14. DE DOODENMARSCH VAN DE LONG.

Ofschoon verscheidene jaren verloopen zijn, sedert den tocht over de

ijszee, weet men nu nog niet, wat er geworden is van de boot van Chipp.

Ongetwijfeld heeft hij nooit land gezien en is in den storm ten gronde

gegaan. Maar De Long heeft zijn manschappen tenminste op vast land

gebracht. Wel verloor zijn boot in den eersten stormnacht mast en

zeilen, maar die werden door drie riemen vervangen. Den morgen van den

13den September zag hij de andere booten niet weer, maar daarvoor kwam

den volgenden dag land in het gezicht. Het was een vlak strand en nieuw

gevormd ijs maakte het aan land komen moeielijk. Twee dagen later

roeiden zij, halfdood van koude en afmatting zoo dicht langs het strand

als maar eenigszins mogelijk was en boegseerden toen de boot zoover op

het ijs, dat ze niet meer van de plek ging. Den volgenden dag droegen

zij hun zaken aan land, waarbij zij eenige honderden meters ver, op den

langzaam stijgenden oever, door het water moesten waden.

Hier bleven zij twee dagen, om uit te slapen en hun bagage te regelen.

Drijfhout, dat de Lena uit de wouden van Siberië naar de zee sleept,

lag overal in het rond. De voeten van den matroos Erikson waren

bevroren, hij moest op een handslede worden getrokken. Er waren nog

levensmiddelen voor vijf dagen, waaronder de laatste der veertig

honden. Nog altijd waren de vrachten voor ieder afzonderlijk te zwaar,

want De Long kon zijn logboeken niet achterlaten, en behalve hun

ransels moesten zij nog tenten, geweren en munitiekisten meesleepen.

Toen de eerste vijf dagen voorbij waren en de troep eenige mijlen in

zuidelijke richting had afgelegd, schoot de Indiaan twee rendieren, die

de manschappen voor den eerstvolgenden tijd redden. Nu marcheerden zij

negen dagen, totdat een breede rivierarm hen tot staan bracht. De

toestand van Erikson verergerde en op zekeren nacht bevroor zijn hand.

Daarom moest men den marsch afbreken en zich den 6den October een

rustdag gunnen. De nood was reeds tot het hoogste gestegen. Om den

honger der lieden te stillen, moest reeds de hond geslacht worden. Den

volgenden dag stierf de zieke matroos en was nu niet meer tot last

zijner kameraden. Door een wak in het ijs werd hij in de rivier

neergelaten. De Long sprak boven het graf de voorgeschreven gebeden en

drie geweersalvo’s werden afgevuurd. Het sneeuwde hevig, en zoo spoedig

mogelijk snelde men weer voor den heftigen stormwind in de tenten

terug. Het was onmogelijk bij dit weer te loopen, daarom moest men

opnieuw wachten, en de rest van het vleesch van den hond werd ’s avonds

uitgedeeld. Dan rolden zij zich allen als egels in elkaar, om beter

warm te kunnen blijven.

Den volgenden morgen besloten zij toch liever den sneeuwstorm te

trotseeren dan stilliggend te verhongeren! Een geweer en een

schriftelijk met zorg ingepakt bericht over de lotgevallen der

„Jeannette” werden achtergelaten. De bagage bestond nu behalve kleeren,

die men droeg, slechts uit de logboeken, een tent en twee geweren.

Maar de krachten der reizigers namen snel af, daar zij verder niets

meer hadden om te gebruiken dan ’s morgens, ’s middags en ’s avonds

warm water met een paar druppels spiritus. De nood was tot het uiterste

gestegen. Na de godsdienstoefening op den Zondag van 9 October, riep De

Long de twee sterkste matrozen, Nindermann en Noros bij zich en vroeg

hun of zij vooruit wilden gaan om hulp te zoeken. Zij verzochten

dadelijk te mogen gaan. De kapitein gaf hun een kaart van den

benedenloop van de Lena, opdat zij zich konden oriënteeren en ried hen

aan op den linker oever te blijven, omdat er daar slechts dorpen en

drijfhout waren. Het eene geweer en vijftig patronen mochten zij

medenemen. Indien het hun gelukte binnen anderhalven dag een rendier te

schieten, moesten zij daarmede terugkeeren. Na een aandoenlijk afscheid

begaven zij zich op weg, een driewerf hoera werd den padvinders door de

achterblijvenden nageroepen.

