21. VOOR DE OPSTIJGING.

Toen het plan van Andrée’s tocht wereldkundig werd, schoten natuurlijk

overal de ongeluksprofeten als paddestoelen uit den grond op. In het

buitenland had men niets dan scherpe woorden, en sprak men van

onzinnige waaghalzerij. Andrée kon zelf toch wel begrijpen, dat de

zeevogels daar in het hooge Noorden het omhulsel van zijn ballon met

hun snavels zouden doorboren, dat hij en zijn tochtgenooten, wanneer ze

over het bewoonde land heenzweefden door de bewoners met pijlen

doorschoten zouden worden, en dat ze, indien ze al de Noordpool

bereikten, daar immers toch van koude zouden omkomen! Sneeuw en ijs

zouden door hun gewicht het gevaarte omlaag drukken, de sleeptouwen

zouden tusschen de ijsschotsen verward raken, vastvriezen en zoodoende

den ballon onbeweeglijk vasthouden.

Alleen in Zweden veroorzaakte het plan eerst verbazing, voorts

bewondering, en eindelijk geestdrift! Maar—waar zou het geld vandaan

komen? Er waren voor de verwezenlijking van het plan 130.000 Kronen

noodig. Alfred Nobel bood aan de helft der kosten voor zijn rekening te

nemen. Koning Oscar, die alles wat met ontdekkingsreizen in verband

stond met milde hand steunde, schonk het vierde gedeelte, en de rest

werd door anderen bijeengebracht.

Toen alles in gereedheid was, reisde Andrée naar Spitsbergen. Op het

Denen-eiland werd een reusachtige loods gebouwd om den ballon tijdens

de vulling te beschutten. Op het einde van Juli 1896 was de vulling

afgeloopen, en nu wachtte men slechts op den zuidenwind.

Maar de wind kwam voortdurend uit het Noorden of uit het Westen. Weken

verliepen. Mist en sneeuw maakten de vooruitzichten nog ongunstiger.

Het wachten was vergeefs—de gunstige wind kwam niet.

Ten Noorden der Denen-eilanden ligt het Amsterdam-eiland, dat naar het

Oosten in een vlakke landtong, de Hollanderkaap, uitsteekt. Hier kwam

den 14den Augustus een merkwaardig schip voor anker. Andrée en

verscheidene andere Zweden voeren er in hun stoomsloep heen. Het was de

„Fram”, eerst enkele dagen geleden, uit een driejarige gevangenschap in

het poolijs, bevrijd!

„Zou ik Nansen kunnen spreken?” vroeg Andrée, nadat hij Sverdrup en

zijn metgezellen begroet had.

„Wat, is Nansen dan nog niet terug?” riepen de Noren.

„Neen, maar waarom is hij niet op de „Fram”?”

„Het is nu bijna anderhalf jaar geleden, sedert hij van ons wegging.”

Aan weerskanten heerschten angst en verslagenheid. Sverdrup keerde zoo

snel mogelijk naar Noorwegen terug, vast besloten om, na kolen en

proviand ingenomen te hebben, zich naar Frans-Josefs-land te begeven en

Nansen te zoeken. Toen hij de eerste haven, een klein Noorsch

kustplaatsje, bereikt had, liet hij zich, midden in den nacht, aan land

roeien, en ging naar een telegraafkantoor. Daar hamerde hij met zulk

een geweld op de deur, alsof zijn leven er mee gemoeid was. Alles was

in diepe rust. Eindelijk stak een oud man zijn hoofd uit het venster,

en schreeuwde hem toe: „Wat heeft dat gruwelijke spektakel in ’t holle

van den nacht te beduiden?”

Sverdrup antwoordde: „Doe maar vlug open, ik ben kapitein Sverdrup, van

de „Fram”.”

Dadelijk werden overal de vensters verlicht, en de telegraafbeambte

kwam hals over kop naar beneden hollen.

„Ik heb van Andrée gehoord,” zei Sverdrup op bezorgden toon, „dat er

nog geen bericht van Nansen gekomen is.”

„Wel,” riep de man, „Nansen? Die is den 13den Augustus te Bardö

aangekomen! Op ’t oogenblik is hij te Hammerfest.”

Sverdrup maakte van blijdschap een luchtsprong, draaide zich, zonder

een woord te zeggen om, en snelde weg om zijn makkers de blijde tijding

te brengen.

Intusschen wachtte Andrée nog steeds op den zuidenwind. Maar, daar het

reeds te ver in het jaar was, moest hij wel terugkeeren. De ballon werd

leeggemaakt, alles werd ingepakt, en Andrée reisde naar Stockholm

terug.

Men kan zich wel voorstellen hoe terneergeslagen hij was. Nog nooit had

het plan van een Noordpooltocht een zoo algemeene en warme sympathie

genoten. De geheele wereld wachtte met spanning en ongeduld op het

vertrek. Toen hij Stockholm en Gothenburg verliet, had men hem als een

held gehuldigd, en nu moest hij onverrichter zake weer terugkeeren!

Velen dreven den spot met hem, maar de meesten bewonderden toch zijn

zelfbeheersching. Het bedrag dat voor een nieuwe poging noodig was,

werd terstond bijeengebracht, en wel uitsluitend in Zweden. In het

midden van Mei van het volgend jaar wilde Andrée zich wederom naar het

Denen-eiland begeven.

Den 10den Mei 1897, kwam ik uit Azië terug. Den dertienden gaf Andrée

een diner te zijner eere. Wij waren slechts met ons zessen aan tafel,

en ik zag hem bij deze gelegenheid voor het eerst. Tijdens het maal

heette hij mij welkom met een rede, die ik mij niet zonder ontroering

herinner. Hij sprak er over welk een verschillende toekomst ons beiden

wachtte. Terwijl ik mijn groote reis achter den rug had, en rustige

arbeid mij wachtte, had hij zijn tocht nog voor zich, en stond op het

punt zich toe te vertrouwen aan een onzeker lot in de groote

eenzaamheid. In zijn toon was iets weemoedigs verscholen, dat hij

vergeefs trachtte te verbergen. In mijn antwoord huldigde ik hem als de

ontwerper van een grootsch plan, en sprak mijn overtuiging uit, dat we

elkaar onder gelukkiger omstandigheden zouden weerzien!

Het gezelschap ging spoedig uiteen. Andrée had nog veel te doen; over

twee dagen zou hij Stockholm voorgoed verlaten.

Ditmaal vond zijn vertrek in alle stilte plaats. Men had hem zoo weinig

met rust gelaten, dat het te voorzien was, dat hij, ook bij niet

volkomen gunstigen wind, tóch zou opstijgen. Slechts enkele vrienden

waren aan het station om afscheid van hem te nemen. Ik drukte hem

hartelijk de hand—voor het laatst! Toen voerde de trein hem weg, den

helderen nacht in.

In Juni heerschte op het Denen-eiland weer dezelfde bedrijvigheid. In

het begin van Juli was alles voor de opstijging in gereedheid. Wederom

was het wachten slechts op een gunstigen zuidenwind. Door een heftigen

storm werd de ballon zoo hevig in de loods heen en weer geslingerd, dat

hij bijna tegen de wanden stuk geslagen werd, en zelfs bijna geheel

losgerukt werd.

Dagelijks schreef Andrée eenige regels in zijn dagboek. Op den 8sten

Juli 1897 eindigt het—voor altijd.

Van pool tot pool(#76913) · 第 27 / 75 题