Verlaten we thans de dood-aanbrengende hoogere sferen, om ons weer op
vasten bodem te bewegen! Na het korte uitstapje in de geschiedenis der
Noordpooltochten willen we ons naar Engeland op weg begeven, uit de
oneindige eenzaamheid van het eeuwige ijs, der middernachtzon, en der
poolstormen naar een der brandpunten van het menschengewoel; naar de
wereldstad Londen.
Van Malmö uit, brengt ons een stoomboot over de Sond, naar het groote,
vroolijke en bedrijvige Kopenhagen. Daarna doorsnijdt de spoorweg het
rijke en vruchtbare eiland Seeland. Hier staan prachtige hoeven
tusschen vruchtbare velden, hier graast op welige weiden het
kloekgebouwde vee, waaraan Denemarken zijn overvloed van melk en boter
dankt: hier breidt zich naar alle kanten de vruchtbare bodem uit, die
geen plaats meer overlaat voor de kale zandvlakten en schrale heide,
zooals die op de westkust van Jutland voorkomen.
Denemarken is een der kleinste landen van Europa, maar de bewoners
weten van de natuurlijke hulpbronnen van hun land partij te trekken en
voordeelige handelsbetrekkingen met het buitenland aan te knoopen. Veel
uitgestrekter dan het moederland zijn echter zijn bezittingen in de
noordelijke zeeën, Groenland en IJsland; helaas zijn deze beide
eilanden echter slechts schaars bevolkt, koude en ijs zijn er de
eigenlijke heerschers. Van Korsör uit brengt ons een stoomboot tusschen
de eilanden Langeland en Laaland door, in enkele uren naar Kiel. Hier
betreden we Duitschen bodem; hier is Duitschland’s grootste
oorlogshaven.
Door het vruchtbare Holstein heen, spoeden we ons naar het Zuiden, waar
de vrije Hanzestad Hamburg aan de Elbe, de grootste havenplaats op het
vasteland van Europa, en na Londen en New-York de derde der geheele
wereld.
Wat is hier al niet te zien en te bewonderen. De enkele uren oponthoud
willen we besteden om iets te zien, dat men overal elders vergeefs zou
zoeken: Hagenbeck’s dierenpark.
Het ligt buiten de stad. Uit alle landen der wereld zijn hier wilde
dieren bijeengebracht. Maar hier verkwijnen ze niet in een sombere
gevangenschap, zooals in menagerieën en zoölogische tuinen, hier kunnen
ze zich vrij bewegen over terreinen, die naar gelang van den aard der
verschillende soorten, ingericht zijn. Over wijde zandvlakten zwerven
de dromedarissen en struisvogels der Sahara, een kunstmatig aangelegde
steppe strekt de buffels van Noord-Amerika en de antilopen en zebra’s
van Afrika tot verblijfplaats. Tusschen grillige rotsen klauteren de
lama’s der Andes, de steenbokken der Alpen en de muffeldieren uit de
gebergten van Corsika en Sardinië: de olifanten staan in een
gemeenschappelijk hok bijeen, en gaan vandaar uit aan hun arbeid in het
park.
In het Poollandschap dartelen walrussen en robben in ruime bassins, op
welker randen de pinguins komisch-gewichtig plomp rondwaggelen.
Afzonderlijke grotten en koele vijvers strekken den ijsberen tot
woonplaats; ze laten zich in ’t water neerplonzen, zwemmen snuivend in
’t rond, slaan elkaar, wanneer ze te dicht in elkaars nabijheid komen,
met de klauwen, klauteren dan op een overhangende rots om daar lui op
den rug liggend, uit te rusten, en storten zich dan weer, den kop
vooruit, in ’t water. Daarboven verheft zich een klein plateau waar een
rendierkudde graast.
Het glanspunt van Hagenbeck’s dierenpark is de leeuwenkloof. Aan drie
kanten bevinden zich steile rotswanden met grotten en kloven. Aan den
vierden kant, naar den toegang, is de kloof open, en hier staan we nu,
op een afstand van slechts enkele meters, vlak tegenover twaalf groote
leeuwen, zonder ook maar door een draadwerk van hen gescheiden te zijn!
Dat is wel buitengewoon gevaarlijk, zou men zoo zeggen. In ’t geheel
niet! De dieren zouden ons, zelfs al wilden ze, geen kwaad kunnen doen.