Het was niet de eerste keer dat de matroos Nindermann op zulk een

avontuur uittrok. Hij was een der deelnemers van de Polaris-Expeditie

geweest, in de zeeëngte van Noord-West-Groenland. Het schip „Polaris”

was ook in het ijs bekneld geweest en in een donkeren nacht van het

jaar 1873 hadden twee geweldige schotsen het uit het ijs opgeheven.

Daar men het ergste kon verwachten, werden boeken en levensmiddelen op

een drijvende ijsschol gebracht, die in den heftigen storm scheurde.

Negentien menschen, waaronder negen Eskimo’s en de matroos Nindermann

dreven nu op grootere en kleine schotsen in de ondoordringbare

duisternis op de verwoede zee rond. Veertien mannen waren nog aan

boord. Tot hen terug te keeren, daaraan viel niet te denken en toen de

„Polaris” uit het gezicht der schipbreukelingen was verdwenen,

verzamelden zij zich op een groot ijsveld, waar zij hutten uit sneeuw

en ijs bouwden, en hun voorraden opstapelden. Op dit ijsveld dreven zij

acht maanden lang in zuidelijke richting. Maar met ontzetting bemerkten

zij in den loop van het voorjaar hoe de bodem onder hun voeten in

omvang afnam; de branding brak heele stukken uit het ijs en knaagde er

aan, aan alle kanten. Reeds waren zij langs Kaap Farewell naar het

Zuiden gedreven, toen zij geheel uitgeput door een schip werden gered!

Ook de veertien op de „Polaris” mochten hun vaderland terugzien.

Nu jaren later, stond weer het leven op het spel. Met zijn kameraad

Noros snelde Nindermann in zuidelijke richting. Een kudde rendieren,

die zij op een heuvel staande, zagen, speurden de vreemdelingen echter

en gingen in wilde vaart op de vlucht. De sneeuwstorm joeg hen juist in

het gezicht en ’s avonds moesten zij, daar er geen beschutte plek te

vinden was, met de hand een gat in de sneeuw graven, waar zij inkropen.

Gedurende den nacht hoopte de sneeuw zich zoo voor hun schuilplaats op,

dat zij er ’s morgens ternauwernood meer uit konden komen!

In hetzelfde stormweer ging het verder. Stap voor stap drongen zij,

tegen den wind vooruit, zonder te kunnen opzien. Tegen den avond zagen

zij een kleinen heuvel voor zich, die een verlaten hut bleek te zijn;

