20. PER LUCHTBALLON NAAR DE NOORDPOOL.

Het was den 16den October 1893, toen ik Stockholm verliet om door Azië

een reis naar het verre Oosten te beginnen. Een deel van mijn

reisindrukken op dezen tocht heb ik in het eerste deel van dit werk

weegegeven. Te St. Petersburg, waar ik eenige inkoopen moest doen,

vertoefde ik in het huis van Nobel, waar ik op zekeren dag het volgend

telegram ontving:

„Den 19den October streek Andrée’s ballon over de Finsche scheren, en

werd door den storm de Oostzee ingedreven. Van Sandhamn uit zag men,

hoe de ballon steeds twintig meter boven het zeewater zweefde.”

Hoe ontzettend! Nauwelijks had Andrée Zweden achter zich gelaten, en de

woeste Oostzeegolven voor zich, en reeds zou zijn tocht een rampzalig

einde moeten nemen? Want omringd door herfstnevelen, was er nauwelijks

eenige hoop op behoud voor hem. Persoonlijk kende ik Andrée niet, ik

had hem nooit gezien; maar iedereen sprak van hem, want hij had reeds

negen gevaarvolle tochten gemaakt in de „Svea”, denzelfden ballon, die

hem thans den dood tegemoet voerde. Zulk een man kon de wereld toch

niet zoo snel verliezen!

Ik zelf had het grootste vasteland der aarde voor mij. Het was toch

iets heerlijks, om tenminste vaste bodem onder de voeten te hebben!

Maar Andrée! De gedachte aan hem liet me geen rust. Sedert eenige jaren

had hij zichzelf tot een der wakkerste en bekwaamste luchtschippers

gevormd; zou dan nu reeds zijn loopbaan een einde nemen, nu reeds,

hoewel hij slechts veertig jaar oud was?

Den volgenden dag kwam er evenwel een tweede telegram:

„Andrée gered. Geland op de Finsche kust. Alles wel.”

Goddank! Nu was ik op mijn reis tenminste van deze zorg ontheven.

Twee jaar na dezen, bijna zoo rampspoedig geëindigden tocht, ontwierp

Andrée het plan voor een reis, die zich niet tot de Oostzee bepalen

zou. De geheele Noordelijke IJszee, van Spitsbergen tot aan de

Behringstraat wilde hij doorkruisen, een gebied, dat zich over een

afstand van 3700 kilometer uitstrekte; en zoo mogelijk, wilde hij op

zijn tocht over de Noordpool heenvliegen! Het was het meest gewaagde

plan dat nog ooit een ontdekkingsreiziger beraamd had. En Andrée had

zoo lang en zoo grondig er over nagedacht, dat hij nauwkeurig berekend

had, hoeveel elke schroef en elk touw van zijn ballon mocht wegen.

De ballon zou vervaardigd zijn van een drievoudige bedekking van

Chineesche zijde, en zou, zoowel van binnen als van buiten gevernist

worden, teneinde zoo weinig mogelijk van zijn inhoud van 4500 kubieke

meters waterstofgas te verliezen. De doorsnede zou twintig meter

bedragen en van boven zou een extra omhulsel aangebracht worden, dat

beletten moest, dat de sneeuw zich op het netwerk vastzette.

Lange sleeptouwen zouden den ballon gedurig op dezelfde hoogte houden.

Ze zouden gemaakt zijn van kokosdraden, zoodat ze op het water konden

drijven, en zouden veel gemakkelijker over het ijs heenglijden dan over

het land, waar ze vaak aan boomen, of andere voorwerpen konden blijven

hangen, en zoodoende den ballon aan menigen gevaarlijken ruk konden

blootstellen. Wanneer de helft van het sleeptouw op de aarde ligt, en

de andere helft in de lucht zweeft, dan trekt alleen die laatste helft

de ballon naar beneden. Zoodra deze daalt, wordt het gedeelte van het

touw dat op de aarde rust, grooter, de ballon wordt daardoor verlicht,

en stijgt weer omhoog. Maar de sleeptouwen verhinderen dan weer een al

te sterke stijging, want hoe langer het touw wordt dat in de lucht

hangt, des te meer wordt de ballon weer omlaag getrokken. Zoodoende zal

de ballon, zoo berekende Andrée, steeds op een gelijkmatige hoogte

blijven zweven.

Maar, de sleeptouwen hebben nog een ander doel. Door hun wrijving aan

de oppervlakte van het water of van het ijs werken ze als een rem.

Dientengevolge is de snelheid van den wind grooter dan die van den

ballon, die niet vrij in de lucht zweeft, maar, om ’t zoo uit te

drukken, steeds een voet op de aarde heeft. Door het hijschen van een

zeil aan een der beide kanten kan men dan den ballon eenigszins

besturen en hem, evenals een zeilschip laten laveeren.

De gondel van Andrée’s ballon bestond uit een teenen korf, en was rond,

ruim, stevig en licht, voorzien van een dak, waarop de luchtreizigers

als op een balkon konden staan, tot het doen hunner waarnemingen. Door

een luik kon men in de gondel afdalen, die voor twee mannen, wanneer ze

naast elkaar uitgestrekt lagen, plaats bood.

Twee vensters in het dak gaven uitzicht naar buiten. In de zijwanden

bevonden zich tal van vakjes en zakken, waarin alle mogelijke dingen

konden opgeborgen worden. Met zes dikke touwen was de gondel aan den

draagring bevestigd. Acht ballasttouwen, van zeventig meter lang,

moesten dienen om den schok te breken, wanneer een heftige windstoot

den ballon tegen de aarde zou slingeren; ze konden ook afgekapt worden,

zoodra de ballon zooveel gas verloor, dat ze niet meer in staat was om

te bleven zweven. Al deze touwen wogen te zamen ongeveer duizend

kilogram.

