Den 11den Juli 1897, een Zondag, brak aan. Reeds des morgens om drie
uur vertoonden zich bij de Hollanderkaap eenige rimpels op het effen
watervlak. Het was een lichte bries, die elk uur in kracht toenam!
Om acht uur werd de laatste post bezorgd en nog het een en ander in het
schuitje van den ballon gebracht. Andrée belegde een krijgsraad. Zijn
beide tochtgenooten, de ingenieur Fränkel en Dr. Strindberg verklaarden
zich voor de opstijging. Hij zelf sloot zich daarbij aan. Onverwijld
toog men aan ’t werk. De bemanning der kanonneerboot „Svenskund”, het
schip, dat de luchtvaarders naar het Denen-eiland gebracht had, werd
aan land gezet, en om 11 uur begon men met het afbreken van de loods.
Reeds was een groot gedeelte van de voorzijde weggenomen. Aan de
windzijde werd zeildoek gespannen om eenige beschutting voor den wind
te vormen. Uitstekende balken werden met een dikke laag vilt omwikkeld,
zoodat ze bij het slingeren van den ballon geen gaten in het omhulsel
konden boren.
Gedurende de eerstvolgende uren heerschte er een koortsachtige
opgewondenheid. Iedereen deed zijn uiterste best. Aan alle kanten
weerklonk het kraken en dreunen van planken, die losgebroken werden.
Men repte zich, als gold het een brand te blusschen. Door een
scheepsroeper deelde Andrée met de stem van een godheid zijn bevelen
uit; aan ieder moest hij zijn bijzondere bevelen geven en naar alle
kanten moest hij zijn opmerkzaamheid richten. Intusschen daalden, van
de hooge berghellingen achter de loods, zware wolken neer.
Reeds rukte de ballon ongeduldig aan de touwen, en vaak werden reeds
alle zandzakken van den bodem opgelicht. Nu werd hij een weinig gevierd
om de gondel met de zes draagtouwen aan den ring te kunnen bevestigen.
De kooien met de duiven werden in de gondel gezet en de zandzakken voor
een groot deel verwijderd. De ballon werd nu alleen nog maar
vastgehouden door drie bundels ballastzakken, waarvan de luchtschippers
op het laatste oogenblik de touwen zouden doorkappen, en door drie
dikke kabels die om eenige balken op den grond heengeslagen waren. Bij
elken kabel stond een matroos met een bijl. Twee dozijn zakken met zand
werden als ballast ingeladen.
„Alles klaar!”
Andrée dankt allen, die hem geholpen hebben, en neemt haastig van ieder
afzonderlijk afscheid. Zonder veel woorden drukt men elkaar stevig de
hand. Wanneer de laatste oogenblikken maar eerst voorbij waren, wenscht
ieder in stilte. Een onvergetelijk schouwspel moet deze opstijging
opgeleverd hebben.
Dan doopt Andrée den ballon met den naam „Ornen” (Adelaar) en hij
springt in de gondel waar Fränkel en Strindberg reeds onder de
Zweedsche vlag hebben plaats genomen. Met blanke messen in de handen
staan ze daar, en met één enkele snede kappen ze de touwen der
ballastzakken!
Een rustig oogenblik wordt afgewacht. Er heerscht een diepe stilte. Men
waagt het nauwelijks te fluisteren, slechts het suizen van den wind in
de bijna ledige loods is hoorbaar. De drie helden leunen tegen den rand
van de gondel. Andrée bewaart een onverstoorbare kalmte; geen spoor van
aandoening is op zijn gelaat te bekennen. Om halfdrie klinkt zijn stem:
„Kappen—een, twee, drie!”
Op hetzelfde oogenblik springen de kabels los, en statig verheft zich
de „Adelaar” uit zijn nest!
„Leve Andrée!” klinkt het daar beneden.
„Groet Zweden van mij!” roept hij met luider stem, terwijl hij zich
over den rand van de gondel heenbuigt; met de sleeptouwen die een spoor
van schuim in het water achter laten, als het zog van een stoomschip,
zweefde de „Adelaar” in noordoostelijke richting over de Hollanderkaap
heen. Voordat hij die achter zich had, daalde hij bedenkelijk, wellicht
door een sterken luchtstroom naar beneden gedrukt. De gondel kwam zelfs
in het water, maar sprong toen weer in de hoogte. Negen zandzakken
moesten uitgeworpen worden om te beletten dat de „Adelaar” tegen de
klippen zou stooten. Daarmede gingen tweehonderd kilogram ballast
overboord!
Nog ernstiger was, dat bij het opstijgen een groot stuk der sleeptouwen
scheurde. Daarmee ging meer dan een halve ton ballast verloren! Het
geheele fundament, waarop Andrée zijn plannen gebouwd had, scheen
vernietigd! Hij was niet meer door de sleeptouwen in aanraking met de
aarde, maar zweefde als een speelbal der winden, vrij in de lucht!
De „Adelaar” verhief zich dan ook tot een hoogte van ongeveer
zevenhonderd meter. Een tijd lang werd hij door een wolk aan het
gezicht onttrokken, maar weldra kwam hij weer te voorschijn. Na verloop
van een uur verdween hij achter de rotsige eilanden in het Noordoosten,
in de wijde eenzaamheid der poolzeeën—voor altijd.
Zwijgend en ernstig begaven zich de helpers der drie helden weer aan
boord van de „Svensksund”.—