13. DOOR DE IJSWOESTIJN.

Onder aanvoering van den ijsloods, die vooruitging om den besten weg

met zwarte vaantjes af te steken, begon de tocht door de ijswoestijn

nu. Er werd gedurende de nachtelijke uren geloopen, te middernacht werd

halt gehouden om te eten; de zon stond dag en nacht aan den hemel. De

sleden waren zwaar en de onderstukken raakten vast in de diepe sneeuw.

Men moest daarom elk eind verscheiden keeren afleggen om al de bagage

gaandeweg verder te krijgen. Ontelbaar waren de oponthouden en de

onderbrekingen van den marsch, daar maar al te dikwijls breede spleten

en open watersleuven hun weg kruisten. Elke sleuf moest op ijsvlotten

herhaaldelijk worden afgelegd, om de eene slede na de andere er over te

brengen. Het gesmolten water op het ijs kwam de mannen tot aan de knie.

Daarbij was de gloed der zon om te stikken, allen liepen in hemdsmouwen

en het dampte rondom elken man, die hier om het leven streed. De honden

trokken de kleine sleden: indien men geen wild vond, dan werden zij met

geconserveerd vleesch gevoerd. Nadat de mannen tot bezwijkens toe een

week lang hadden gewerkt, bleek het, dat het ijsveld waarop ze liepen,

driemaal zoo veel zuid-waarts was gedreven, dan zij meenden naar het

Zuiden te zijn gedrongen! Inplaats dichter bij te komen, verwijderden

zij zich steeds meer van het doel! Daar dit ontzettend feit

vernietigend op al de mannen zou hebben gewerkt, vertrouwde De Long het

slechts aan de officieren toe.

Voortgezet moest de marsch in elk geval worden en weer zocht men wat

gemist kon worden uit de bagage. Nu gold het voor alle dingen open

water te bereiken.

Midden Juli klaarde de droeve positie der reizigers op. Twee robben,

een walrus en een ijsbeer werden geveld; dus voor eenigen tijd versch

vleesch genoeg en ook de honden smulden aan de beenderen. Maar nog

hoopvoller was, dat zich eindelijk in het Zuid-Westen land vertoonde.

Na oneindige moeilijkheden bereikte men door een nevel, die elk

uitzicht benam, een eiland, dat den naam Gordon Bennett kreeg. Een vlag

werd geheschen, en een driewerf hoera weerklonk.

Op het Bennett-eiland werd eenige dagen gerust. Daar men nu per boot

verder zou gaan, had er een nieuw onderzoek van al de bagage plaats.

Ook de sleden werden vernietigd en daar de honden dientengevolge

onnutte ballast waren, werden zij die het minst waard waren, dood

geschoten. Twaalf werden mede in de booten genomen, zij verzetten zich

echter tegen de zeevaart en verkozen op de ijsschollen te springen, op

welke de een na den ander weggedreven werd! Maar twee volgden hun

meester—tot het einde.

Bij het verlaten van het eiland verdeelden zich de officieren en

manschappen, levensmiddelen en uitrusting in drie booten. Die van den

kapitein was zes meter lang, had mast, zeil en roer en nam veertien man

op, onder wie Dr. Ambler, de physicus Collins, de matrozen Nindermann,

Noros en Erikson, een Indiaan en een Chinees.

Het opperbevel der tweede boot, die elf man bevatte, voerde Melville.

Gelukkig allen, wie het lot trof, bij hem ingedeeld te worden! De derde

en kleinste boot, waarin maar acht mannen plaats vonden, stond onder

commando van luitenant Chipp, een bijzonder bekwaam zeeman.

Voor de afvaart werd streng bevel gegeven bij elkaar te blijven.

Melville en Chipp mochten de boot van De Long nooit uit het oog

verliezen.

