Onder aanvoering van den ijsloods, die vooruitging om den besten weg
met zwarte vaantjes af te steken, begon de tocht door de ijswoestijn
nu. Er werd gedurende de nachtelijke uren geloopen, te middernacht werd
halt gehouden om te eten; de zon stond dag en nacht aan den hemel. De
sleden waren zwaar en de onderstukken raakten vast in de diepe sneeuw.
Men moest daarom elk eind verscheiden keeren afleggen om al de bagage
gaandeweg verder te krijgen. Ontelbaar waren de oponthouden en de
onderbrekingen van den marsch, daar maar al te dikwijls breede spleten
en open watersleuven hun weg kruisten. Elke sleuf moest op ijsvlotten
herhaaldelijk worden afgelegd, om de eene slede na de andere er over te
brengen. Het gesmolten water op het ijs kwam de mannen tot aan de knie.
Daarbij was de gloed der zon om te stikken, allen liepen in hemdsmouwen
en het dampte rondom elken man, die hier om het leven streed. De honden
trokken de kleine sleden: indien men geen wild vond, dan werden zij met
geconserveerd vleesch gevoerd. Nadat de mannen tot bezwijkens toe een
week lang hadden gewerkt, bleek het, dat het ijsveld waarop ze liepen,
driemaal zoo veel zuid-waarts was gedreven, dan zij meenden naar het
Zuiden te zijn gedrongen! Inplaats dichter bij te komen, verwijderden
zij zich steeds meer van het doel! Daar dit ontzettend feit
vernietigend op al de mannen zou hebben gewerkt, vertrouwde De Long het
slechts aan de officieren toe.
Voortgezet moest de marsch in elk geval worden en weer zocht men wat
gemist kon worden uit de bagage. Nu gold het voor alle dingen open
water te bereiken.
Midden Juli klaarde de droeve positie der reizigers op. Twee robben,
een walrus en een ijsbeer werden geveld; dus voor eenigen tijd versch
vleesch genoeg en ook de honden smulden aan de beenderen. Maar nog
hoopvoller was, dat zich eindelijk in het Zuid-Westen land vertoonde.
Na oneindige moeilijkheden bereikte men door een nevel, die elk
uitzicht benam, een eiland, dat den naam Gordon Bennett kreeg. Een vlag
werd geheschen, en een driewerf hoera weerklonk.
Op het Bennett-eiland werd eenige dagen gerust. Daar men nu per boot
verder zou gaan, had er een nieuw onderzoek van al de bagage plaats.
Ook de sleden werden vernietigd en daar de honden dientengevolge
onnutte ballast waren, werden zij die het minst waard waren, dood
geschoten. Twaalf werden mede in de booten genomen, zij verzetten zich
echter tegen de zeevaart en verkozen op de ijsschollen te springen, op
welke de een na den ander weggedreven werd! Maar twee volgden hun
meester—tot het einde.
Bij het verlaten van het eiland verdeelden zich de officieren en
manschappen, levensmiddelen en uitrusting in drie booten. Die van den
kapitein was zes meter lang, had mast, zeil en roer en nam veertien man
op, onder wie Dr. Ambler, de physicus Collins, de matrozen Nindermann,
Noros en Erikson, een Indiaan en een Chinees.
Het opperbevel der tweede boot, die elf man bevatte, voerde Melville.
Gelukkig allen, wie het lot trof, bij hem ingedeeld te worden! De derde
en kleinste boot, waarin maar acht mannen plaats vonden, stond onder
commando van luitenant Chipp, een bijzonder bekwaam zeeman.
Voor de afvaart werd streng bevel gegeven bij elkaar te blijven.
Melville en Chipp mochten de boot van De Long nooit uit het oog
verliezen.
Spoedig greep de wind de drie booten en dreef ze in snelle vaart over
de zee. Allen was de zeetocht welkom, daar men tenminste kon uitrusten
in de booten. Het was daarom een des te hardere slag voor hen, toen het
ijs hen weer tien dagen insloot. Maar zij kwamen weer los en landden op
het eiland Fadschejew, dat tot de groep der Nieuw-Siberische eilanden
behoort. De oever was bedekt met veel bruikbaar drijfhout en eenige
hutten en gereedschap bewees dat het eiland nu en dan door menschen
werd bezocht.
Daarna ging het verder, nu eens zeilend, dan roeiend, langs de
zuidelijke kust van de Kesseleilanden. Het weer was stormachtig en op
zekeren dag had men Chipp uit het oog verloren. De twee andere booten
wachtten daarom bij een ijsschol, totdat de vermisten weer opdaagden en
al de manschappen landden op de Kesseleilanden, om hier een kamp op te
slaan.
Na twee rustdagen ging het onder de rotsen van den oever door, vanwaar
nu en dan een steenuiltje op de zeelieden neerzag, verder. Den 10den
September kwamen zij aan het eiland Semenorn, dat twee jaar te voren
door de bemanning van de „Vega” was gezien; hier schoten zij een
rendierkoe, die hen weer van versch vleesch voorzag.
De Long besloot hier verscheidene dagen te blijven, opdat allen hun
krachten konden verzamelen, voordat zij de ruime zee zouden trotseeren.
Helaas gaf hij toe aan den aandrang van Melville om snel verder te
gaan, ofschoon hemel en wind een orkaan voorspelden. De Lenadelta het
meest nabij liggend deel der kust van het Siberisch vasteland, die men
moest trachten te bereiken, lag op een afstand van tweehonderd
kilometer.
De boot met kapitein De Long zeilde vooruit. Ze was echter nog niet ver
gekomen, of ze werd met zulk een kracht tegen een blok drijfijs
gedreven, dat ze lek werd. Weer moest men bij een ijsveld landen, om
het lek te stoppen, de beide andere booten wachtten hier ook een poos.
Dit was de laatste keer dat de mannen der expeditie bij elkander waren.
Daarna zeilden zij bij gunstigen wind zuid-westwaarts.
De zee ging hoog. Tegen den avond verhief zich een storm en de golven
rolden met schuim bedekte kammen langs de open booten. Melville gaf het
bevel zijner boot over aan een zeevaardig officier, die met het
vaartuig voortreffelijk manoeuvreerde. Wie niet bezig was aan zeil of
stuur moest water scheppen, want de eene golf na de andere sloeg over
de reeling. In de schemering waren de booten van De Long en Chipp nog
in zicht. Maar daarna werd het donker: tot op de huid nat, verstijfd
van koude worstelden de mannen in de boot van Melville met verstijfde
handen om hun leven. De storm dreef hen in het donker voor zich uit
naar de kust. Niets was te zien, men hoorde slechts het geloei van den
storm en het ruischen der golven, welker kammen in kokend schuim omlaag
sloegen. Toch hielden allen dapper stand. Maar toen de dag over de
woeste zee aanbrak, was van de beide andere booten niets meer te zien!
Den ganschen dag en den daarop volgenden nacht ging de strijd met wind
en golven verder. Toen de boot van Melville tenslotte gelukkig in het
oostelijk deel der Lenadelta landde, hadden de manschappen honderd acht
uren achter elkaar ineengehurkt aan de riemen gezeten. Eenigen waren
zoo stijf bevroren, dat ze zich aan land ternauwernood naar het vuur
konden sleepen, dat hun makkers aanmaakten en waaromheen nu allen zich
neerwierpen in een vasten slaap. Maar het geluk diende hen; twee dagen
later ontmoetten zij visschers, die hen den weg naar Boeloen, het
eerste dorp aan den Lena-oever, wezen. Waar was kapitein De Long
gebleven?