15. FRIDTJOF NANSEN.

Drie jaren na den ondergang der „Jeannette” vond men in de nabijheid

van Kaap Farewell, de zuidelijkste punt van Groenland een menigte

voorwerpen, die aan het verongelukte schip moeten hebben behoord. Zij

zaten vast gevroren in ijsblokken, maar er kon geen twijfel bestaan

omtrent hun herkomst, want er was een proviandlijst bij met de

handteekening van De Long, een afzonderlijke opgave der booten van de

„Jeannette”, een klep van een pet met den naam Nindermann en

eindelijk—een paar oliebroeken, die het merk „Louis Noros” droegen!

Zonder twijfel hadden deze voorwerpen met het ijs den geheelen weg

afgelegd van de Nieuw Siberische eilanden naar het zuidelijk

voorgebergte van Groenland en waren daarbij juist over de Noordpool

gedreven! Men wist ook, dat veel drijfhout, dat aan de oevers der

Siberische rivieren gegroeid was, aan de kusten van Groenland placht te

landen.

Uit deze en andere teekenen, aan het Noordelijk halfrond der aarde

maakte een jonge Noor, Fridtjof Nansen genaamd, op, dat zich van de

Behringstraat een zeestroom moest bewegen naar de oostkust van

Groenland. Nansen besloot deze strooming te benutten. Vele

Noordpoolreizigers waren van de zijde der Atlantische Oceaan de IJszee

ingegaan en werden door de strooming terug gedreven; hij wilde nu van

de tegenovergestelde zijde beginnen en zich door deze strooming laten

drijven!

Anderen hadden dat pakijs gevreesd en vermeden; hij wilde het juist

opzoeken en er zich vrijwillig aan overgeven. Anderen waren met

ondeugdelijke schepen, die als notendoppen door de ijsvelden werden

verpletterd, uitgevaren; hij wilde een schip bouwen welks naar binnen

gebogen zijden niet door het ijs gepakt zouden kunnen worden. Hoe erger

het ijs perste, des te zekerder moest zulk een schip uit het ijs omhoog

geheven worden, en dan kon het op het ijs met den stroom verder

drijven! Zoo’n reis zou echter lang moeten duren, daar de

overblijfselen der „Jeannette” drie jaren onderweg waren geweest. Maar

men had daarbij gelegenheid nieuwe streken der aarde, diepten der zee,

weer en wind te onderzoeken. Het kleine puntje, dat men de Noordpool

noemde, te bereiken, vond Nansen minder gewichtig dan de

wetenschappelijke resultaten.

Onder de velen, die zich aanboden hem te vergezellen, koos Nansen de

twaalf besten uit; zij waren aldus met hun dertienen; het getal dat

bijgeloovige vrees verwekt, werd het gelukscijfer van Nansen!

Het nieuwe schip doopte men „Fram” (Voorwaarts). Sverdrup werd de

kapitein. Deze was vroeger reeds een keer de metgezel van Nansen

geweest op een avontuurlijke onderneming. Zij hadden te zamen Groenland

van de west- tot de oostkust doorkruist.

Alles werd zoo goed het kon ingericht en proviand voor vijf jaar

medegenomen. Den 24sten Juni 1893 vertrok de „Fram” naar de Siberische

IJszee.

Het eerst moesten de Nieuw-Siberische eilanden bereikt worden. Den weg

daarheen had de Zweedsche „Vega” gewezen, de „Fram” behoefde haar weg

slechts te volgen. Ten Westen van deze eilanden richtte hij zich

dadelijk naar het Noorden, en het duurde ook niet lang of de „Fram” zat

in het ijs vast en werd, zooals Nansen had voorzien, door de persingen

totaal op de oppervlakte van het pakijs geheven, zonder ook maar de

minste schade te ondervinden! Zoover ging alles volgens de berekeningen

van Nansen en kundige poolreizigers, die zijn plan voor krankzinnigheid

hadden uitgemaakt, moesten daarna toegeven, dat hun wijze

voorspellingen onjuist waren geweest. Wel ging de reis nu langzaam

verder; het ijs kraakte en kreunde als altijd, maar in den dikken

houten romp van de „Fram” was de bemanning voor zijn streken veilig en

leidde aan boord een heel gezellig leven.

Toen kwam de poolnacht, lang, somber en zwijgend. IJsberen spookten in

’t rond en moesten er vaak het leven bij laten. Voordat het geheel

donker was, richtte Nansen de honden er op af, de sleden te trekken.

Zij werden er voorgespannen. Hij nam plaats op de slede en klapte met

de tong; daar ging het in dolle vaart vooruit. Zij stormden over

blokken en gaten in het ijs. Nansen viel van de zitplaats, hield zich

vast aan de slede en de honden ijlden om het schip heen, alsof de booze

hen op de hielen zat! De positie van den koetsier was allesbehalve

aangenaam; hij werd nu eens op den buik, dan eens op den rug

medegesleept. Maar als hij maar eerst weer op de been was, zou hij de

uitgelaten dieren de ribben wel breken. Maar toen zij eindelijk zoo

goed waren, hijgend stil te staan en vriendelijk met de staarten

kwispelden, alsof zij hun zaak werkelijk goed hadden gedaan, was Nansen

zoo bont en blauw gestooten, dat hij niet meer van zich verkrijgen kon,

ze te slaan.

