Intusschen was de „Jeanette” reeds in het begin van September 1879 in
dicht ijs geraakt, en daar zij geen duimbreed meer verder kon, werd het
schip aan een veld drijfijs voor anker gelegd en de vuren onder de
stoomketels werden uitgedoofd. Den volgenden morgen was ze reeds aan
alle kanten ingesloten en gevangen—een en twintig maanden lang! De
zeelieden namen het lot kalm op en hoopten, dat het ijs zich spoedig in
beweging zou zetten. Op de bevroren zoetwaterplassen, die zich op de
ijsschollen vormden, reden de manschappen schaatsen; de een hield zich
bezig met lezen, de ander ging op de jacht. Twee walrussen en eenige
ijsberen werden neergeschoten. Toen een der Indianen zijn eerste walrus
had gedood, stak hij zijn arm in den muil van het nog niet koud
geworden dier, trok er hem weer met bloed bedekt uit, en bestreek toen
zijn voorhoofd eerst met bloed, daarna met sneeuw; dit, had zijn vader
hem verzekerd, bezorgde hem geluk op de jacht.
Spoedig bemerkte men door waarneming van den hemel, dat het schip
slechts schijnbaar stil lag in het ijs. Een onregelmatige strooming der
zee dreef het geheele ijsveld noord-westelijk. Indien het slechts wat
sneller was gegaan, zou men niet gemakkelijker het poolijs door hebben
kunnen varen! Maar het ging wanhopig langzaam. Dikwijls dreef het
ijsveld in kromme lijnen en cirkels en van het Wrangeleiland naar de
slechts ongeveer duizend meter verwijderde groep der Nieuw-Siberische
eilanden had men bijna twee jaar noodig!
Zonder gevaar was deze gevangenis der „Jeannette” volstrekt niet. Het
ijs perste ontzaglijk. Het roer werd weggenomen maar de schroef liet
men nog zitten en de dreigende ijsblokken in de nabijheid er van werden
weggeslagen en weggezaagd. De instrumenten werden op een afstand van
eenige honderden meters op het ijs ondergebracht, waar een
observatorium werd gebouwd, dat met het schip in telefonische
verbinding stond. De „Jeannette” lag tusschen twee meter dik ijs, maar
daar hier en daar de ijsvelden, door de ontzaglijke persing op elkaar
waren geschoven, bedroeg de dikte van het ijs op enkele plaatsen tot
zes meter. Bij zulke opschuivingen der ijsmassa’s dreunde het rondom de
„Jeannette” als donder en de grootste voorzichtigheid was noodig.
Tot dusverre had men gedacht, dat het eiland Wrangel zich noordelijk
naar de Pool als een tweede Groenland uitstrekt. De drift van de
„Jeannette” toonde echter, dat het eiland tamelijk klein was en rondom
de kusten de zee nog grootendeels open was.
Zeehonden en walrussen kwamen hier in grooten getale voor, maar men
ontmoette slechts twee witte walvisschen.
In het begin van November werd het kraken van het ijs, dat
onophoudelijk van positie veranderde, hoogst beangstigend. De honden
huilden van schrik, noch zij noch hun meesters hadden ooit zulk een
geraas gehoord. Soms scheidden de ijsschollen zich en dan dreef de
„Jeannette” een korten tijd op het water. Spleten en gleuven openden
zich hier en ginds en gedurende eenige dagen verkeerde de bemanning van
het schip in zulk een opwinding, dat ze er ternauwernood toe konden
komen thee te drinken.
Den 10den November begon de winternacht van drie maanden, een tijd van
rust, dien men eenigszins gezellig inrichtte. Te zeven uur ’s morgens
klonk de reveille, dan werd het vuur aangemaakt. Te negen uur werd het
ontbijt gebruikt en van elf tot een uur moesten allen op de jacht gaan
om beweging te nemen. Te drie uur werd er voor het middagmaal geluid,
daarna liet men het keukenvuur uitgaan om kolen te sparen. Te acht uur
was er thee en koude keuken, daarna ging men slapen. Het menu bracht
tamelijk veel afwisseling: tweemaal in de week was er gebraden
ijsberen- en robbenvleesch. Wijn werd slechts bij feestelijke
gelegenheden gedronken.
Met Kerstmis verschenen de manschappen in groot tenue aan den bak om de
officieren geluk te wenschen en werden door hen aan het middageten
genoodigd. De avond werd gevierd met de opvoering van een tooneelstuk
en verder hield men de manschappen bezig met voordrachten, precies als
op de „Vega”.
