Ofschoon verscheidene jaren verloopen zijn, sedert den tocht over de
ijszee, weet men nu nog niet, wat er geworden is van de boot van Chipp.
Ongetwijfeld heeft hij nooit land gezien en is in den storm ten gronde
gegaan. Maar De Long heeft zijn manschappen tenminste op vast land
gebracht. Wel verloor zijn boot in den eersten stormnacht mast en
zeilen, maar die werden door drie riemen vervangen. Den morgen van den
13den September zag hij de andere booten niet weer, maar daarvoor kwam
den volgenden dag land in het gezicht. Het was een vlak strand en nieuw
gevormd ijs maakte het aan land komen moeielijk. Twee dagen later
roeiden zij, halfdood van koude en afmatting zoo dicht langs het strand
als maar eenigszins mogelijk was en boegseerden toen de boot zoover op
het ijs, dat ze niet meer van de plek ging. Den volgenden dag droegen
zij hun zaken aan land, waarbij zij eenige honderden meters ver, op den
langzaam stijgenden oever, door het water moesten waden.
Hier bleven zij twee dagen, om uit te slapen en hun bagage te regelen.
Drijfhout, dat de Lena uit de wouden van Siberië naar de zee sleept,
lag overal in het rond. De voeten van den matroos Erikson waren
bevroren, hij moest op een handslede worden getrokken. Er waren nog
levensmiddelen voor vijf dagen, waaronder de laatste der veertig
honden. Nog altijd waren de vrachten voor ieder afzonderlijk te zwaar,
want De Long kon zijn logboeken niet achterlaten, en behalve hun
ransels moesten zij nog tenten, geweren en munitiekisten meesleepen.
Toen de eerste vijf dagen voorbij waren en de troep eenige mijlen in
zuidelijke richting had afgelegd, schoot de Indiaan twee rendieren, die
de manschappen voor den eerstvolgenden tijd redden. Nu marcheerden zij
negen dagen, totdat een breede rivierarm hen tot staan bracht. De
toestand van Erikson verergerde en op zekeren nacht bevroor zijn hand.
Daarom moest men den marsch afbreken en zich den 6den October een
rustdag gunnen. De nood was reeds tot het hoogste gestegen. Om den
honger der lieden te stillen, moest reeds de hond geslacht worden. Den
volgenden dag stierf de zieke matroos en was nu niet meer tot last
zijner kameraden. Door een wak in het ijs werd hij in de rivier
neergelaten. De Long sprak boven het graf de voorgeschreven gebeden en
drie geweersalvo’s werden afgevuurd. Het sneeuwde hevig, en zoo spoedig
mogelijk snelde men weer voor den heftigen stormwind in de tenten
terug. Het was onmogelijk bij dit weer te loopen, daarom moest men
opnieuw wachten, en de rest van het vleesch van den hond werd ’s avonds
uitgedeeld. Dan rolden zij zich allen als egels in elkaar, om beter
warm te kunnen blijven.
Den volgenden morgen besloten zij toch liever den sneeuwstorm te
trotseeren dan stilliggend te verhongeren! Een geweer en een
schriftelijk met zorg ingepakt bericht over de lotgevallen der
„Jeannette” werden achtergelaten. De bagage bestond nu behalve kleeren,
die men droeg, slechts uit de logboeken, een tent en twee geweren.
Maar de krachten der reizigers namen snel af, daar zij verder niets
meer hadden om te gebruiken dan ’s morgens, ’s middags en ’s avonds
warm water met een paar druppels spiritus. De nood was tot het uiterste
gestegen. Na de godsdienstoefening op den Zondag van 9 October, riep De
Long de twee sterkste matrozen, Nindermann en Noros bij zich en vroeg
hun of zij vooruit wilden gaan om hulp te zoeken. Zij verzochten
dadelijk te mogen gaan. De kapitein gaf hun een kaart van den
benedenloop van de Lena, opdat zij zich konden oriënteeren en ried hen
aan op den linker oever te blijven, omdat er daar slechts dorpen en
drijfhout waren. Het eene geweer en vijftig patronen mochten zij
medenemen. Indien het hun gelukte binnen anderhalven dag een rendier te
schieten, moesten zij daarmede terugkeeren. Na een aandoenlijk afscheid
begaven zij zich op weg, een driewerf hoera werd den padvinders door de
achterblijvenden nageroepen.