Spoedig greep de wind de drie booten en dreef ze in snelle vaart over

de zee. Allen was de zeetocht welkom, daar men tenminste kon uitrusten

in de booten. Het was daarom een des te hardere slag voor hen, toen het

ijs hen weer tien dagen insloot. Maar zij kwamen weer los en landden op

het eiland Fadschejew, dat tot de groep der Nieuw-Siberische eilanden

behoort. De oever was bedekt met veel bruikbaar drijfhout en eenige

hutten en gereedschap bewees dat het eiland nu en dan door menschen

werd bezocht.

Daarna ging het verder, nu eens zeilend, dan roeiend, langs de

zuidelijke kust van de Kesseleilanden. Het weer was stormachtig en op

zekeren dag had men Chipp uit het oog verloren. De twee andere booten

wachtten daarom bij een ijsschol, totdat de vermisten weer opdaagden en

al de manschappen landden op de Kesseleilanden, om hier een kamp op te

slaan.

Na twee rustdagen ging het onder de rotsen van den oever door, vanwaar

nu en dan een steenuiltje op de zeelieden neerzag, verder. Den 10den

September kwamen zij aan het eiland Semenorn, dat twee jaar te voren

door de bemanning van de „Vega” was gezien; hier schoten zij een

rendierkoe, die hen weer van versch vleesch voorzag.

De Long besloot hier verscheidene dagen te blijven, opdat allen hun

krachten konden verzamelen, voordat zij de ruime zee zouden trotseeren.

Helaas gaf hij toe aan den aandrang van Melville om snel verder te

gaan, ofschoon hemel en wind een orkaan voorspelden. De Lenadelta het

meest nabij liggend deel der kust van het Siberisch vasteland, die men

moest trachten te bereiken, lag op een afstand van tweehonderd

kilometer.

De boot met kapitein De Long zeilde vooruit. Ze was echter nog niet ver

gekomen, of ze werd met zulk een kracht tegen een blok drijfijs

gedreven, dat ze lek werd. Weer moest men bij een ijsveld landen, om

het lek te stoppen, de beide andere booten wachtten hier ook een poos.

Dit was de laatste keer dat de mannen der expeditie bij elkander waren.

Daarna zeilden zij bij gunstigen wind zuid-westwaarts.

De zee ging hoog. Tegen den avond verhief zich een storm en de golven

rolden met schuim bedekte kammen langs de open booten. Melville gaf het

bevel zijner boot over aan een zeevaardig officier, die met het

vaartuig voortreffelijk manoeuvreerde. Wie niet bezig was aan zeil of

stuur moest water scheppen, want de eene golf na de andere sloeg over

de reeling. In de schemering waren de booten van De Long en Chipp nog

in zicht. Maar daarna werd het donker: tot op de huid nat, verstijfd

van koude worstelden de mannen in de boot van Melville met verstijfde

handen om hun leven. De storm dreef hen in het donker voor zich uit

naar de kust. Niets was te zien, men hoorde slechts het geloei van den

storm en het ruischen der golven, welker kammen in kokend schuim omlaag

sloegen. Toch hielden allen dapper stand. Maar toen de dag over de

woeste zee aanbrak, was van de beide andere booten niets meer te zien!

Den ganschen dag en den daarop volgenden nacht ging de strijd met wind

en golven verder. Toen de boot van Melville tenslotte gelukkig in het

oostelijk deel der Lenadelta landde, hadden de manschappen honderd acht

uren achter elkaar ineengehurkt aan de riemen gezeten. Eenigen waren

zoo stijf bevroren, dat ze zich aan land ternauwernood naar het vuur

konden sleepen, dat hun makkers aanmaakten en waaromheen nu allen zich

neerwierpen in een vasten slaap. Maar het geluk diende hen; twee dagen

later ontmoetten zij visschers, die hen den weg naar Boeloen, het

eerste dorp aan den Lena-oever, wezen. Waar was kapitein De Long

gebleven?

Van pool tot pool(#76913) · 第 19 / 75 题