Dan zijn ze zeker vastgebonden? Ook dat niet! Ze zijn vrij. Eenigen
liggen languit te slapen, anderen zitten voor zich uit te staren, en
droomen van Soedan; twee springen met lenige, katachtige bewegingen de
rotsen op en af; twee Oost-Afrikaansche leeuwen zonder manen nemen
elkaar met vijandige blikken op, terwijl een Zuid-Perzische leeuw op
het plateau op den voorgrond rusteloos heen en weer loopt. Ze
verwaardigen den toeschouwer met geen enkelen blik, daarvoor zijn die
koninklijke dieren veel te trotsch; ’t is alsof ze die menschen vóór
zich in ’t geheel niet zien, en toch zijn ze slechts één sprong
afstands van hen verwijderd. Maar deze sprong zou te groot zijn! Een
gracht tusschen hen en ons is acht meter breed, en zoo ver springt een
leeuw niet! Wanneer een van die dieren op ons af zou springen, dan zou
hij tegen een gladden muur terecht komen, die zich loodrecht uit de met
water gevulde gracht verheft, en van daaruit is geen andere uitweg dan
weer naar de kloof terug.
Toen ik eens voor dat eigenaardige leeuwenhol stond, kwam een breed
geschouderde oppasser naar me toe en zei: „Wanneer u me tien stuivers
geeft, ga ik het leeuwenhol binnen!”
„Best,” zei ik, „maar op je eigen verantwoording.”
„Natuurlijk! Wacht u maar een oogenblik!”
Dadelijk daarop ging er een kleine deur in de rots open, en met kalme,
zekere schreden naderde de oppasser de twaalf woestijnkoningen. Men kon
terstond zien dat hij ze volkomen in bedwang had. De Zuid-Perzische
leeuw stiet een dof gebrul uit, maar bleef heen en weer loopen. De
slapenden openden de oogen, spitsten de ooren en verhieven zich. De
oppasser sloeg een der dieren met een rijzweep, waarop het dier lenig
op een omgevallen boomstam in de kloof sprong. Een tweede leeuw sprong
geluidloos en sierlijk over de hem voorgehouden zweep. Toen ze hun
kunsten vertoond hadden, kreeg ieder een stuk vleesch, dat de oppasser
uit zijn zak te voorschijn haalde, toen greep hij een der grootste
dieren stevig bij de manen en schudde hem duchtig heen en weer; een
ander pakte hij bij de ooren, en hield zijn gezicht tegen den kop van
den leeuw aangedrukt. Deze hoefde slechts zijn muil open te sperren om
hem het hoofd van den romp af te scheiden; maar zooals de oppasser me
later verzekerde, bij al die gevaarlijke kunststukken klopte zijn hart
geen oogenblik sneller. Hij had de leeuwen volkomen aan zich
onderworpen; hij speelde met ze, alsof het jonge katten waren, en toch
waren er twee bij, die pas zes maanden geleden gevangen waren. Toen de
oppasser de kloof verliet, liep hij achteruit, bleef op het eind een
oogenblik staan, riep op bevelenden toon een commando, en sloeg met
zijn zweep op een rotsblok, om de dieren naar den anderen kant te
verdrijven, en verdween toen snel door de deur. Klaarblijkelijk kon hij
ze toch niet blindelings vertrouwen, onverwachts kon in deze gevangenen
het roofdier ontwaken!
In de nabijheid der wilde dieren vergeet men niet alleen den tijd, maar
ook het begrip van plaats. Ik althans vertoefde daar met voorliefde.
Hun aanblik verplaatst me in de stilte der woestijn, in het zwijgen der
wouden, in de stormen der bergen, in de geheimzinnigheid van Indië’s
struikgewas. Ik denk aan karavanen en nachtelijk kampvuur, aan jachten
en gevaarvolle avonturen, en ik koester medelijden met de gevangenen,
ook al hebben ze ’t zoo goed als in Hagenbeck’s prachtig park in
Hamburg.
Maar nu voert de trein ons met razende vaart door Hannover en
Westfalen, over den statigen Rijn, en door het Zuiden van Holland.
Rechts en links zooveel nijverheid, zooveel rustelooze arbeid! Hier
kampen de Hollanders met het water, dat hen steeds met overstroomingen
bedreigt. Slechts kort zijn de afstanden tusschen de nijvere
industrie-steden. Voorbij! Onverbiddelijk voert ons de trein
westwaarts, totdat we het eindpunt, Vlissingen bereiken.
Hier wacht ons de stoomboot. Zoodra alle reizigers aan boord zijn, en
hun bagage, benevens eenige wagenladingen vrachtgoed in het ruim
geladen zijn, beginnen de raderen te werken en het schip verlaat de
haven en vaart het kanaal, tusschen het vasteland en Engeland in. Het
weer is prachtig, een zilte bries strijkt over het water, maar zonder
dat we last hebben van hooge golven. Nu en dan ontmoeten we een ander
stoomschip. Hongerige meeuwen vliegen in sierlijke kringen rondom ons.
Een voor anker liggend lichtschip laten we links achter ons liggen, en
aan denzelfden kant doemt na eenige uren de kust van het graafschap
Kent op. Engeland is in ’t zicht!