24. IN HAMBURG BIJ HAGENBECK.

Verlaten we thans de dood-aanbrengende hoogere sferen, om ons weer op

vasten bodem te bewegen! Na het korte uitstapje in de geschiedenis der

Noordpooltochten willen we ons naar Engeland op weg begeven, uit de

oneindige eenzaamheid van het eeuwige ijs, der middernachtzon, en der

poolstormen naar een der brandpunten van het menschengewoel; naar de

wereldstad Londen.

Van Malmö uit, brengt ons een stoomboot over de Sond, naar het groote,

vroolijke en bedrijvige Kopenhagen. Daarna doorsnijdt de spoorweg het

rijke en vruchtbare eiland Seeland. Hier staan prachtige hoeven

tusschen vruchtbare velden, hier graast op welige weiden het

kloekgebouwde vee, waaraan Denemarken zijn overvloed van melk en boter

dankt: hier breidt zich naar alle kanten de vruchtbare bodem uit, die

geen plaats meer overlaat voor de kale zandvlakten en schrale heide,

zooals die op de westkust van Jutland voorkomen.

Denemarken is een der kleinste landen van Europa, maar de bewoners

weten van de natuurlijke hulpbronnen van hun land partij te trekken en

voordeelige handelsbetrekkingen met het buitenland aan te knoopen. Veel

uitgestrekter dan het moederland zijn echter zijn bezittingen in de

noordelijke zeeën, Groenland en IJsland; helaas zijn deze beide

eilanden echter slechts schaars bevolkt, koude en ijs zijn er de

eigenlijke heerschers. Van Korsör uit brengt ons een stoomboot tusschen

de eilanden Langeland en Laaland door, in enkele uren naar Kiel. Hier

betreden we Duitschen bodem; hier is Duitschland’s grootste

oorlogshaven.

Door het vruchtbare Holstein heen, spoeden we ons naar het Zuiden, waar

de vrije Hanzestad Hamburg aan de Elbe, de grootste havenplaats op het

vasteland van Europa, en na Londen en New-York de derde der geheele

wereld.

Wat is hier al niet te zien en te bewonderen. De enkele uren oponthoud

willen we besteden om iets te zien, dat men overal elders vergeefs zou

zoeken: Hagenbeck’s dierenpark.

Het ligt buiten de stad. Uit alle landen der wereld zijn hier wilde

dieren bijeengebracht. Maar hier verkwijnen ze niet in een sombere

gevangenschap, zooals in menagerieën en zoölogische tuinen, hier kunnen

ze zich vrij bewegen over terreinen, die naar gelang van den aard der

verschillende soorten, ingericht zijn. Over wijde zandvlakten zwerven

de dromedarissen en struisvogels der Sahara, een kunstmatig aangelegde

steppe strekt de buffels van Noord-Amerika en de antilopen en zebra’s

van Afrika tot verblijfplaats. Tusschen grillige rotsen klauteren de

lama’s der Andes, de steenbokken der Alpen en de muffeldieren uit de

gebergten van Corsika en Sardinië: de olifanten staan in een

gemeenschappelijk hok bijeen, en gaan vandaar uit aan hun arbeid in het

park.

In het Poollandschap dartelen walrussen en robben in ruime bassins, op

welker randen de pinguins komisch-gewichtig plomp rondwaggelen.

Afzonderlijke grotten en koele vijvers strekken den ijsberen tot

woonplaats; ze laten zich in ’t water neerplonzen, zwemmen snuivend in

’t rond, slaan elkaar, wanneer ze te dicht in elkaars nabijheid komen,

met de klauwen, klauteren dan op een overhangende rots om daar lui op

den rug liggend, uit te rusten, en storten zich dan weer, den kop

vooruit, in ’t water. Daarboven verheft zich een klein plateau waar een

rendierkudde graast.

Het glanspunt van Hagenbeck’s dierenpark is de leeuwenkloof. Aan drie

kanten bevinden zich steile rotswanden met grotten en kloven. Aan den

vierden kant, naar den toegang, is de kloof open, en hier staan we nu,

op een afstand van slechts enkele meters, vlak tegenover twaalf groote

leeuwen, zonder ook maar door een draadwerk van hen gescheiden te zijn!

Dat is wel buitengewoon gevaarlijk, zou men zoo zeggen. In ’t geheel

niet! De dieren zouden ons, zelfs al wilden ze, geen kwaad kunnen doen.