Het was niet de eerste keer dat de matroos Nindermann op zulk een
avontuur uittrok. Hij was een der deelnemers van de Polaris-Expeditie
geweest, in de zeeëngte van Noord-West-Groenland. Het schip „Polaris”
was ook in het ijs bekneld geweest en in een donkeren nacht van het
jaar 1873 hadden twee geweldige schotsen het uit het ijs opgeheven.
Daar men het ergste kon verwachten, werden boeken en levensmiddelen op
een drijvende ijsschol gebracht, die in den heftigen storm scheurde.
Negentien menschen, waaronder negen Eskimo’s en de matroos Nindermann
dreven nu op grootere en kleine schotsen in de ondoordringbare
duisternis op de verwoede zee rond. Veertien mannen waren nog aan
boord. Tot hen terug te keeren, daaraan viel niet te denken en toen de
„Polaris” uit het gezicht der schipbreukelingen was verdwenen,
verzamelden zij zich op een groot ijsveld, waar zij hutten uit sneeuw
en ijs bouwden, en hun voorraden opstapelden. Op dit ijsveld dreven zij
acht maanden lang in zuidelijke richting. Maar met ontzetting bemerkten
zij in den loop van het voorjaar hoe de bodem onder hun voeten in
omvang afnam; de branding brak heele stukken uit het ijs en knaagde er
aan, aan alle kanten. Reeds waren zij langs Kaap Farewell naar het
Zuiden gedreven, toen zij geheel uitgeput door een schip werden gered!
Ook de veertien op de „Polaris” mochten hun vaderland terugzien.
Nu jaren later, stond weer het leven op het spel. Met zijn kameraad
Noros snelde Nindermann in zuidelijke richting. Een kudde rendieren,
die zij op een heuvel staande, zagen, speurden de vreemdelingen echter
en gingen in wilde vaart op de vlucht. De sneeuwstorm joeg hen juist in
het gezicht en ’s avonds moesten zij, daar er geen beschutte plek te
vinden was, met de hand een gat in de sneeuw graven, waar zij inkropen.
Gedurende den nacht hoopte de sneeuw zich zoo voor hun schuilplaats op,
dat zij er ’s morgens ternauwernood meer uit konden komen!
In hetzelfde stormweer ging het verder. Stap voor stap drongen zij,
tegen den wind vooruit, zonder te kunnen opzien. Tegen den avond zagen
zij een kleinen heuvel voor zich, die een verlaten hut bleek te zijn;
hier staken zij vuur aan. Den volgenden nacht brachten zij in een
onoverdekt hol door, waar zij bijna bevroren. Een dag later stieten zij
op een tentvormige hut, waar twee rottende visschen en een paling
lagen. Hier bleven zij zes en dertig uur om krachten te verzamelen. Den
15den October kwamen zij door den storm niet verder, brachten den nacht
in een hol door en gebruikten voor ontbijt bast van wilgen en reepen
van de broek van robbenvel van Noros. Daarna gingen zij de bevroren
Lena over en overnachtten in een kloof om den volgenden nacht weer naar
den westelijken oever terug te keeren en voor den nacht in een grot
beschutting te zoeken, waar zij echter geen hout vonden om vuur aan te
steken. Zij waren geheel wanhopend. Met loome schreden vervolgden zij
den 19den October hun tocht op het ijs van de Lena, vast besloten om op
handen voeten te kruipen, als zij niet meer zouden kunnen loopen. Zij
hadden tweehonderd kilometer afgelegd zonder hulp te vinden. Den avond
van dien dag ontdekten zij drie hutten en vonden hier niet alleen
onderkomen maar ook redding. In de eene hut lag een kleine voorraad
gedroogde visch, en een slede, die voor de deur stond, leverde
brandhout. Nadat zij twee dagen rust hadden genomen, wilden zij verder
trekken, maar zij waren nog te vermoeid, zoodat zij nog een paar dagen
moesten blijven. Den 22sten October, toen zij juist op het punt waren
eten te koken, klonk buiten voor de deur een ongewoon geraas.