Maar langzamerhand ging het beter. Wel is waar moesten eenige der

trouwe dieren hun sledevaarten op het poolijs boeten; twee werden door

ijsberen weggehaald en twee door hun makkers doodgebeten. Maar midden

in de ergste duisternis kwamen op zekeren dag, den 13den December, ook

jonge honden ter wereld.—Toen deze voor het eerst in hun leven de zon

zagen, blaften zij er woedend tegen.

Precies, zooals Nansen voorspeld had, dreef de „Fram” naar het Noorden

in de richting van de Pool over zulk een geweldig diepe zee, als hier

niet verwacht was, en waar de loodlijn van twee duizend meter den grond

nog niet bereikte.

Kerstmis werd op Noorsche wijze gevierd, en toen de 80ste breedtegraad

werd gepasseerd, werd zelfs een groot feest aangericht. Maar de

grootste vreugde verschafte echter de eerste terugkeer der zon, op den

20sten Februari.

Lente en zomer gingen voorbij zonder eenige opmerkelijke

gebeurtenissen. Hondenhokken werden op het ijs gebouwd en nieuwe jonge

honden kwamen ter wereld. Deze honden waren later even verbaasd over de

winterachtige duisternis als hun neven, toen ze voor het eerst de zon

hadden gezien. Door de gesmolten sneeuw ontstonden op het ijs groote

vijvers, waarop men kon zeilen, de makkers stonden aan den kant en

wierpen de mannen, die in de booten zaten, met sneeuwballen. Op zekeren

dag kreeg zulk een vijver echter een gat in den bodem, en was spoedig

geheel leeggeloopen.

Intusschen had Nansen op een moedig plan gezonnen. Hij wilde met

hondensleden nog verder naar het Noorden dringen en dan in zuidelijke

richting naar Frans Jozefs-land terugkeeren! De „Fram” zou intusschen

haar drift vervolgen en aan boord moesten de gewone waarnemingen

gemaakt worden. Een zou hem slechts vergezellen, luitenant Johansen,

met wien hij er pas in November 1894 over sprak. Het was een

onderneming op dood en leven, maar Johanson besloot, zonder zich een

oogenblik te bedenken, Nansen te vergezellen.

„Dan beginnen wij morgen dadelijk de voorbereidingen te treffen,” zeide

Nansen.

Daarmede was de gansche winter gemoeid; zij bouwden twee kajaks, elk

voor een man plaats bevattende, iets grooter en steviger dan de

Eskimo’s gebruiken, als ze op visch- en robbenvangst gaan. Een

stellage, van latten vervaardigd, werd met zeildoek overtrokken; elk

dezer booten woog slechts achttien kilogram. Zij waren geheel overdekt,

en als de roeier in het midden plaats nam, en de opening om zich heen

sloot, konden de golven rustig over het vaartuig rollen zonder de boot

of den inzittende te schaden. Hondensleden, tuig daarvoor, een slaapzak

voor twee personen, sneeuwschoenen, stokken, proviand en een

petroleumstel,—alles werd gepakt.

Bij de wisseling van het jaar moest het werk een korten tijd

onderbroken worden, daar vreeselijke persingen van het ijs in het rond

kraakten en de „Fram” nu toch bedreigden. Heele bergen van groote

ijsblokken en vaste sneeuw verhieven zich rondom het schip, alsof zij

het er onder wilden begraven. Het zeewater werd daardoor omhoog

gedrongen en overstroomde het ijs zoodanig, dat de honden bijna

verdronken in hun hokken en in allerijl gered moesten worden! De muur

van ijs drong tot bij het schip, wentelde zich over de reeling, en brak

de tent op het dek. Maar toen het zich over het geheele dek

verspreidde, waren schip en manschappen als in een muizenval gevangen.

En het was zoo donker, dat men niet goed kon beoordeelen, hoe groot het

gevaar wel was. Proviand voor twee-honderd dagen had men gelukkig te

voren op veilige plaatsen op het ijs ondergebracht.

Maar gaandeweg kwamen de ijsmassa’s weer tot rust. De groote muur werd

weggeschoffeld en nu kon de voorgenomen tocht beginnen. Tweemaal braken

Nansen en Johansen op, maar moesten beide keeren terugkeeren. Eens was

een slede gebroken, den anderen keer was de bagage te zwaar geweest.

Den 14den Maart 1895 verlieten zij de „Fram” voor goed. Of zij hun

trouw schip en hun dappere kameraden wel ooit zouden terugzien?

Van pool tot pool(#76913) · 第 21 / 75 题