Het lot van de „Hansa” waarop kapitein Hedemann het bevel voerde en die
in dr. Buchholz en dr. Laube twee wetenschappelijke medewerkers aan
boord had, was niet zoo gelukkig als dat van de „Germania”. Ze was door
een verkeerd begrepen signaal te ver naar het Westen gezeild, en zat
spoedig, nadat zij het hoofdschip uit het gezicht verloren had in het
ijs vast, dat langzaam naar het Zuiden dreef. Land te bereiken was
onmogelijk en men moest voorbereid zijn op een overwintering tusschen
het drijfijs. Met of zonder schip? Dat was de moeielijke vraag, van
welker beslissing het lot der geheele bemanning die veertien man sterk
was, afhing. Ondenkbaar was het niet, met het ijs verder te drijven en
in Februari ongeveer bij IJsland weer vlot te worden. Maar hoeveel
Groenlandvaarders van vroegers tijden, die eveneens met hun schepen
tusschen het ijs der Groenlandsche kusten waren gedreven, waren daarbij
niet te gronde gegaan.
De ijspersingen kwamen steeds meer voor en spoedig moest men zich
voorbereiden op het verlies van de „Hansa”.
De booten gaven te weinig beschutting tegen storm, koude en sneeuw; in
de allereerste plaats moest er dus voor een goed onderkomen worden
gezorgd. Vierhonderd vijftig schreden van het schip verwijderd zocht
men een stevig stuk ijs, dat geen gaten had, en oogenschijnlijk niet
zoo spoedig door de wrijving met andere ijsvelden zou doorbreken. En
hier begon men een huis te bouwen. Bouwsteenen waren de voorhanden
zijnde briquetten, een uitnemend bouwmateriaal, dat de vochtigheid
opnam en de warmte in de binnenruimte hield. Water en sneeuw was de
kalk; hoe sterker het vroor, des te beter vorderde het werk; men
behoefde slechts in de voegen en spleten der kolensteenen fijne sneeuw
te strooien en daar water op te gieten—in tien minuten was alles tot
een vaste massa bevroren. De kap van het dak werd getimmerd uit
scheepshout en met zeildoek en matten bedekt en om aan het luchtige dak
meer dichtheid en vastheid te geven, werd er nog sneeuw opgeschept. De
vloer werd eveneens met briquetten belegd, in het huis, dat 3 October
na een arbeid van zeven dagen gereed kwam, werd proviand voor twee
maanden gebracht; vooral brood en vleesch, conserven, spek, wat koffie
en alcohol, brandhout en kolen. Tegelijkertijd werd het schip zelf voor
de mogelijke overwintering ingericht.
Intusschen dreef de „Hansa” steeds meer naar het Zuid-Westen. Een
laatste poging om te voet tot het land door te dringen bleek
onuitvoerbaar door een waterarm, die parallel met de kust liep.
Den 18den October begon het ijs den strijd met het ingesloten schip. In
regelmatige tusschenruimten, als door een gelijkmatigen golfslag in het
leven geroepen, begon het persen en schroeven der ijsmassa, het dreunen
en knallen, piepen en fluiten onder het ijs. Nu eens klonk het als het
knarsen van deuren, dan weer als een verward door elkaar spreken van
stemmen, dan weer als het remmen van een trein. Het ijsveld, waarin de
„Hansa” lag, had zich onder het drijven omgedraaid en drong het schip
nu steeds sterker naar het kustijs. De masten schommelden en het was
den stuurman boven op zijn brug vaak, alsof iemand hem naklom.
Dat was slechts het voorspel der gebeurtenissen in de eerstvolgende
dagen. Onder storm en sneeuwjachten werden de persingen van het ijs
steeds sterker, gaandeweg hieven de ijsmassa’s den voorsteven omhoog,
terwijl de achtersteven van het schip ingeklemd bleef en een
vreeselijken druk had te weerstaan. Elk oogenblik kon de catastrofe
plaats hebben en dan was de eenige toevlucht voor de mannen het
kolenhuis op het ijs!
In de grootste haast werd nog alles uit het schip gehaald, dat aan
kleedingstukken, bedden, brandstof en proviand diensten kon bewijzen.
Toen de persing wat minderde, bleek, dat het schip op een onbereikbare
plaats een gat had gekregen.
