28. IN LONDEN’S ARMENWIJK.

Wat is het leven toch rijk aan scherpe tegenstellingen en aan ten hemel

schreiend onrecht! Op een afstand van ternauwernood een half uur van al

de pracht en praal, die bij de laatste kroning in Juni 1910 in de

Westminster Abdij tentoongespreid werd, ligt de armenwijk in het

Eastland en in het zuidoostelijk deel van Londen. Begeven we ons thans

daarheen.

We hebben onze allereenvoudigste plunje aangetrokken en worden begeleid

door een vriendelijken missionaris, want het is in deze straten, waar

moorden niet tot de zeldzaamheden behooren, en waar nog heden

vreemdelingen spoorloos verdwijnen, volstrekt onveilig. Het is raadzaam

om horloge en ketting maar liever thuis te laten, en ’t is dames niet

aan te bevelen om hier haar handtaschje met geld met zich mede te

dragen!

Hoevele boeken zou men niet kunnen vol schrijven over de ontzettende

armoede van Londen! Een armoede die het hart breekt en die schande

roept over de grootste en rijkste stad der wereld. Tot zulk een ellende

als in Londen, vervallen de armen in geen enkel land op aarde, zelfs

niet in Azië! Hun leven is een onafgebroken worsteling met de meest

kwellende zorgen en het meest nijpende gebrek; met ziekte, vervuiling,

gedierte en misdaad.

Daar woont een moeder met acht kinderen in een enkel kamertje, waarvoor

ze nauwelijks de huur kan betalen. Hoe moet ze den honger van haar

kinderen stillen, wanneer haar man het grootste gedeelte van zijn

verdiensten als dokwerker verdrinkt? Jammerlijk slepen de kinderen hun

ellendig bestaan voort, en wanneer er een sterft, blijft het liggen,

totdat het noodige geld voor een begrafenis bijeengebracht is.

Overleven ze de kinderjaren, dan groeien ze op tot straatslijpers en

vagebonden, die voor niets anders deugen dan voor bedelaars.

Roerend, en tegelijk ergerlijk is de aanblik dier kleinen, zoo als ze,

in lompen gehuld, in de nauwe, stinkende sloppen te midden van allerlei

afval, stoeien en spelen. Dat is hun zomervermaak, en van de vrije

natuur hebben ze niet eens een voorstelling! Ze zijn aan deze straten

in het Eastland gehecht, en zouden niet eens van woonplaats willen

wisselen! ’t Is nu immers zomer, en dan heeft men ’t tenminste op

straat niet koud!

Onze leidsman brengt ons naar een wijk waar de stegen zoo nauw zijn,

dat twee personen elkaar nauwelijks kunnen passeeren. Hier heeft de

missionaris veel goeds verricht. De zending heeft hier een eigen

vergaderlokaal, kerk en club, en ’t is weldadig om te zien hoe graag de

arme kinderen hier heen gaan. Een ruim gymnastieklokaal en een kleine

bibliotheek staan hun ter beschikking, en zelfs hebben ze een

padvindersclub georganiseerd die achttien leden telt. Op het dak van

een huis hebben ze een ruim terrein voor voetbal en andere spelen.

Zulk een zending, een zoogenaamd „Settlement” of kolonie vindt men in

de armste wijken van het Eastland. Barmhartige Samaritanen, uit de

welgestelde klassen van Londen, offeren een deel van hun tijd op om

hier met de armen om te gaan en hun met raad en daad bij te staan.

Ze zijn in zekeren zin het zout dat het bederf tegen gaat. Ze redden

velen van het verderf en vormen hen tot fatsoenlijke burgers. Hoe groot

is echter het getal van hen, die in dien poel van jammer en misdaad

reddeloos ten onder gaan!

Nu voert onze leidsman ons in een arbeiderswoning, die niet eens tot de

slechtste behoort; men gaat vanuit de straat twee treden af in een

ellendig klein kelderhol. De enkele meubels zien er zoo vervallen uit,

dat het schijnt, alsof ze zich nog slechts met moeite staande houden.

