Ons schip vaart de breede, trechtervormige uitmonding der Theems
binnen, en landt in de haven van Queensborough. Hier nemen we weer
plaats in den spoortrein, die ons in korten tijd door een dichtbevolkte
landstreek naar het hartje van Londen brengt. Reeds op weg naar het
hotel, krijgt men een indruk van de woelige drukte van Engeland’s
hoofdstad, die tweemaal zoo groot is als Berlijn, en met haar bijna
vijf millioen inwoners het zevende deel der gezamenlijke bevolking van
Engeland en Wales herbergt.
Welke keus zullen we nu doen uit deze onuitputtelijke zee van
bezienswaardigheden? Men verdrinkt in die menigte musea,
kunstverzamelingen, theaters en kerken! Er zijn dorpen, die slechts uit
één enkele straat bestaan. Wanneer men de 8000 straten die Londen telt,
aan elkaar zou kunnen voegen, dan zou die reuzenstraat zich door geheel
Europa, West-Azië, tot aan Samarkand in Turkestan uitstrekken! Maar,
gelukkig, zóó lang zijn de Londensche straten niet; ze vormen één groot
net, ze eindigen aan de Theems of in uitgestrekte parken en
wereldberoemde pleinen. En op al deze straten en pleinen wemelt en
krioelt het van voetgangers en voertuigen; maar het drukste verkeer
vindt men in Piccadilly, de drukste straat der wereld!
Reeds na twee dagen komen we tot de overtuiging, dat onze zwakke
krachten het tegenover de onafzienbare menigte bezienswaardigheden van
Londen moeten afleggen, we willen ons dus willoos door het toeval laten
leiden. Wanneer men bezoeken moet afleggen bij vrienden en bekenden,
dan raadpleegt men eerst den plattegrond om op de snelste en
goedkoopste manier te komen waar men moet wezen, en men zorgt er voor
vooraf te informeeren, wanneer de familie thuis is om bezoek af te
wachten.
Men kan hun geen grooter genoegen doen dan door juist op een ontvangdag
te komen, en het gewoel in de salons en om de theetafel te helpen
vergrooten. Want het staat deftig om zooveel mogelijk bezoek te
ontvangen. Maar, om bezoek te ontvangen moet de gastvrouw zich
beijveren om gedurende de overige dagen der week zelve bezoeken af te
leggen. Het gevolg hiervan is een rusteloos rondrijden in equipage of
automobiel; en nauwelijks tehuis gekomen, moet ze snel voor een diner
toilet maken. In Engeland is het warme jaargetijde gewijd aan het
maatschappelijk verkeer, hoewel ik persoonlijk in dit opzicht tusschen
winter en zomer volstrekt geen onderscheid opgemerkt heb. Want ook ’s
winters betoonen de Engelschen den vreemdeling dezelfde gastvrijheid.
Wanneer men een indruk wil krijgen van het straatgewoel, dan moet men
bovenop een omnibus plaats nemen; van daar uit heeft men naar alle
kanten vrij uitzicht. Wij bestijgen dus een „bus” in Kensington, de
wijk waarin ons hotel ligt, in de onmiddellijke nabijheid van twee der
rijkste musea van Londen voor kunsten en wetenschappen. Eerst gaat ’t
langs het prachtige Hydepark, een heerlijke oase temidden van de
huizenwoestijn. Het park wordt doorsneden door breede, schaduwrijke
wegen; hier praalt de voorname wereld met schitterende equipages,
kostbare toiletten en rijk uitgedoste livreien. Wanneer men ’s zomers
zucht van de hitte, dan vindt men hier een verkwikkende koelte; zwarte
zwanen zwemmen statig rond in den langwerpigen vijver, waarin ieder mag
baden, zonder dat hij daarvoor een cent hoeft te betalen. Maar de
prachtige gazons zien er uit alsof er zoo juist een groote
volksbijeenkomst is gehouden; hier rusten de dakloozen, want overdag
mogen ze in de openbare parken gaan liggen en slapen, maar des nachts
worden ze er door de politie verdreven!
Langzaam beweegt zich nu onze omnibus door het gewoel van Piccadilly.
Zooeven hadden we nog het Hydepark links, en reeds spreidt het St.
James-park zijn boomenpracht rechts van ons ten toon. Links van ons
hebben we Londen’s grauwe, eindelooze huizenzee. Maar spoedig zijn we
het park voorbij, en nu hebben we aan weerszijden de huizen van
Piccadilly. Men houdt bij het rijden links, daardoor ontstaat een
dubbele stroom van voertuigen in de tamelijk smalle straat. Vanaf het
imperiaal van den omnibus heeft men een uitstekend uitzicht op dien
gestadig voortbruisenden verkeersstroom.