Het pompen was vergeefs en de „Hansa” begon langzaam te zinken. Wat nog
maar van eenige waarde kon zijn, werd gehaald en op het ijs gebracht;
de tot nu toe bijeengebrachte wetenschappelijke verzamelingen en
fotografische opnamen gingen echter verloren; de masten werden gekapt
en met al het takelwerk op het ijs gesleept; daarna werden de touwen
losgemaakt, waarmede het ijsanker de „Hansa” nog aan het veld
vasthield, opdat de ijsschol zelf niet door het zinkende schip werd
verbrijzeld. In het rond lagen in chaotische verwarring de meest
verschillende zaken door elkaar, met den dood kampende en van koude
bevende ratten, die door het water uit het scheepsruim waren gedreven,
liepen er tusschen, en in den nacht van den 21sten op den 22sten
October zonk de „Hansa” in de ijzige diepte!
Nu moest men zich eenigszins huiselijk in het kolenhuis inrichten. Het
niet luchtdichte dak van zeildoek werd door een planken dak vervangen
en om licht en lucht in de zwarte woning te brengen, werden twee
klepramen in het dak aangebracht, maar die toch het grootste gedeelte
van den dag het lamplicht niet onontbeerlijk maakten. Aan beide zijden
van de middengang werden britsen om op te slapen geplaatst en tegen den
wand houtvoering aangebracht om het vastvriezen der kussens te
beletten. Twee kachels zorgden voor voldoende verwarming. Tegen de met
zeildoek bekleede muren werden planken getimmerd, waarop boeken,
instrumenten en kookgereedschappen geplaatst konden worden; de
scheepskisten dienden voor tafel en banken. De vergulde spiegel uit de
kajuit prijkte tegen den zeildoeken wand, daaronder een kostbare
barometer en de klok. Het grootste deel van de proviand en brandstof
werd van de plaats, waar de „Hansa” was gezonken naar het huis gesleept
en daar opgestapeld. Daar de sneeuw spoedig zoo hoog als de muren van
het huis kwam, werd een vijf voet breede gang rondom de woning gegraven
en met zeildoek gedekt. Dat was de eetkamer. Een voor ongeveer twee
maanden dienend deel van de proviand werd in de booten gepakt, die
elken dag uit de sneeuw moesten gegraven worden. Een valreeptrap diende
om in het huis te komen, dat als een vossehol, ternauwernood met het
dak uit de sneeuw stak en om sneeuw en wind van dezen ingang verre te
houden, werd er nog een voorhal met een slingerende gang in de sneeuw
gegraven, waarvan het dak evenals de voorraadschuren was samengesteld.
Met de vernietiging van de „Hansa” scheen de kracht van het ijs ook
uitgeput te zijn, de ijspersingen hielden op en het ijsveld met de
vreemde nederzetting dreef langzaam langs de ijskust van Groenland, nu
eens dichter, dan weer verder van het land verwijderd, een beweging die
stellig haar oorzaak vond in ebbe en vloed. De schilderachtige vormen
der Groenlandsche rotsige kusten waren meestal duidelijk te zien,
zonder dat er eenige mogelijkheid bestond ze te naderen.
De veertien kolonisten waren natuurlijk spoedig begonnen hun drijvend
ijsland te onderzoeken, zooals vroeger Robinson zijn eiland. Het bleek
in alle richtingen ongeveer dezelfde doorsnede van ongeveer twee
zeemijlen te hebben en had boven het water een hoogte van vijf voet,
waaruit volgens de ervaring besloten konden worden, dat de sterkte van
het ijs onder het water op meer dan veertig voet geschat kon worden.
Overigens bood ze slechts het beeld van een gelijksoortig met sneeuw
bedekte, gelijke vlakte en als men zich verwijderde, van het diep in de
sneeuw begraven huis, dan verdwenen spoedig alle herkenningsteekenen
der nederzetting behalve de donkere punten der beide schoorsteenen, de
na elke sneeuwjacht weer opengelegde booten en de mast met de
wapperende Noord-Duitsche vlag. Maar een afschrikwekkend woest gezicht
leverden echter de randen van het ijsveld, namelijk in het Westen en
Noord-Oosten. De wrijvingen en persingen met aandrijvende schollen
hadden hier muren opgestapeld tot tien voet hoogte. In den zonneschijn
glinsterden de sneeuw-kristallen als millioenen diamanten. Het avond-
en morgenrood gaf aan de witte vlakten een vaal-groene kleur. De
nachten waren prachtig helder, zoodat men het fijnste schrift zonder
moeite kon lezen. Het noorderlicht verscheen bijna elken nacht,
dikwijls zoo intensief sterk, dat de glans der sterren verdoofde en de
voorwerpen op het ijs schaduwen wierpen.