Andrée’s ballon zou dertig dagen kunnen zweven. Maar wanneer er nu een

windstilte intrad, of wanneer men door het drijfijs, dat de Pool

omringde, weer teruggedreven werd? Ook met deze mogelijkheid had Andrée

rekening gehouden, en hij was erop voorbereid den ballon ergens achter

te kunnen laten, en den terugtocht over het ijs te aanvaarden.

Daarvoor zouden sleden en sneeuwschoenen, een tent, een opvouwbare

zeilboot en drie geweren met ammunitie meegenomen moeten worden,

bovendien voldoende mondvoorraad voor honderd dagen; dit alles was in

zakken boven aan den draagring geborgen.

Maar hoe zou men zich daarboven in de koude lucht iets warms kunnen

toebereiden? Daarom werd een bijzonder kooktoestel vervaardigd, dat,

ter voorkoming van brandgevaar onder aan den ballon zou hangen. Men

behoefde slechts een blikje met soep, vleesch of visch in den ketel te

doen, de spirituslamp te vullen en de geheele geschiedenis naar beneden

te laten zakken; wanneer men aan een bepaald koord trok, dan ontbrandde

daar een vlam, die men met behulp van een slang weer uit kon blazen,

wanneer het eten gaar was, en men het toestel weer naar boven trok.

Teneinde de buitenwereld berichten te kunnen doen toekomen over het

verloop der reis, zouden dertien boeien van kurk meegenomen worden, die

van buiten met koperdraad omhuld en van binnen een metalen koker

bevatten voor het opbergen van brieven. De grootste zou bij aankomst

van de Noordpool uitgeworpen worden! Bovendien stelde Andrée zich voor

om rechtstreeks schriftelijke mededeelingen te zenden. Daartoe kocht

hij ongeveer vijftig postduiven, die vroegtijdig naar den

noordelijksten vuurtoren aan de Noordkaap gebracht werden; om ze met

den vorm der kust vertrouwd te maken, bracht men ze eerst op een hoogen

berg met vrij uitzicht naar alle kanten. Daarna werden ze op

zeilschepen een eind de zee ingenomen, en daar losgelaten. Eenigen

vlogen terstond naar hun punt van uitgang terug, anderen sloegen de

richting naar het Zuiden in, en twee vielen ten prooi van een

roofvogel. Gedurende de reis zouden de duiven in kleine teenen kooien

geborgen worden, waarin aluminium bakjes met water en kleine korfjes

met gerst, erwten en zaad geplaatst waren. Toen men van Spitsbergen

uit, drie van deze duiven liet vliegen, stegen ze loodrecht in de

hoogte, bleven daar eenige minuten lang volkomen onbeweeglijk, als om

het terrein te verkennen, en vlogen toen pijlsnel zuidwaarts. Slechts

een dezer postduiven werd bij Ofoten op de Noorsche kust opgevangen.

Maar, dat was een bedriegster, ze was op een stoomboot, die naar

Noorwegen onderweg was, neergestreken, en toen de kust in ’t zicht was,

vloog ze weer op en liet zich met den wind naar Ofoten meevoeren.

De brief, dien zulk een duif draagt, moet licht als een veertje zijn om

het vliegen niet te belemmeren. Hij wordt geschreven op zijde-papier

en, opgerold, in een waterdichte huls geschoven die met was

dichtgekleefd en onder de staartveeren van de duif bevestigd wordt.

Zoo had Andrée alles met groote scherpzinnigheid voorbereid. Er was een

geheel boek geschreven, dat uitsluitend de toerusting tot deze reis

beschreef. In het begin van Juli, een tijd waarin de zon dag en nacht

aan den hemel staat, wilde Andrée met twee tochtgenooten de opstijging

wagen vanuit het Denen-eiland, aan de noordkust van Spitsbergen. In

dezen tijd van het jaar kon men steeds fotografische opnamen maken

wanneer men over onbekende eilanden heen vloog. Ook zou de zon de

temperatuur van het gas op gelijkmatige hoogte houden, en zoodoende zou

de ballon steeds op ongeveer dezelfde hoogte bleven zweven.

Andrée was vast overtuigd van het welslagen van zijn plan. In het

gunstigste geval zou alles immers als vanzelf gaan. Op een zijner

proeftochten had hij den afstand van 400 Kilometer tusschen Gothenburg

en Gotland in 3 uren afgelegd. Zulk een wind zou hem in negen uren aan

de Noordpool kunnen brengen, en, zelfs bij matigen wind zou hij in

hoogstens twee dagen de Pool kunnen bereiken! Wanneer hij op

Spitsbergen een gunstigen, zuidelijken wind had, dan kon hij, volgens

zijn vaste overtuiging, wanneer alles meeliep, reeds na acht dagen aan

de Behringzee, of ergens anders, op de Aziatische of Amerikaansche

noordkust, kunnen landen!

Maar „de wind blaast waarheen hij wil, en ge hoort zijn suizen wel,

maar ge weet niet vanwaar hij komt, noch waar hij henen gaat.” Het

eenige vaststaande is het feit, dat de wind aan de Noordpool altijd uit

het zuiden komt! Want aan de Pool komen de meridianen allen in een punt

te zamen, en wanneer ge aan de Pool staat, dan kijkt ge, wáárheen ge

het oog ook richt, altijd naar het Zuiden!

Van pool tot pool(#76913) · 第 26 / 75 题