarvoor den noordelijken oever der Seine en doorkruisen de stad
van het zuidoosten naar het noordwesten. We beginnen onze wandeling
waar eertijds de Bastille, tegelijk vesting en staatsgevangenis, stond.
Deze werd bij het begin der groote revolutie den 14den Juli 1789
bestormd en verwoest en sedert is die dag de nationale feestdag der
Franschen gebleven. Tegenwoordig verheft zich in het midden van het
plein de Juli-kolom, opgericht ter eere van hen die in de
Juli-revolutie van 1830 op de barricade gevallen zijn.
Van hieruit volgen we de Rue de Rivoli, een der grootste en mooiste
straten van Parijs. Links is het stadhuis, een grootsch bouwwerk in
renaissance-stijl, in welks prachtige zalen schitterende feesten
gehouden worden. Het bevat vele schilderstukken van beroemde meesters.
Iets verder verheft zich het grootste openbare gebouw van de stad, het
Louvre, van de middeleeuwen af, tot aan de dagen van Napoleon III, de
residentie van Frankrijk’s koningen en keizers, het schitterendste
paleis der wereld; tegenwoordig bevat het twee groote ministeriën en
een der grootste musea. Om alles wat het bevat nauwkeurig te bezien,
heeft men, evenals in het Britsch museum, dagen en weken noodig, zoo
niet maanden en jaren! Kolossale verzamelingen zijn hier opgehoopt,
niet slechts herinneringen aan de groote rijken der oudheid, van Azië
en Europa, maar ook het beste en kostbaarste wat Europa door alle
tijden heen aan kunst heeft opgeleverd.
In noordwestelijke richting gaan we door het park der Tuilerieën, en
vertoeven een oogenblik op de Place de la Concorde, om te genieten van
het prachtige uitzicht dat men hier naar alle kanten heeft, de rivier
met haar kaden en bruggen, de parken en lanen, de machtige gebouwen,
wonderen van bouwkunst, de talrijke pleinen en de onafgebroken stroom
van levenslustige mannen en elegante vrouwen, die naar de laatste mode
gekleed zijn.
In dit deel van Parijs vormen de pleinen, plantsoenen en parken een
onafgebroken reeks.
Van de Place de la Concorde komen we thans in de Champs Elysées, een
twee kilometer lange allée. Op de breede paden verzamelt zich de
voorname wereld in schitterende equipages en prachtige automobielen, te
paard of te voet. Des avonds zijn al deze pleinen, straten en parken
schitterend electrisch verlicht, zoodat ook dan het oog overal door
prachtige vergezichten geboeid wordt. Aan de noordzijde der Champs
Elysées woont in het Elysée-paleis de president der republiek. Den
14den Juli ontvangt hij ieder, die in het bezit is van een
visitekaartje en een rok.
Wanneer we de breede straten in noordwestelijke richting vervolgen,
komen we aan de Place de l’Etoile, waarop twaalf avenue’s of groote
straten uitkomen. Een daarvan, het vervolg der Champs Elysées is
genoemd naar het leger van Napoleon, en voert naar het Bois de
Boulogne. In het midden van de Place de l’Etoile verheft zich een
vijftig meter hooge triomfboog, opgericht ter herinnering aan de
overwinningen van den Corsicaan. Vanaf dezen triomfboog overziet men de
twaalf straten die aan den voet samenkomen; vanaf die hoogte lijkt het
gewoel daar beneden op het gekrioel in een mierenhoop.
We begeven ons thans naar de Pont d’Iéna waar tegenover, op den anderen
oever der Seine de Eiffeltoren zich driehonderd meter boven Parijs
verheft. De Eiffeltoren is het hoogste bouwwerk dat ooit door
menschenhanden werd opgericht; met zijn driehonderd meter is deze toren
ongeveer tweemaal zoo hoog als de dom te Keulen en als de hoogste
pyramide van Egypte. Op het tweede platform zijn we al meer dan honderd
meter boven de stad; maar de heuvels rondom Parijs beletten nog het
vrije uitzicht. Wanneer de lift ons echter op het derde platform
gebracht heeft, bevinden we ons op een hoogte van 276 meter boven den
grond, en in de diepte zien we de Seine met haar talrijke bruggen en we
overzien de stad met haar tallooze straten en haar 140 pleinen en
parken. Langs een trap komen we nog tot heel boven in den toren, en in
de spits straalt des nachts een licht dat zeventig kilometer ver
zichtbaar is. Alleen zij, die geen last hebben van duizeligheid kunnen
het wagen om over de borstwering naar beneden te zien, naar de pijlers
van het ijzeren gevaarte; en vooral niet wanneer het hard waait en de
groote toren merkbaar heen en weer schommelt. Men behoeft niet in een
luchtballon op te stijgen om Parijs in vogelvlucht te zien; vanaf den
Eiffeltoren ziet men de geheele stad als een uitgerolde kaart aan zijn
voeten liggen.