Men kan twee dagen in het Britsch Museum, wel het grootste der wereld,
doorgebracht hebben, zonder nog zelfs een oppervlakkig overzicht te
hebben van de schatten die het bevat! Onder sfinxen en granieten
beelden die 6000 jaar oud zijn, wordt men verplaatst in het grijze
verleden. Hier staat een doodkist waarin voor 5500 jaar een Egyptische
koning ter ruste gelegd werd; hij was de stichter van tal van prachtige
graven bij Caïro; en in de Ninivé-zaal staan we vol bewondering voor
oude oorkonden en brieven die in spijkerschrift op leemen tabletten
gegrift zijn.
Uit de dagen van Sanherig en Sardanapalus, 700 en 600 v. Chr., stamt
het Babylonisch-Assyrische verhaal van Schepping en Zondvloed, dat
zooveel overeenkomst vertoont met de bijbelsche voorstelling. De goden,
zoo heet het, besloten een vloed over de aarde te zenden, waarin alles
zou verdrinken. Slechts aan Sit-Napistim, den Babylonischen Noach, werd
bevolen een schip te bouwen dat voor hem, zijn familie en zijn
huisdieren zou dienen als een veilige wijkplaats. Toen steeg de vloed,
en bedekte de gansche aarde, en toen het schip, nadat het water weer
gevallen was, op den berg Nizir landde, werden op den zevenden dag een
duif, een zwaluw en een raaf losgelaten om op verkenning uit te
gaan.—Deze sage is tot ons gekomen door de bibliotheek te Ninivé, die
door Sardanapalus werd uitgebreid.
Welk een gevoel van eerbied vervult ons, wanneer we staan voor het
beeld van Ramses II. Hij was de Pharao die de kinderen Israëls
onderdrukte! Wanneer we dan de Romeinsche zalen betreden, en we het oog
vestigen op de buste van Caesar, dan hebben we het gevoel, weer op
historischen bodem te staan, en wanneer we dan in de bibliotheek van
George III (King’s Library) een bijbel uit het jaar 1455 aanschouwen,
de eerste die uit Gutenberg’s eigen drukkerij te Mainz kwam, dan meenen
we al zeer nabij den tegenwoordigen tijd te zijn.
De handschriftenverzameling van het Britsch Museum omvat een menigte
gedenkwaardige brieven uit de geschiedenis van Engeland. Zoo kunnen we
hier het eigenhandig, door Nelson geschreven, plan voor den zeeslag van
Trafalgar lezen, alsook de laatste bladzijden uit het dagboek van
Gordon, den held van Karthoem, met wien we nog nader zullen
kennismaken.
De bibliotheek van het Britsch Museum omvat twee-en-een-half millioen
banden die, naast elkaar gezet, een rij van zeventig kilometer lengte
zouden vormen. En onze bewondering voor deze menigte van boeken stijgt
nog wanneer we denken aan de scherpzinnigheid der navorschers, die er
in geslaagd zijn om uit al deze gegevens schatten van wijsheid te
putten, aangaande de geschiedenis van volkeren, die reeds tal van
eeuwen tot het verleden behooren.
Niet minder dan deze verzamelplaats van historische herinneringen trof
mij de levende getuige van een grijs verleden, die tot aan zijn dood op
een buitenplaats buiten Londen woonde, en dien ik eens bezocht, in
gezelschap van den overste Younghusband, die jaren geleden de
Engelsch-Indische expeditie naar Lhassa in Thibet leidde. Toen we
aanbelden, kwam de statige grijsaard zelf om ons te ontvangen. Hij was
toendertijd vijf-en-negentig jaar oud en heette Sir Joseph Hooker.
Eertijds directeur van den grooten Londenschen plantentuin, zat hij nog
op het eind van zijn leven over zijn microscoop gebogen, en schreef
geleerde verhandelingen over het leven der planten! Reeds twintig jaren
voor mijn geboorte was hij tot aan de grenzen van Thibet doorgedrongen,
en ook van zijn reis naar de Zuidelijke IJszee vertelde hij met groote
levendigheid! Hij was in 1839 scheepsdokter bij de Zuidpool expeditie
van James Rosz. Twee-en-zeventig jaren waren er sedert voorbij gegaan,
en men kan zich nauwelijks voorstellen, dat er nog persoonlijke
herinneringen bewaard konden blijven uit een tijd, die zoo ver in ’t
verleden lag.
„Is ’t mogelijk, dat u zich alles nog kunt herinneren, wat op dien
tocht voorviel?” vroeg ik.
„Zeker,” antwoordde Hooker, „ik kan me dien tocht beter voor den geest
terugbrengen, dan de gebeurtenissen van het vorige jaar.”
En toen beschreef hij ons hoe de ligging van het ijs was, en hoe hij en
zijn tochtgenooten aan boord leefden. Ook sprak hij met warmte over
dien grooten baanbreker der nieuwere natuurwetenschap, zijn vriend
Charles Darwin.