Weer rijden we langs het dek van Hydepark, maar ditmaal slaat onze
automobiel bij Piccadilly rechtsaf, voert ons langs het
Buckingham-paleis, waar de koning verblijf houdt; en laat vervolgens
een rij groote gebouwen, waarin de ministeries gevestigd zijn, links
liggen. Rechts verheft zich de beroemde Westminster-Abdij, waar
Engeland’s koningen gekroond worden en waar de grootste mannen en
helden van Brittannië in hun graven sluimeren. Naast de Kathedraal
verheft zich het reusachtige parlementsgebouw, in welks prachtige zalen
het Engelsche Hooger- en Lagerhuis zitting houden en waar over het wel
en wee van het Britsche rijk beraadslaagd wordt.
Met zijn languitgestrekten gevel en zijn torens weerspiegelt zich het
Parlementsgebouw in het water van de Theems, evenals het vlak
daartegenover liggend St. Thomas-hospitaal. De verbinding tusschen de
beide oevers wordt gevormd door de Westminsterbrug. Hier begeven we ons
op een rivierbootje, waarmee we stroomafwaarts, en tóch tegen den
stroom opvaren! Want het is bijna twaalf uur en de vloed komt van uit
zee opzetten. Ontelbare vrachtschepen maken daarvan gebruik, om
zoodoende gemakkelijk van uit zee Londen te bereiken.
We varen onder een spoorbrug door. Links op de kade verheft zich de
„Naald van Cleopatra,” een Egyptische obelisk: en iets verder
stroomafwaarts zien we de steenen muren van eenige reuzen-hotels.
Achter de Waterloo-brug wordt de hooge, heerlijke koepel der St.
Pauls-kathedraal zichtbaar. Blackfriars-brug, de brug der „Zwarte
broeders” en een spoorbrug liggen zóó dicht naast elkaar, dat de
afstand tusschen die beide nauwelijks twintig meter bedraagt. De
rechteroever wordt ingenomen door fabrieken en eenvoudige woonhuizen.
Nu gaan we onder drie bruggen door, die eveneens vlak naast elkaar
liggen. De derde heet „London Bridge”, en is een der hoofdaderen van
het verkeer. Voortdurend wordt het oog door iets nieuws geboeid. Ginds
ligt de „Tower” een der beroemdste overblijfselen uit vroegere eeuwen,
een overoude vesting en staatsgevangenis, een gebouw, welks
geschiedenis ten nauwste met die van Engeland verbonden is. In den
„Tower” worden tegenwoordig, behalve andere kostbaarheden, de
kroonjuweelen en de uiterlijke kenteekenen der koninklijke macht
bewaard, ter waarde van ongeveer zestig millioen gulden.
Op twee, midden in den stroom gebouwde torens, rust de „Tower-brug”.
Het middelste gedeelte bestaat uit twee boven elkaar liggende bruggen,
zoodat ook schepen met hooge masten er onder door kunnen varen, terwijl
voor de voetgangers in de beide torens liften zijn aangebracht waarmede
zij op de bovenste brug worden gebracht en niet behoeven te wachten. De
grootste stoomschepen varen evenwel niet zoo ver stroomopwaarts. De
schepen met bestemming voor Amerika verlaten Engeland van uit
Liverpool, Southampton en Bristol, terwijl de Australische, die we in
Bombay en Colombo zagen, veel dichter bij de Theemsmonding ankeren.
Wanneer we de Towerbrug voorbij zijn, bieden de oevers weinig
belangrijks meer. Dokken, fabrieken, stapelplaatsen, werven, kranen,
nemen de plaats in van beroemde gebouwen. Aan weerszijden liggen
tallooze kleine stoombootjes, zeilschepen en roeibooten. We komen
machtige stoomschepen uit alle werelddeelen tegen. Nu varen we juist
over een tunnel heen, die onder den stroom door gegraven is. Rechts
ligt de Electrische Centrale, vanwaar uit alle electrische trams van
Londen hun beweegkracht ontvangen, een reuzen-installatie, want de
trams doorsnijden Londen in alle richtingen.
Eindelijk bereiken we Greenwich, met de wereldberoemde sterrenwacht,
wier meridiaan in nagenoeg alle landen als „nulmeridiaan” aangenomen
is. Op de meeste land- en zeekaarten wordt de ooster- en westerlengte
van deze meridiaan uit berekend.
We bevinden ons thans op den rechteroever van de Theems. Om op den
linkeroever te komen, gaan we met een omnibus door de Blackwell-tunnel
onder de rivier door. Deze tunnel is gebouwd van cement, en lijkt op
een buis met twee trottoirs en een rijweg in ’t midden. De lengte
bedraagt twee kilometer, de echo wordt dreunend door de wanden
weerkaatst: boven ons hoofd doorploegen de schepen de rivier.
Tenslotte zoeken we, om weer in ons hotel terug te komen, een der
ondergrondsche spoorwegen op, die in alle richtingen Londen
doorkruisen, evenals de gangen van reusachtige mollen. In doorsnede
bevinden ze zich op een diepte van twintig meter, sommigen zelfs van
vijftig meter. Men kan daarmee goedkoop en snel van het eene eind van
de stad naar het andere komen, maar men mist natuurlijk het
belangwekkende schouwspel, dat het bonte gewoel daarboven in het
daglicht oplevert.