Nindermann keek tersluiks naar buiten en kwam dadelijk terug om zijn
geweer te halen. Hij had twee rendieren gezien. Toen hij zacht de hut
wilde verlaten, stond op den drempel—een mensch, een Toengoes!
Toen de inboorling de twee uitgemergelde vreemdelingen zag en het
geweer in de hand van den een, geloofde hij, dat zijn laatste uurtje
was geslagen, viel op de knieën en smeekte om genade. Nindermann wierp
het geweer in den hoek, klopte den man vriendelijk op den schouder en
beproefde hem te kalmeeren; spoedig begreep de Toengoes ook, dat de
twee niets tegen hem in het schild voerden. Hij zag, dat zij in den
grootsten nood verkeerden, en zij beproefden hem door teekens duidelijk
te maken, dat zij schipbreukelingen waren, dat zij dringend voedsel
noodig hadden, en verder noordelijk kameraden hadden achtergelaten. De
Toengoes kon hen echter niet meer geven dan een paar laarzen van vellen
en de huid van een rendier!
Na een poosje stak hij drie vingers in de hoogte en ging naar zijn
rendierslede. Dat moest zeker beteekenen, dat hij na drie dagen terug
komen en hulp brengen zou. Voordat de twee matrozen er aan dachten, was
hij met zijn voertuig vertrokken en zij hadden weldra spijt, dat zij
hem hadden laten gaan. Maar den volgenden dag kwam hij al weer terug
met twee stamgenooten en verscheidene sleden en bracht pelzen, laarzen
en bevroren visch mede. De half uitgehongerde mannen aten nu eindelijk
weer, trokken de nieuwe, warme kleeren aan en waren nu buiten gevaar.
En toch was het voor hun nagedachtenis in de dikwijls treurige, bijna
altijd roemrijke en nu en dan schitterende geschiedenis der poolreizen,
misschien beter geweest, als zij dien Toengoes niet meer teruggezien
hadden. Dan zouden zij toch gedwongen zijn geweest, hun marsch naar het
Zuiden voort te zetten en waren er waarschijnlijk levend afgekomen.
Want tot het naaste Toengoesche dorp waren nog slechts vijftig
kilometer. De Long en zijn kameraden waren weliswaar verloren geweest,
maar Nindermann en Noros hadden dan tenminste alles gedaan, wat van hen
verwacht had kunnen worden. Hadden zij zich, in het ergste geval door
bedreigingen, een slede met een half dozijn rendieren, die buiten in de
sneeuw voor de hut stonden te trappelen, toegeëigend, om den weg, dien
zij gekomen waren terug te rijden, dan waren zij nog ter rechtertijd
gekomen, om de meeste makkers van De Long te redden! Zij wisten, dat
hun kameraden, toen zij veertien dagen tevoren hen verlieten, leer en
bast van wilgen aten, en het werd hoog tijd hun rendierenvleesch te
brengen! Maar ze keerden niet terug, doch vergezelden de Toengoezen op
hun weg naar het Zuiden—en daarna was het te laat!
