Drie jaren na den ondergang der „Jeannette” vond men in de nabijheid
van Kaap Farewell, de zuidelijkste punt van Groenland een menigte
voorwerpen, die aan het verongelukte schip moeten hebben behoord. Zij
zaten vast gevroren in ijsblokken, maar er kon geen twijfel bestaan
omtrent hun herkomst, want er was een proviandlijst bij met de
handteekening van De Long, een afzonderlijke opgave der booten van de
„Jeannette”, een klep van een pet met den naam Nindermann en
eindelijk—een paar oliebroeken, die het merk „Louis Noros” droegen!
Zonder twijfel hadden deze voorwerpen met het ijs den geheelen weg
afgelegd van de Nieuw Siberische eilanden naar het zuidelijk
voorgebergte van Groenland en waren daarbij juist over de Noordpool
gedreven! Men wist ook, dat veel drijfhout, dat aan de oevers der
Siberische rivieren gegroeid was, aan de kusten van Groenland placht te
landen.
Uit deze en andere teekenen, aan het Noordelijk halfrond der aarde
maakte een jonge Noor, Fridtjof Nansen genaamd, op, dat zich van de
Behringstraat een zeestroom moest bewegen naar de oostkust van
Groenland. Nansen besloot deze strooming te benutten. Vele
Noordpoolreizigers waren van de zijde der Atlantische Oceaan de IJszee
ingegaan en werden door de strooming terug gedreven; hij wilde nu van
de tegenovergestelde zijde beginnen en zich door deze strooming laten
drijven!
Anderen hadden dat pakijs gevreesd en vermeden; hij wilde het juist
opzoeken en er zich vrijwillig aan overgeven. Anderen waren met
ondeugdelijke schepen, die als notendoppen door de ijsvelden werden
verpletterd, uitgevaren; hij wilde een schip bouwen welks naar binnen
gebogen zijden niet door het ijs gepakt zouden kunnen worden. Hoe erger
het ijs perste, des te zekerder moest zulk een schip uit het ijs omhoog
geheven worden, en dan kon het op het ijs met den stroom verder
drijven! Zoo’n reis zou echter lang moeten duren, daar de
overblijfselen der „Jeannette” drie jaren onderweg waren geweest. Maar
men had daarbij gelegenheid nieuwe streken der aarde, diepten der zee,
weer en wind te onderzoeken. Het kleine puntje, dat men de Noordpool
noemde, te bereiken, vond Nansen minder gewichtig dan de
wetenschappelijke resultaten.
Onder de velen, die zich aanboden hem te vergezellen, koos Nansen de
twaalf besten uit; zij waren aldus met hun dertienen; het getal dat
bijgeloovige vrees verwekt, werd het gelukscijfer van Nansen!
Het nieuwe schip doopte men „Fram” (Voorwaarts). Sverdrup werd de
kapitein. Deze was vroeger reeds een keer de metgezel van Nansen
geweest op een avontuurlijke onderneming. Zij hadden te zamen Groenland
van de west- tot de oostkust doorkruist.
Alles werd zoo goed het kon ingericht en proviand voor vijf jaar
medegenomen. Den 24sten Juni 1893 vertrok de „Fram” naar de Siberische
IJszee.
Het eerst moesten de Nieuw-Siberische eilanden bereikt worden. Den weg
daarheen had de Zweedsche „Vega” gewezen, de „Fram” behoefde haar weg
slechts te volgen. Ten Westen van deze eilanden richtte hij zich
dadelijk naar het Noorden, en het duurde ook niet lang of de „Fram” zat
in het ijs vast en werd, zooals Nansen had voorzien, door de persingen
totaal op de oppervlakte van het pakijs geheven, zonder ook maar de
minste schade te ondervinden! Zoover ging alles volgens de berekeningen
van Nansen en kundige poolreizigers, die zijn plan voor krankzinnigheid
hadden uitgemaakt, moesten daarna toegeven, dat hun wijze
voorspellingen onjuist waren geweest. Wel ging de reis nu langzaam
verder; het ijs kraakte en kreunde als altijd, maar in den dikken
houten romp van de „Fram” was de bemanning voor zijn streken veilig en
leidde aan boord een heel gezellig leven.
Toen kwam de poolnacht, lang, somber en zwijgend. IJsberen spookten in
’t rond en moesten er vaak het leven bij laten. Voordat het geheel
donker was, richtte Nansen de honden er op af, de sleden te trekken.
Zij werden er voorgespannen. Hij nam plaats op de slede en klapte met
de tong; daar ging het in dolle vaart vooruit. Zij stormden over
blokken en gaten in het ijs. Nansen viel van de zitplaats, hield zich
vast aan de slede en de honden ijlden om het schip heen, alsof de booze
hen op de hielen zat! De positie van den koetsier was allesbehalve
aangenaam; hij werd nu eens op den buik, dan eens op den rug
medegesleept. Maar als hij maar eerst weer op de been was, zou hij de
uitgelaten dieren de ribben wel breken. Maar toen zij eindelijk zoo
goed waren, hijgend stil te staan en vriendelijk met de staarten
kwispelden, alsof zij hun zaak werkelijk goed hadden gedaan, was Nansen
zoo bont en blauw gestooten, dat hij niet meer van zich verkrijgen kon,
ze te slaan.