Dan zijn ze zeker vastgebonden? Ook dat niet! Ze zijn vrij. Eenigen

liggen languit te slapen, anderen zitten voor zich uit te staren, en

droomen van Soedan; twee springen met lenige, katachtige bewegingen de

rotsen op en af; twee Oost-Afrikaansche leeuwen zonder manen nemen

elkaar met vijandige blikken op, terwijl een Zuid-Perzische leeuw op

het plateau op den voorgrond rusteloos heen en weer loopt. Ze

verwaardigen den toeschouwer met geen enkelen blik, daarvoor zijn die

koninklijke dieren veel te trotsch; ’t is alsof ze die menschen vóór

zich in ’t geheel niet zien, en toch zijn ze slechts één sprong

afstands van hen verwijderd. Maar deze sprong zou te groot zijn! Een

gracht tusschen hen en ons is acht meter breed, en zoo ver springt een

leeuw niet! Wanneer een van die dieren op ons af zou springen, dan zou

hij tegen een gladden muur terecht komen, die zich loodrecht uit de met

water gevulde gracht verheft, en van daaruit is geen andere uitweg dan

weer naar de kloof terug.

Toen ik eens voor dat eigenaardige leeuwenhol stond, kwam een breed

geschouderde oppasser naar me toe en zei: „Wanneer u me tien stuivers

geeft, ga ik het leeuwenhol binnen!”

„Best,” zei ik, „maar op je eigen verantwoording.”

„Natuurlijk! Wacht u maar een oogenblik!”

Dadelijk daarop ging er een kleine deur in de rots open, en met kalme,

zekere schreden naderde de oppasser de twaalf woestijnkoningen. Men kon

terstond zien dat hij ze volkomen in bedwang had. De Zuid-Perzische

leeuw stiet een dof gebrul uit, maar bleef heen en weer loopen. De

slapenden openden de oogen, spitsten de ooren en verhieven zich. De

oppasser sloeg een der dieren met een rijzweep, waarop het dier lenig

op een omgevallen boomstam in de kloof sprong. Een tweede leeuw sprong

geluidloos en sierlijk over de hem voorgehouden zweep. Toen ze hun

kunsten vertoond hadden, kreeg ieder een stuk vleesch, dat de oppasser

uit zijn zak te voorschijn haalde, toen greep hij een der grootste

dieren stevig bij de manen en schudde hem duchtig heen en weer; een

ander pakte hij bij de ooren, en hield zijn gezicht tegen den kop van

den leeuw aangedrukt. Deze hoefde slechts zijn muil open te sperren om

hem het hoofd van den romp af te scheiden; maar zooals de oppasser me

later verzekerde, bij al die gevaarlijke kunststukken klopte zijn hart

geen oogenblik sneller. Hij had de leeuwen volkomen aan zich

onderworpen; hij speelde met ze, alsof het jonge katten waren, en toch

waren er twee bij, die pas zes maanden geleden gevangen waren. Toen de

oppasser de kloof verliet, liep hij achteruit, bleef op het eind een

oogenblik staan, riep op bevelenden toon een commando, en sloeg met

zijn zweep op een rotsblok, om de dieren naar den anderen kant te

verdrijven, en verdween toen snel door de deur. Klaarblijkelijk kon hij

ze toch niet blindelings vertrouwen, onverwachts kon in deze gevangenen

het roofdier ontwaken!

In de nabijheid der wilde dieren vergeet men niet alleen den tijd, maar

ook het begrip van plaats. Ik althans vertoefde daar met voorliefde.

Hun aanblik verplaatst me in de stilte der woestijn, in het zwijgen der

wouden, in de stormen der bergen, in de geheimzinnigheid van Indië’s

struikgewas. Ik denk aan karavanen en nachtelijk kampvuur, aan jachten

en gevaarvolle avonturen, en ik koester medelijden met de gevangenen,

ook al hebben ze ’t zoo goed als in Hagenbeck’s prachtig park in

Hamburg.

Maar nu voert de trein ons met razende vaart door Hannover en

Westfalen, over den statigen Rijn, en door het Zuiden van Holland.

Rechts en links zooveel nijverheid, zooveel rustelooze arbeid! Hier

kampen de Hollanders met het water, dat hen steeds met overstroomingen

bedreigt. Slechts kort zijn de afstanden tusschen de nijvere

industrie-steden. Voorbij! Onverbiddelijk voert ons de trein

westwaarts, totdat we het eindpunt, Vlissingen bereiken.

Hier wacht ons de stoomboot. Zoodra alle reizigers aan boord zijn, en

hun bagage, benevens eenige wagenladingen vrachtgoed in het ruim

geladen zijn, beginnen de raderen te werken en het schip verlaat de

haven en vaart het kanaal, tusschen het vasteland en Engeland in. Het

weer is prachtig, een zilte bries strijkt over het water, maar zonder

dat we last hebben van hooge golven. Nu en dan ontmoeten we een ander

stoomschip. Hongerige meeuwen vliegen in sierlijke kringen rondom ons.

Een voor anker liggend lichtschip laten we links achter ons liggen, en

aan denzelfden kant doemt na eenige uren de kust van het graafschap

Kent op. Engeland is in ’t zicht!

Van pool tot pool(#76913) · 第 30 / 75 题