Maar toch moet men zich wachten de beide dappere matrozen maar kortweg
te veroordeelen. Zij hadden in elk geval wonderen verricht en zij waren
door den langen strijd voor hun levensbehoud gedurende vier maanden,
sedert den dag waarop de „Jeannette” in de diepte wegzonk, uitgehongerd
en geheel uitgeput. Daarbij de voortdurende spanning dag en nacht! Een
derde winter naderde, dien zij nog dichter bij de Noordpool hadden
moeten doorbrengen dan de twee vorige. Onverschilligheid en stompheid
van geest moeten zich van hen hebben meester gemaakt, en dat moet hun
ter verontschuldiging strekken. Uit zulk een toestand herstelt men niet
in een dag en juist de onbeperkte voorraad levensmiddelen was voor hen
een gevaar. Na zoo lang hongerlijden konden zij het eten niet meer
verdragen en werden daardoor nog meer uitgeput.
Genoeg, te middernacht namen zij, goed ingepakt, plaats op de sleden en
joegen met de Toengoezen naar een dorp, dat uit twee groote tenten en
tien bewoners bestond. Deze bezaten 75 rendieren en 30 sleden. In de
eene tent stond een ketel met versch rendierenvleesch te koken en de
mannen werden uitgenoodigd toe te tasten. Houten schalen werden voor
hen gevuld met vette vleeschpap, waarbij thee werd gedronken. Daarna
spreidden de vriendelijke Toengoezen warme, zachte rendiervellen op den
grond uit; zulk een nacht hadden de twee sinds maanden niet beleefd!
Den volgenden dag reden de Toengoezen en hun beide gasten in een aantal
sleden naar een ander dorp, waar zij den 25sten October aankwamen. Nu
pas dacht Nindermann aan den kapitein en zijn ongelukkige makkers en
ofschoon hij geen woord met de Toengoezen kon spreken, beproefde hij
toch, hun den stand van zaken duidelijk te maken. In een tent lag een
kleine boot, een stuk speelgoed. Hij zette er masten op. Daarna sneed
hij drie kleine booten, die de drie booten der „Jeannette” moesten
voorstellen. Met twee brokken ijs wees hij nu hoe het schip in elkaar
was gedrukt en vergaan en de manschappen zich in de kleine booten aan
land hadden gered. Zestien maal strekte hij zich op den grond uit,
sloot de oogen en stond weer op, om de Toengoezen te doen begrijpen,
dat zestien nachten verloopen waren, sedert hij zijn makkers had
verlaten!
De inboorlingen knikten bij deze gebarentaal, en wisselden met elkaar
onverstaanbare woorden. Maar hoe ijverig de matrozen hen dezelfde
geschiedenis telkens ook weer voordroegen, men scheen ze niet te
begrijpen of wilde ze misschien ook niet begrijpen, omdat de Toengoezen
de woeste toendra in den wintertijd ook vreesden. Eindelijk begon
Nindermann in zijn wanhoop te schreien. Zij beproefden hem te troosten,
klopten hem op de schouders en trokken een medelijdend gezicht.
Den volgenden dag verscheen een banneling, Kusma genaamd. Hij was
intelligenter dan de Toengoezen en werd door Nindermann goed
ondervraagd. Elf verdwaalde mannen! Dat scheen hij te begrijpen en
beproefde nu van zijn kant Nindermann te doen begrijpen, dat zij reeds
gered waren! Maar Kusma dacht, dat Nindermann sprak over den troep van
Melville, die eveneens uit elf man bestond en zoo nam hij de twee
matrozen mede naar Boeloen, waar zij den 2den November weer samenkwamen
met Melville en zijn manschappen.
Toen Melville hen naar De Long vroeg, begonnen zij hard te snikken en
smeekten hem, hen weer naar het Noorden te laten trekken. Maar hij vond
er hen te zwak voor en begaf zich alleen op reis. Hier en daar vond hij
achtergelaten voorwerpen van de manschappen van De Long, een vlag,
instrumenten en de apotheekkist. Hij was dus op het juiste spoor, maar
kon door de hooge sneeuw en den onwil der Toengoezen zijn nasporingen
niet vervolgen. Hiermede werd het lot van De Long en zijn makkers
beslist!