hier staken zij vuur aan. Den volgenden nacht brachten zij in een

onoverdekt hol door, waar zij bijna bevroren. Een dag later stieten zij

op een tentvormige hut, waar twee rottende visschen en een paling

lagen. Hier bleven zij zes en dertig uur om krachten te verzamelen. Den

15den October kwamen zij door den storm niet verder, brachten den nacht

in een hol door en gebruikten voor ontbijt bast van wilgen en reepen

van de broek van robbenvel van Noros. Daarna gingen zij de bevroren

Lena over en overnachtten in een kloof om den volgenden nacht weer naar

den westelijken oever terug te keeren en voor den nacht in een grot

beschutting te zoeken, waar zij echter geen hout vonden om vuur aan te

steken. Zij waren geheel wanhopend. Met loome schreden vervolgden zij

den 19den October hun tocht op het ijs van de Lena, vast besloten om op

handen voeten te kruipen, als zij niet meer zouden kunnen loopen. Zij

hadden tweehonderd kilometer afgelegd zonder hulp te vinden. Den avond

van dien dag ontdekten zij drie hutten en vonden hier niet alleen

onderkomen maar ook redding. In de eene hut lag een kleine voorraad

gedroogde visch, en een slede, die voor de deur stond, leverde

brandhout. Nadat zij twee dagen rust hadden genomen, wilden zij verder

trekken, maar zij waren nog te vermoeid, zoodat zij nog een paar dagen

moesten blijven. Den 22sten October, toen zij juist op het punt waren

eten te koken, klonk buiten voor de deur een ongewoon geraas.

Nindermann keek tersluiks naar buiten en kwam dadelijk terug om zijn

geweer te halen. Hij had twee rendieren gezien. Toen hij zacht de hut

wilde verlaten, stond op den drempel—een mensch, een Toengoes!

Toen de inboorling de twee uitgemergelde vreemdelingen zag en het

geweer in de hand van den een, geloofde hij, dat zijn laatste uurtje

was geslagen, viel op de knieën en smeekte om genade. Nindermann wierp

het geweer in den hoek, klopte den man vriendelijk op den schouder en

beproefde hem te kalmeeren; spoedig begreep de Toengoes ook, dat de

twee niets tegen hem in het schild voerden. Hij zag, dat zij in den

grootsten nood verkeerden, en zij beproefden hem door teekens duidelijk

te maken, dat zij schipbreukelingen waren, dat zij dringend voedsel

noodig hadden, en verder noordelijk kameraden hadden achtergelaten. De

Toengoes kon hen echter niet meer geven dan een paar laarzen van vellen

en de huid van een rendier!

Na een poosje stak hij drie vingers in de hoogte en ging naar zijn

rendierslede. Dat moest zeker beteekenen, dat hij na drie dagen terug

komen en hulp brengen zou. Voordat de twee matrozen er aan dachten, was

hij met zijn voertuig vertrokken en zij hadden weldra spijt, dat zij

hem hadden laten gaan. Maar den volgenden dag kwam hij al weer terug

met twee stamgenooten en verscheidene sleden en bracht pelzen, laarzen

en bevroren visch mede. De half uitgehongerde mannen aten nu eindelijk

weer, trokken de nieuwe, warme kleeren aan en waren nu buiten gevaar.

En toch was het voor hun nagedachtenis in de dikwijls treurige, bijna

altijd roemrijke en nu en dan schitterende geschiedenis der poolreizen,

misschien beter geweest, als zij dien Toengoes niet meer teruggezien

hadden. Dan zouden zij toch gedwongen zijn geweest, hun marsch naar het

Zuiden voort te zetten en waren er waarschijnlijk levend afgekomen.

Want tot het naaste Toengoesche dorp waren nog slechts vijftig

kilometer. De Long en zijn kameraden waren weliswaar verloren geweest,

maar Nindermann en Noros hadden dan tenminste alles gedaan, wat van hen

verwacht had kunnen worden. Hadden zij zich, in het ergste geval door

bedreigingen, een slede met een half dozijn rendieren, die buiten in de

sneeuw voor de hut stonden te trappelen, toegeëigend, om den weg, dien

zij gekomen waren terug te rijden, dan waren zij nog ter rechtertijd

gekomen, om de meeste makkers van De Long te redden! Zij wisten, dat

hun kameraden, toen zij veertien dagen tevoren hen verlieten, leer en

bast van wilgen aten, en het werd hoog tijd hun rendierenvleesch te

brengen! Maar ze keerden niet terug, doch vergezelden de Toengoezen op

hun weg naar het Zuiden—en daarna was het te laat!