Aan een ronde tafel in ’t midden zit baas Higgins, met zijn moeder en

zijn vrouw voor een karig middageten; het vertrek is klein en bedompt,

en geen frissche lucht komt van de straat uit naar binnen. Hoe zal ’t

hier dan ’s winters wel wezen, wanneer de beruchte Londensche mist zoo

dik is, dat ’s middags een stikdonkere duisternis heerscht en op de

rijk verlichte breede straten de electrische lampen aan de overzijde

nauwelijks te zien zijn!

Maar baas Higgins is tenminste nog een goede kerel. Hij is juist

thuisgekomen van zijn werk: het bouwen van een brug, en hij heeft ’t

nog zóó warm, dat de hitte van zijn lichaam afslaat als hij te midden

der zijnen in zijn hemdsmouwen aan tafel zit. Hij heeft reeds volwassen

zoons, die zelf verdienen en hij vertelt ons wat hij wekelijks

verdient, en wat hij noodig heeft voor huur en levensmiddelen.

Reeds bij de oudste staatsregeling heeft elke Engelschman het recht

„niet te verhongeren” en een uitstekende Armenzorg van staats- en

gemeentewege was het gevolg. Maar, nog ontbreekt het hier aan wetten,

die inplaats van de armoede te lenigen, die weten te voorkomen.

Tijdens een bezoek aan Londen was ik op zekeren avond als gast bij een

feestmaal van het gilde der zijdehandelaars. Dit gilde is een der

oudste van Londen en bestaat reeds acht eeuwen; hoewel tegenwoordig

geen der leden meer zijdehandelaar is. Lid kan evenwel lang niet

iedereen worden, het is een eer die van vader op zoon overgedragen

wordt. Door giften en legaten beschikt het gilde over ontzaglijke

sommen, waarvan de rente in zijn geheel voor liefdadige doeleinden

gebruikt wordt. Het gildehuis in Londen is een heel oud gebouw, van

middeleeuwsche pracht; men vindt hier de prachtigste bekers, kannen en

schotels, die alle eeuwen oud zijn. Wel twee duizend huizen in Londen

zijn het eigendom van het gilde en tal van scholen worden geheel door

het gilde bekostigd; ook worden alle ziekenhuizen uit de kas met ruime

giften gesteund.

Toen ik later met een kennis langs de Theems naar huis ging, waren de

banken dicht bezet met tal van kerels in lompen en nachtelijke

zwervers. De meeste zaten in elkaar gebogen, de handen in de zakken en

het hoofd op de borst gezonken. Enkelen zaten met elkaar te praten,

terwijl ze hun pijp rookten. Een oude man had een plaats gevonden dicht

bij een lantaarnpaal, en las de courant.

„Wat zijn dat voor menschen?”

„De dakloozen,” antwoordde mijn geleider.

„Slapen ze hier den geheelen nacht?”

„Neen, ze wachten tot twee uur, dan deelt het Leger des Heils daarginds

onder de brug warme soep en brood uit.”

„En na het eten?”

„Dan zitten ze weer in doffe onverschilligheid op de banken, of ze

zwerven door de stad heen om te bedelen of te stelen. ’s Morgens zien

ze weer op de een of andere manier aan een gratis maal te komen.”

„Wat doen ze dan overdag?”

„Dan liggen ze in de parken te slapen; ’s nachts worden ze daar door de

politie niet geduld.”

„Maar waarom werken ze dan niet?”

„Ze willen niet! Van al deze kerels hier kon ieder gemakkelijk zijn

dertig stuivers per dag verdienen, een slaapgelegenheid bekostigen, en

onafhankelijk leven, maar ze willen niet. Probeer ’t: verschaf hun

werk, biedt hun dertig stuivers dagloon aan! Niet een enkele zou van uw

aanbod gebruik maken! Ze willen veel liever bedelen, in de parken

slapen en de gemeente tot last zijn.”

„Is hun aantal groot?”

„Veertig duizend—maar, laat ons dat niet vergeten, onder de

aanzienlijken en onder den adel zijn minstens evenveel dagdieven en

deugnieten te vinden! Van hen heeft men het recht te verwachten, dat ze

zich voor hun land nuttig maken. Hij, die des nachts moet rondzwerven,

is wel meer te beklagen dan te veroordeelen.”

Van pool tot pool(#76913) · 第 34 / 75 题