Een half jaar later, in Maart 1882, werden verschillende afdeelingen
naar de Lenadelta gezonden, om nasporingen in het werk te stellen.
Melville begaf er zich ook weer heen, en nu vond men spoedig acht man
van den troep van De Long, die door honger en koude waren omgekomen. De
laatste kampplaats lag geheel onder de sneeuw; de hand van den kapitein
zag men slechts uit de sneeuw steken, alsof hij de zoekenden de juiste
plaats had willen wijzen! Hij zelf, dr. Ambler, Collins, de Chinees en
de matrozen waren gedeeltelijk bedekt door de tent. Tot het laatste
oogenblik hadden zij blijkbaar beproefd het kampvuur aan te houden. De
koude moet hen ontzettend hebben gemarteld; van twee waren handen en
kleeren geschroeid, zoo dicht waren zij bij het vuur gekomen. Gemarteld
door den honger, hadden ze hun laarzen van vellen stuk gesneden en de
stukjes in gloeiende kolen geroosterd. Het gelaat van Collins was met
een doek bedekt, welke De Long en dr. Ambler daar stellig nog over
hadden gelegd. Het dagboek van den kapitein lag naast een potlood op
den grond; hij had het gebruikt, tot het oogenblik, waarop hij de
kracht miste het in den zak te steken!
Dit dagboek vertelde, dat men op 9 October het spoor van Nindermann en
Noros was gevolgd. De krachten begaven de manschappen echter hoe langer
hoe meer. Voetje voor voetje sleepten zij zich voort. Zij kookten soep
van wilgentakken.
„Ik hoop toch nog op Gods hulp en geloof niet, dat het Zijn plan is,
ons van honger te laten omkomen,” schreef De Long nog in zijn dagboek.
Tweemaal teekende hij op, dat de Indiaan een sneeuwhoen had geschoten,
dat zij onder elkaar hadden verdeeld.
Op een andere plaats staat: „Niets te eten, maar wij zijn nog vol moed.
O God, help ons!”
Den 11den October: „Onmogelijk verder te komen, geen brandhout.”
Den 13den October: „Wij kunnen niet tegen den wind op, en hier blijven,
wil zeggen van honger omkomen.”
Een matroos bezweek. De kapitein bidt het Onze Vader bij het lijk. „Een
nacht van ontzettenden sneeuwstorm!”
Zondag, den 16den: „Alexis (de Indiaan) kan niet meer, is aan het einde
zijner krachten. Godsdienstoefening.”
Den 17den: „Alexis ligt op sterven. De dokter doopt hem. Ik houd met
den zieke een godsdienstoefening. Collins wordt vandaag veertig jaar.
Alexis stierf bij zonsondergang van honger en uitputting. Wij dekten
hem onder de tent toe met een vlag.”
Twee dagen later snijden zij de halve tent stuk om met de reepen hun
voeten in te wikkelen.
Den 21sten lag een der matrozen dood tusschen hen. In den middag stierf
een tweede matroos. Niemand had de kracht meer de lijken te begraven;
ze werden naar buiten gebracht, opdat men hen niet meer behoefde te
zien.
Den volgenden Zondag was de godsdienstoefening heel kort, daarna werd
brandhout gezocht voor den nacht.
Den 24sten October: „Een grimmig koude nacht.”
Daarna twee dagen geen woord.
Den 27sten schrijft De Long over een matroos, die op sterven ligt en
den volgenden dag, dat hij dood is.
Den 29sten sterft weer een matroos.
Den 30sten October, 140 dagen na den ondergang der „Jeannette”, wordt
geen godsdienstoefening meer gehouden.
De laatste woorden, die De Long schreef, voordat het potlood aan zijn
hand ontglipte, luidde: „Boyd en Cortz stierven vannacht, Collins ligt
op sterven.”