Voor en achter ons, zoover de blik reikt, ziet men de honderden van
voertuigen als eindelooze, naast elkaar rijdende treinen, een bonte
aaneenschakeling van passagiers- en goederenwagens. De omnibussen
alleen zijn honderden in getal, groote, zware, roodgeverfde monsters,
deels door motoren, deels door paarden voortbewogen; aan de zijkanten
altoos met reclameborden bedekt. Op het imperiaal zitten de heeren met
hun hooge hoeden, onder het rooken van een pijp, hun courant te lezen,
terwijl de dames onder haar groote hoeden schuil gaan. Van het
plaveisel is nauwelijks iets te zien. Want tusschen de omnibussen
verdringen zich nog automobielen, vierwielige huurrijtuigen,
reclamewagens, hooge tweewielige hansoms en vrachtwagens, en
daartusschen weer kleine karren beladen met bananen en sinaasappels.
Hier en daar dringt zich ook nog een wielrijder tusschen het
levensgevaarlijke gewoel. De andere helft der straat biedt hetzelfde
schouwspel. Slechts beweegt zich hier de stroom in tegenovergestelde
richting. Onafgebroken klinkt het getoeter der automobielen en het
knallen der zweepen: al die geluiden der wereldstad, vermengd met het
paardengetrappel, het menschengedruisch, het roepen der
courantenventers, enz. smelt samen tot een zoemend gebrom, dat ons
onophoudelijk in de ooren klinkt.
Van tijd tot tijd ziet men kleine jongens, die snel den paardenmest
opvegen en wegdragen. Vlug en handig wippen ze door het ergste gedrang
heen; en ’t mag wel een wonder heeten, dat ze het er altijd heelhuids
afbrengen!
Langzaam, langzaam gaat ’t verder. Ineens staat de geheele stoet stil;
een politieagent heeft zijn hand in de hoogte gestoken; wee den
koetsier of chauffeur die bij dit teeken niet onmiddellijk zou
stilhouden! De politieagent en zijn kameraad, aan den anderen kant van
de straat, hebben het verkeer een oogenblik stop gezet om een rij
voertuigen uit een dwarsstraat gelegenheid te geven Piccadilly over te
steken; ze rijden ons nu voorbij, maar over eenige minuten brengen
andere agenten het verkeer in de zijstraat tot stilstand en wij kunnen
onzen weg weer vervolgen, totdat we aan een ander kruispunt weer moeten
wachten. Men heeft zoodoende bij een rit door Londen’s straten heel wat
geduld noodig, want van snel vooruit komen, kan bij al die drukte, geen
sprake wezen.
Eindelijk eindigt Piccadilly in een klein rond plein, waarop van alle
kanten straten uitkomen. Hier is het gewemel van voertuigen en
voetgangers werkelijk angstwekkend! De onvermoeide politie leidt echter
rustig het verkeer, en wordt ook gewillig gehoorzaamd. De politie van
Londen is de vriend en beschermer van het publiek, zoo komt het, dat er
overal voorbeeldige orde heerscht.
Nu buigt onze omnibus naar rechts af, en brengt ons door een korte,
maar belangrijke straat naar Trafalgar-Square, een der mooiste en
levendigste pleinen van Londen. In het midden verheft zich een 44 meter
hooge zuil, bekroond door het standbeeld van den zeeheld Nelson. Het
plein ontleent zijn naam aan het voorgebergte Trafalgar in Spanje, aan
de kust van den Atlantischen Oceaan, in de buurt van Gibraltar. Daar
behaalde Nelson in 1805 de overwinning op de vloot van Napoleon, en
verijdelde zoodoende het plan van den keizer, om met zijn troepen een
inval in Engeland te doen. Nelson zelf vond in dezen bloedigen slag den
dood. Op de zuil staan zijn beroemde woorden gebeiteld: „Engeland
verwacht dat elkeen zijn plicht zal doen!”
De omnibus rolt dreunend verder oostwaarts door eindelooze straten met
winkels en kantoren. Beneden ons krioelt het als in een mierenhoop.
Iedereen heeft haast. Men spoedt zich naar het station, naar kantoor,
winkel, of bank zonder zijn aandacht te schenken aan die oude huizen,
gevels of fonteinen die de herinnering wakker roepen aan lang vervlogen
tijden. „Zaken” dat is het wachtwoord in de City, de „hoofdstad van
Londen.” Hier vloeit het geld in zilveren en gouden stroomen, hier is
het brandpunt van wereld- en kolonialen handel, hier liggen naast
ontelbare bankgebouwen de paleizen der stedelijke beambten, de oude
gilde-huizen, de redactiebureaus der couranten. Hier verheft zich ook
de prachtige, en op twee na de grootste kerk der christenheid, de St.
Pauls-kathedraal, die zoo omringd is door de zee van grauwe, donkere
huizenmassa’s dat het uiterlijk nauwelijks eenigen indruk maakt; van
binnen is de kerk evenwel overweldigend en plechtig.
Een eind verderop ligt de Bank van Engeland, met zijn meer dan 1000
beambten, en zijn geldvoorraad van minstens 240 millioen gulden aan
goud en zilver. Daar het gebouw geheel zonder vensters is, ziet het er
uit als een geweldige vesting; en met dien schat, dien het bergt, is ’t
dan ook inderdaad het sterkste bolwerk van Engeland’s welvaart en
onafhankelijkheid.