Maar toch moet men zich wachten de beide dappere matrozen maar kortweg

te veroordeelen. Zij hadden in elk geval wonderen verricht en zij waren

door den langen strijd voor hun levensbehoud gedurende vier maanden,

sedert den dag waarop de „Jeannette” in de diepte wegzonk, uitgehongerd

en geheel uitgeput. Daarbij de voortdurende spanning dag en nacht! Een

derde winter naderde, dien zij nog dichter bij de Noordpool hadden

moeten doorbrengen dan de twee vorige. Onverschilligheid en stompheid

van geest moeten zich van hen hebben meester gemaakt, en dat moet hun

ter verontschuldiging strekken. Uit zulk een toestand herstelt men niet

in een dag en juist de onbeperkte voorraad levensmiddelen was voor hen

een gevaar. Na zoo lang hongerlijden konden zij het eten niet meer

verdragen en werden daardoor nog meer uitgeput.

Genoeg, te middernacht namen zij, goed ingepakt, plaats op de sleden en

joegen met de Toengoezen naar een dorp, dat uit twee groote tenten en

tien bewoners bestond. Deze bezaten 75 rendieren en 30 sleden. In de

eene tent stond een ketel met versch rendierenvleesch te koken en de

mannen werden uitgenoodigd toe te tasten. Houten schalen werden voor

hen gevuld met vette vleeschpap, waarbij thee werd gedronken. Daarna

spreidden de vriendelijke Toengoezen warme, zachte rendiervellen op den

grond uit; zulk een nacht hadden de twee sinds maanden niet beleefd!

Den volgenden dag reden de Toengoezen en hun beide gasten in een aantal

sleden naar een ander dorp, waar zij den 25sten October aankwamen. Nu

pas dacht Nindermann aan den kapitein en zijn ongelukkige makkers en

ofschoon hij geen woord met de Toengoezen kon spreken, beproefde hij

toch, hun den stand van zaken duidelijk te maken. In een tent lag een

kleine boot, een stuk speelgoed. Hij zette er masten op. Daarna sneed

hij drie kleine booten, die de drie booten der „Jeannette” moesten

voorstellen. Met twee brokken ijs wees hij nu hoe het schip in elkaar

was gedrukt en vergaan en de manschappen zich in de kleine booten aan

land hadden gered. Zestien maal strekte hij zich op den grond uit,

sloot de oogen en stond weer op, om de Toengoezen te doen begrijpen,

dat zestien nachten verloopen waren, sedert hij zijn makkers had

verlaten!

De inboorlingen knikten bij deze gebarentaal, en wisselden met elkaar

onverstaanbare woorden. Maar hoe ijverig de matrozen hen dezelfde

geschiedenis telkens ook weer voordroegen, men scheen ze niet te

begrijpen of wilde ze misschien ook niet begrijpen, omdat de Toengoezen

de woeste toendra in den wintertijd ook vreesden. Eindelijk begon

Nindermann in zijn wanhoop te schreien. Zij beproefden hem te troosten,

klopten hem op de schouders en trokken een medelijdend gezicht.

Den volgenden dag verscheen een banneling, Kusma genaamd. Hij was

intelligenter dan de Toengoezen en werd door Nindermann goed

ondervraagd. Elf verdwaalde mannen! Dat scheen hij te begrijpen en

beproefde nu van zijn kant Nindermann te doen begrijpen, dat zij reeds

gered waren! Maar Kusma dacht, dat Nindermann sprak over den troep van

Melville, die eveneens uit elf man bestond en zoo nam hij de twee

matrozen mede naar Boeloen, waar zij den 2den November weer samenkwamen

met Melville en zijn manschappen.

Toen Melville hen naar De Long vroeg, begonnen zij hard te snikken en

smeekten hem, hen weer naar het Noorden te laten trekken. Maar hij vond

er hen te zwak voor en begaf zich alleen op reis. Hier en daar vond hij

achtergelaten voorwerpen van de manschappen van De Long, een vlag,

instrumenten en de apotheekkist. Hij was dus op het juiste spoor, maar

kon door de hooge sneeuw en den onwil der Toengoezen zijn nasporingen

niet vervolgen. Hiermede werd het lot van De Long en zijn makkers

beslist!