Maar langzamerhand ging het beter. Wel is waar moesten eenige der
trouwe dieren hun sledevaarten op het poolijs boeten; twee werden door
ijsberen weggehaald en twee door hun makkers doodgebeten. Maar midden
in de ergste duisternis kwamen op zekeren dag, den 13den December, ook
jonge honden ter wereld.—Toen deze voor het eerst in hun leven de zon
zagen, blaften zij er woedend tegen.
Precies, zooals Nansen voorspeld had, dreef de „Fram” naar het Noorden
in de richting van de Pool over zulk een geweldig diepe zee, als hier
niet verwacht was, en waar de loodlijn van twee duizend meter den grond
nog niet bereikte.
Kerstmis werd op Noorsche wijze gevierd, en toen de 80ste breedtegraad
werd gepasseerd, werd zelfs een groot feest aangericht. Maar de
grootste vreugde verschafte echter de eerste terugkeer der zon, op den
20sten Februari.
Lente en zomer gingen voorbij zonder eenige opmerkelijke
gebeurtenissen. Hondenhokken werden op het ijs gebouwd en nieuwe jonge
honden kwamen ter wereld. Deze honden waren later even verbaasd over de
winterachtige duisternis als hun neven, toen ze voor het eerst de zon
hadden gezien. Door de gesmolten sneeuw ontstonden op het ijs groote
vijvers, waarop men kon zeilen, de makkers stonden aan den kant en
wierpen de mannen, die in de booten zaten, met sneeuwballen. Op zekeren
dag kreeg zulk een vijver echter een gat in den bodem, en was spoedig
geheel leeggeloopen.
Intusschen had Nansen op een moedig plan gezonnen. Hij wilde met
hondensleden nog verder naar het Noorden dringen en dan in zuidelijke
richting naar Frans Jozefs-land terugkeeren! De „Fram” zou intusschen
haar drift vervolgen en aan boord moesten de gewone waarnemingen
gemaakt worden. Een zou hem slechts vergezellen, luitenant Johansen,
met wien hij er pas in November 1894 over sprak. Het was een
onderneming op dood en leven, maar Johanson besloot, zonder zich een
oogenblik te bedenken, Nansen te vergezellen.
„Dan beginnen wij morgen dadelijk de voorbereidingen te treffen,” zeide
Nansen.
Daarmede was de gansche winter gemoeid; zij bouwden twee kajaks, elk
voor een man plaats bevattende, iets grooter en steviger dan de
Eskimo’s gebruiken, als ze op visch- en robbenvangst gaan. Een
stellage, van latten vervaardigd, werd met zeildoek overtrokken; elk
dezer booten woog slechts achttien kilogram. Zij waren geheel overdekt,
en als de roeier in het midden plaats nam, en de opening om zich heen
sloot, konden de golven rustig over het vaartuig rollen zonder de boot
of den inzittende te schaden. Hondensleden, tuig daarvoor, een slaapzak
voor twee personen, sneeuwschoenen, stokken, proviand en een
petroleumstel,—alles werd gepakt.
Bij de wisseling van het jaar moest het werk een korten tijd
onderbroken worden, daar vreeselijke persingen van het ijs in het rond
kraakten en de „Fram” nu toch bedreigden. Heele bergen van groote
ijsblokken en vaste sneeuw verhieven zich rondom het schip, alsof zij
het er onder wilden begraven. Het zeewater werd daardoor omhoog
gedrongen en overstroomde het ijs zoodanig, dat de honden bijna
verdronken in hun hokken en in allerijl gered moesten worden! De muur
van ijs drong tot bij het schip, wentelde zich over de reeling, en brak
de tent op het dek. Maar toen het zich over het geheele dek
verspreidde, waren schip en manschappen als in een muizenval gevangen.
En het was zoo donker, dat men niet goed kon beoordeelen, hoe groot het
gevaar wel was. Proviand voor twee-honderd dagen had men gelukkig te
voren op veilige plaatsen op het ijs ondergebracht.
Maar gaandeweg kwamen de ijsmassa’s weer tot rust. De groote muur werd
weggeschoffeld en nu kon de voorgenomen tocht beginnen. Tweemaal braken
Nansen en Johansen op, maar moesten beide keeren terugkeeren. Eens was
een slede gebroken, den anderen keer was de bagage te zwaar geweest.
Den 14den Maart 1895 verlieten zij de „Fram” voor goed. Of zij hun
trouw schip en hun dappere kameraden wel ooit zouden terugzien?