In Januari 1880 was de „Jeannette” aan zulke ontzettende ijspersingen
blootgesteld, dat ze lek werd. Waar het lek was, wist men niet, maar in
het voorruim kwam het water zoo hoog, dat de pompen in werking gebracht
moesten worden. Van toen af werkten ze volle achttien maanden!
Begin Februari werd een witte vos geschoten. Wat ter wereld had die
hier buiten te zoeken? Het eiland Wrangel was nog steeds een groot eind
verwijderd. Meester Reintje had misschien de honden gespeurd, en zich
naar hier laten lokken. Op een anderen keer beproefde een ijsbeer een
bezoek aan boord te brengen; ontvangen door de woedende honden, maakte
hij volstrekt niet, dat hij wegkwam, maar joeg zijn tegenstanders op de
vlucht. Het dappere dier had wel een beter lot verdiend, dan in kleine
porties op de tafel der „Jeannette” te verschijnen.
Toen de zon, door stormachtig gejubel begroet, terugkeerde, waren de
gevangenen verbaasd te zien hoe bleek en grauwgeel zij er uitzagen. De
koude daalde tot bijna vijftig graden; het was hier dus nog vier graden
kouder dan in het winterkwartier van de „Vega”.
In Mei vertoonde zich nu en dan een meeuw, ook soms een verdwaalde
eidergans of een wilde eend. Gedurende den zomer was het heerlijk weer.
De honden vonden den voortdurenden zonneschijn zelfs hinderlijk warm en
lagen hijgend aan de schaduwzijde van het dek.
Zoo dreef de „Jeannette” van maand tot maand in haar ijsveld steeds
verder naar het Noorden, en indien zij stand had kunnen houden tegen
het ijs, dan was zij zeker de Noordpool voorbij of althans in haar
nabijheid gekomen! De waarnemingen der zeelieden schenen aan te toonen,
dat de geheele Poolzee met een mantel drijfijs bedekt was, dat, althans
in de nabijheid der Siberische kusten, langzaam den tegenovergestelden
weg van den wijzer eener klok aflegde, namelijk van het Oosten over het
Noorden naar het Westen.
Daarna begon de tweede nacht, die drie maanden duurde. De gezondheid
der gevangenen leed meer dan in den eersten winter. Teekenen van
scheurbuik, de vernielende ziekte der poolstreken, waaraan reeds
zooveel menschenlevens ten offer waren gevallen, vertoonden zich en de
scheepsdokter had handen vol werk.
Den 18den Mei zag de loods van zijn uitkijk aan den top van den
grootsten mast, in het Zuidwesten, waar tot nu toe nog geen land bekend
was, een kust. Het was slechts een klein eiland; het kreeg voor goed
den naam van het in het ijs gevangen gehouden schip. Eenige dagen later
kwam weer een eiland in het zicht, waar de „Jeannette” langzaam voorbij
ging. In het begin van Juni openden zich rondom het schip gapende
spleten in het ijs. Den avond van den 10den werden heftige stooten
gevoeld en gedurende de uren van den zonhelderen Juni-nacht barstten de
ijsvelden overal in het rond, alom vertoonden zich groote watervlakten,
en de „Jeannette” was bijna vlot. Het roer werd weer aangezet, onder
den stoomketel het vuur gestookt, en men verheugde zich in de hoop
eindelijk weer uit het pak-ijs te komen.
Met het vlot worden van de „Jeannette” eindigt het logboek van kapitein
De Long, maar in zijn dagboek vervolgt hij het verslag. De „Jeannette”
kwam den 11den Juni in den voormiddag geheel vrij van ijs en allen
waren vervuld van een gevoel, alsof het schip zoo juist van stapel was
geloopen! De geheele bemanning stormde uit de kajuiten naar het dek en
jubelde over het kristalheldere, blauwe bekken, waarin de „Jeannette”
zwom.