Een half jaar later, in Maart 1882, werden verschillende afdeelingen

naar de Lenadelta gezonden, om nasporingen in het werk te stellen.

Melville begaf er zich ook weer heen, en nu vond men spoedig acht man

van den troep van De Long, die door honger en koude waren omgekomen. De

laatste kampplaats lag geheel onder de sneeuw; de hand van den kapitein

zag men slechts uit de sneeuw steken, alsof hij de zoekenden de juiste

plaats had willen wijzen! Hij zelf, dr. Ambler, Collins, de Chinees en

de matrozen waren gedeeltelijk bedekt door de tent. Tot het laatste

oogenblik hadden zij blijkbaar beproefd het kampvuur aan te houden. De

koude moet hen ontzettend hebben gemarteld; van twee waren handen en

kleeren geschroeid, zoo dicht waren zij bij het vuur gekomen. Gemarteld

door den honger, hadden ze hun laarzen van vellen stuk gesneden en de

stukjes in gloeiende kolen geroosterd. Het gelaat van Collins was met

een doek bedekt, welke De Long en dr. Ambler daar stellig nog over

hadden gelegd. Het dagboek van den kapitein lag naast een potlood op

den grond; hij had het gebruikt, tot het oogenblik, waarop hij de

kracht miste het in den zak te steken!

Dit dagboek vertelde, dat men op 9 October het spoor van Nindermann en

Noros was gevolgd. De krachten begaven de manschappen echter hoe langer

hoe meer. Voetje voor voetje sleepten zij zich voort. Zij kookten soep

van wilgentakken.

„Ik hoop toch nog op Gods hulp en geloof niet, dat het Zijn plan is,

ons van honger te laten omkomen,” schreef De Long nog in zijn dagboek.

Tweemaal teekende hij op, dat de Indiaan een sneeuwhoen had geschoten,

dat zij onder elkaar hadden verdeeld.

Op een andere plaats staat: „Niets te eten, maar wij zijn nog vol moed.

O God, help ons!”

Den 11den October: „Onmogelijk verder te komen, geen brandhout.”

Den 13den October: „Wij kunnen niet tegen den wind op, en hier blijven,

wil zeggen van honger omkomen.”

Een matroos bezweek. De kapitein bidt het Onze Vader bij het lijk. „Een

nacht van ontzettenden sneeuwstorm!”

Zondag, den 16den: „Alexis (de Indiaan) kan niet meer, is aan het einde

zijner krachten. Godsdienstoefening.”

Den 17den: „Alexis ligt op sterven. De dokter doopt hem. Ik houd met

den zieke een godsdienstoefening. Collins wordt vandaag veertig jaar.

Alexis stierf bij zonsondergang van honger en uitputting. Wij dekten

hem onder de tent toe met een vlag.”

Twee dagen later snijden zij de halve tent stuk om met de reepen hun

voeten in te wikkelen.

Den 21sten lag een der matrozen dood tusschen hen. In den middag stierf

een tweede matroos. Niemand had de kracht meer de lijken te begraven;

ze werden naar buiten gebracht, opdat men hen niet meer behoefde te

zien.

Den volgenden Zondag was de godsdienstoefening heel kort, daarna werd

brandhout gezocht voor den nacht.

Den 24sten October: „Een grimmig koude nacht.”

Daarna twee dagen geen woord.

Den 27sten schrijft De Long over een matroos, die op sterven ligt en

den volgenden dag, dat hij dood is.

Den 29sten sterft weer een matroos.

Den 30sten October, 140 dagen na den ondergang der „Jeannette”, wordt

geen godsdienstoefening meer gehouden.

De laatste woorden, die De Long schreef, voordat het potlood aan zijn

hand ontglipte, luidde: „Boyd en Cortz stierven vannacht, Collins ligt

op sterven.”

Van pool tot pool(#76913) · 第 20 / 75 题