11. EEN GORDON-BENNETTVAART NAAR DE NOORDPOOL.

Het was de Amerikaansche dagbladondernemer, Gordon-Bennett, wiens naam

destijds in aller mond was door den door hem uitgeschreven grooten

prijs voor de wedstrijden in automobiel en luchtballon, die eens

Stanley naar Afrika heeft gezonden om den verdwenen zendeling

Livingstone op te zoeken. Naast het onderzoek van tropisch Afrika,

waarvoor hij groote sommen beschikbaar stelde, beproefde hij echter ook

de verovering van de Noordpool. Hij had de geschiedenis der

Noordpoolreizen bestudeerd en daarbij was hem opgevallen, dat

verscheiden schepen, die van den Atlantischen Oceaan naar het Noorden

voeren, in een zeestrooming geraakten, die met drijfijs was bedekt en

waardoor zij naar het Zuiden werden teruggedrongen. Als dus een schip

door de Beringhstraat tusschen Azië en Amerika doorging, moest het nut

trekken van deze strooming en kon misschien juist door deze, langs de

Noordpool naar de andere zijde van den Oceaan worden gedreven.

Gordon-Bennett kocht dus een schip, dat reeds vroeger dienst gedaan had

bij het zoeken naar Franklin. Het kreeg te New-York den naam van

„Jeannette” en bij den doop was ook Stanley tegenwoordig, die juist van

zijn tweede Afrikareis was teruggekeerd. De „Jeannette” zeilde geheel

Amerika om en deed San Francisco aan, om daar haar uitrusting te

voltooien. Er werd voor drie jaar proviand ingescheept. De kapitein en

leider der expeditie was De Long, de eerste machinist heette Melville,

de arts dr. Ambler. Daar kwamen nog vijf andere officieren bij; de

bemanning bestond uit vier en twintig man; daaronder bevonden zich twee

Indianen, bekwame jagers, en twee Chineezen ter verzorging der keuken.

De geheele onderneming kostte 1.080.000 gulden.

De Long kreeg van Bennett drie gewichtige opdrachten mede. Ten eerste

moest hij de Noordpool bereiken; bovendien de Noord-West-doorvaart

zoeken, in tegenovergestelde richting van de „Vega”. Van het gelukken

der Zweedsche expeditie wist men toen nog niets; de „Vega” was sedert

een jaar weg en men had nog geen bericht van die expeditie gekregen.

Indien het noodig was, zou De Long haar derhalve hulp brengen.

Den 8sten Juli 1879 ging de „Jeannette” in zee. Een geheele vloot

stoombooten en jachten deed haar uitgeleide. Mevrouw De Long ging ook

mede, totdat men in open zee was. Daar zeiden de beide echtgenooten

elkaar voor het laatst vaarwel en de dappere vrouw bleef zoolang bij de

borstwering van haar schip staan, als er nog iets van de rookkolommen

van het poolschip was te zien. Een afscheid voor eeuwig!

De zee stond bol toen de „Jeannette” in open zee kwam, en toen de klok

voor het middageten luidde, begaven zich maar weinigen naar de eetzaal.

De meesten lagen liever in de hut, terwijl het stampende schip als een

meeuw op de golven schommelde. Zelfs geharde zeelieden moesten den

zeegod rijkelijk schatting betalen.

Op witte vleugelen zweefden de stormvogels rondom het schip en daalden

nu en dan op de golven neer, als afval over boord werd geworpen.

Eenigen werden gevangen; zij fladderden, sloegen met de vleugels en

konden zich niet meer van het schip opheffen, omdat de harde, gelijke

grond hun geen lucht genoeg bood. Vreemd genoeg werden ook zij zeeziek;

ofschoon ze hun leven boven de golven doorbrachten en zoo dikwijls op

de golven wiegden, konden zij het schommelen van het schip niet

verdragen, maar keerden letterlijk hun maag om. Bovendien zaten zij vol

ongedierte, ofschoon de zoutachtige, reine zee hun tehuis was.

De Chinees werd onder de passagiers het ergste ziek. Dr. Ambler moest

al zijn kennis aanwenden om hem in het leven te behouden: in de eerst

volgende haven werd hij op een ander schip weer teruggezonden.

De dagen vervolgden rustig hun loop. Men deed waarnemingen en begon met

het verzamelen van de bewoners der zee. ’s Avonds werd muziek gemaakt

op een piano en ’s Zondags leidde De Long een godsdienstoefening op het

achterdek. De zee was kalmer geworden en ver in het Oosten moest de

kust van Canada reeds liggen. Om kolen te sparen vertrouwde de

„Jeannette” zich zoo veel mogelijk aan haar zeilen toe; het duurde

daarom lang, voordat zij door de eilandenketen der Aleoeten de

Behringstraat inliep.

Op de kust van Alaska werden Eskimohonden aan boord genomen; maar negen

er van werden dadelijk door hun makkers opgegeten en moesten door

nieuwe worden vervangen. De twee Indianen waren meegenomen voor de

verzorging der honden en voor de jacht. Het hondenhok was op het

voordek en daar heerschte voortdurend een helsch geraas, dat maar een

korten tijd minder werd als een der Indianen zijn zweep op het

gezelschap liet neersuizen.

Op het eiland St. Lorenz vernam De Long, dat de „Vega” drie maanden

geleden gelukkig daar was aangekomen en in zuidelijke richting was

gegaan. Een oude Tschiektsch, die zelf aan boord van de „Vega” was

geweest, gaf uitvoerig verslag over het winterkwartier van het

Zweedsche schip. Om zich van de juistheid der verklaringen te

overtuigen, zeilde De Long naar de plaats van het winterkwartier en

liet zich daar elke mededeeling door de daar wonende Tschiektschen

bevestigen. Er viel dus niet meer te twijfelen aan den gelukkigen

uitslag der Vega-expeditie. Twee van zijn eigen opdrachten waren

hiermede volbracht: de Noord-Oost-doorvaart was gevonden en de mannen

van de „Vega” hadden zijn hulp niet noodig. Nu bleef hem nog slechts

over de Noordpool te bereiken.

Van San Francisco was een tweede schip naar de Behringstraat gevaren,

om kolen en proviand van de „Jeannette”, weer aan te vullen. Daarna

werd de „Jeannette” nog maar eens gezien en wel door een Amerikaanschen

walvischvaarder; deze vertelde, dat de Poolzee vol drijfijs was geweest

en de „Jeannette” zeker spoedig in het ijs was blijven steken. De

walvischvaarders, die dat jaar het laatst terugkeerden, hadden het

schip niet meer gezien en spoedig begon men er zich ongerust over te

maken. Maar pas na bijna twee jaar, in 1881, werden vijf

hulp-expedities uitgezonden: naar de Noordkust van Alaska, naar

Noord-Groenland, naar Frans-Jozef-land en andere deelen van de

noordelijke IJszee en de Russische regeering werd verzocht alle

Siberische zeelieden bevel te geven, dat zij naar het schip zouden

rondzien, en in geval van nood hulp moesten bieden.

Van pool tot pool(#76913) · 第 17 / 75 题