Men ging voor anker liggen in de verwachting van een vaarwater, dat
zich zou openen. Maar men wachtte vergeefs! Weer schoof het ijs aan
alle kanten te zamen en den 12den Juni zat het schip erger dan ooit in
het ijs bekneld. Het weer was prachtig. Toen men weer eenigszins van
het persen van het ijs was bekomen, ging een deel der bemanning op
jacht en gedurende hun afwezigheid begon het persen van het ijs
opnieuw. Het vlaggesignaal van De Long riep allen terug aan boord en
toen de laatste jager, een Indiaan, hijgend aankwam met een zeehond op
den schouder, dien hij had geveld, perste het ijs reeds zoo, dat het
schip overhelde. Allen verkeerden in de grootste opwinding. Zonder
eenigen twijfel moest de „Jeannette” als glas tot splinters gaan, als
het ijs met al zijn kracht verder perste en het drong stormachtig
nader. Het schip streed zijn doodstrijd; het werd zoo samengedrukt, dat
het dek zich als een golf verhief en de trap naar de commandobrug
instortte. De machinist verliet eveneens zijn post met den kreet van
schrik: „Het ijs dringt in het kolenruim”.
Daarna hoorde men nog slechts het water alle lekken binnen stroomen.
Officieren en manschappen werkten als galeislaven. De Long deelde zijn
bevelen uit vanaf de commandobrug, de matrozen stonden halverwege in
het water en reikten elkaar kisten met proviand toe. Maar toen het
water onder het dek steeds hooger kwam, moesten zij hun plaats
verlaten. Sleden, booten en een voorraad levensmiddelen had men reeds
geruimen tijd te voren op een veilige plaats van het schip verwijderd,
gereed gehouden. Nu moest nog slechts gered worden, wat op de een of
andere wijze geborgen kon worden. Officieren en manschappen hadden hun
eigendommen bij elkaar gepakt en het werd hoog tijd, deze te halen,
want het water stond reeds in de kajuiten en salons. Op den bezaansmast
werd de vlag geheschen—voor den ondergang.
Wat gered was, werd naar het kamp gedragen, waar de tenten opgeslagen
waren. Intusschen drong en drong het ijs het schip sterk naar
stuurboordzijde; het was reeds tot boven toe vol water en werd nog
slechts door den druk van het ijs gehouden.
De laatste manschappen waren van het dek gesprongen, dat langzaam door
het water werd overstroomd; nu verliet ook de kapitein, als
allerlaatste, de commandobrug van zijn zinkend schip! Den 13den Juni te
drie uur in den morgen stond de geheele scheepsromp onder water, de
schoorsteenen verdwenen in de golven, de masten staken nog alleen
omhoog. Knallend versplinterden de raas tegen de ijskanten en ten
slotte gaapte een wak, als een graf; nog slechts enkele boeien en
planken dreven rond. De bemanning der „Jeannette” stond zoo stil en
zwijgend als bij een begrafenis, de honden huilden klagend. Daarna
schoof langzaam een ijsschots over het wak, als een ijzeren deksel van
een crematorium!
Zwijgend gingen de mannen naar het kamp, waar alles dooreen lag
opgestapeld. Er waren levensmiddelen voorhanden voor twee à drie
maanden: vleesch, brood, suiker, thee, chocolade, vleeschextract. Zij
hadden verscheiden geweren en twee duizend patronen. Twee sloepen, en
een walvischboot, sleden en tenten waren eveneens gered.
Verlaten en woest lag in het rond het ijslandschap. Geen spoor meer van
het schip, dat zoolang het tehuis der mannen was geweest. Zij voelden
zich als arme sukkels, die door den kwaden huisbaas op straat waren
gezet. De ongeluksdag was een Zondag; op den gewonen tijd riep De Long
de zijnen bijeen voor de godsdienstoefening.
Daarna werd het kamp in orde gebracht en de tenten geriefelijk en warm
ingericht. De Nieuw-Siberische eilanden waren zoo nabij, en over de zee
zou men zonder al te groote moeilijkheden de Lenadelta aan de
Siberische kust kunnen bereiken. ’s Avonds zongen de matrozen bij de
klanken der harmonica.
De Long gaf zijn mannen zes dagen den tijd om zich gereed te maken voor
het opbreken. De booten werden op de grootste sleden vastgesnoerd en
met tenten, kisten proviand en de overige bagage gevuld. Logboeken,
aanteekeningen en kaarten verloor de kapitein niet uit het oog. Niemand
mocht overbodige en al te zware zaken medenemen; elk pak mocht niet
meer bevatten dan twee vilten dekens, twee paar kousen, ondergoed,
wanten, twee mutsen, schoenen om te verwisselen, een sneeuwbril, een
pak tabak met een pijp en lucifers en enkele kleinigheden. Toen alles
tot den afmarsch gereed was, telde men 28 man en 23 honden.