In deze sprookjesachtige ijswereld ontwikkelde nu het kleine hoopje
schipbreukelingen een bedrijvige, geregelde werkzaamheid het eenige
middel om zich over het tot wanhoop brengend traag voortsluipen der
dagen, weken en maanden heen te helpen. ’s Morgens te zeven uur wekte
de laatste nachtwacht de kameraden, die zich snel in hun wollen
kleederen wierpen, met gesmolten sneeuwwater waschten en hun
ochtendkoffie met scheepsbeschuit gebruikten. Dan ging ieder aan zijn
bezigheden, het maken van allerlei nog ontbrekende nuttige voorwerpen,
het naaien van zeilen, het kloven van hout, herstellen van kleeren, het
dagboek bijhouden en lectuur. Bij heldere lucht werden astronomische
waarnemingen gedaan en de noodige schriftelijke berekeningen gemaakt.
Te één uur werd er gemiddagmaald, het hoofdbestanddeel was een
krachtige vleeschsoep en de rijkelijk voorhanden zijnde conserven
zorgden telkens voor afwisseling der bijgerechten. Gezouten vleesch en
spek werden weinig gegeten; het spek der gevangen walvisch waarop de
mannen dikwijls jacht maakten, werd meestal slechts als brandstof
gebruikt. Nu en dan leverde een nieuwsgierige ijsbeer kostelijk gebraad
in de keuken. Met spiritualiën werd zeer spaarzaam omgegaan, slechts op
den Zondag gunde men zich een glas sterken portwijn. De
gezondheidstoestand der manschappen bleef dan ook gewoon goed.
Zonder ernstige gevaren ging December 1869 voorbij. Het Kerstfeest werd
volgens het gebruik in het vaderland feestelijk gevierd, de matrozen
hadden uit dennenhout en berkenrijs een kunstige kerstboom opgericht,
en den kapitein zelfs verrast met eigen vervaardigde geschenken.
Eveneens werd oudejaarsavond met geweersalvo’s en vroolijke punch
doorgebracht, en als ooit gelukwenschen bij het nieuwe jaar met
klinkende glazen diepernstig worden gemeend, dan was het hier in den
helderen poolnacht op de drijvende ijsschots der Duitsche
Hansavaarders.
Met een ontzettend stormweer, zette het jaar 1870 den tweeden Januari
in. Reeds in den ochtend van dien dag meenden de kapitein en de
officieren een eigenaardig geraas te hooren, alsof iemand met den voet
langs den grond krabde.
Toen ’s middags de manschappen zich hadden neergelegd voor de
middagrust, klonk hetzelfde geruisch, maar veel sterker. Het was een
krabben, stommelen, knetteren, een zagen, steunen en knarsen, alsof
griezelige geesten onder de ijsschots aan het razen waren. Opgeschrikt
sprongen allen op en stormden naar buiten; zeker was de plaats met
proviand rondom het huis ingestort. Maar er was niets te ontdekken en
buiten kon men in den sneeuwstorm geen tien pas ver zien. Maar tusschen
het woeden van den storm, steeds dit schuiven en kraken van het ijs, en
als men het oor op den grond legde was het alsof water onder de
schollen vloeide. Er was geen twijfel aan: het ijsveld begon te barsten
of aan de kanten af te brokkelen en één oogenblik kon over het leven en
den dood der veertien menschen beslissen!
In dezen ontzettenden toestand brachten de in sneeuw en ijs begravenen
twee eindelooze dagen door. Toen de storm was uitgewoed, en in den
morgen van den vierden Januari de lucht weer helder was, zagen de
kolonisten met ontzetting, dat de vorm van hun ijseiland veranderd was,
en de doorsnede nu hoogstens één zeemijl bedroeg! Het kolenhuis lag
naar drie kanten slechts tweehonderd schreden van den rand van de
schots verwijderd, naar den vierden kant nog duizend schreden, tegen
drieduizend vroeger. Daarbij waren de randen van het ijsveld zoo met
brokken ijs bedekt en vol gewaaid met sneeuw, dat aan een halen der
booten en aan redding naar de nabijzijnde kust niet viel te denken. De
Hansamannen waren en bleven de gevangenen van het onverbiddelijke ijs!
Den 11den Januari stormde ’s morgens vroeg de matroos van de wacht met
den alarmkreet: „alle man gereed” het huis binnen; een onbeschrijfelijk
gevaar woedde in de naaste omgeving. Opnieuw begon het ijsveld aan alle
kanten af te brokkelen; ongeveer vijf en twintig schreden van het huis
verwijderd gaapte eensklaps een ijsspleet, het afgebrokkelde stuk
verhief zich huizenhoog en dreef met het opgestapelde brandhout naar de
woedende zee. De weer kleiner geworden ijsschol met het kolenhuis
verhief zich en daalde weer omlaag, en weer scheen het laatste uur der
kolonisten te zijn geslagen. Zij namen afscheid van elkaar en
verdeelden zich bij twee hunner booten in twee groepen. Zoo stonden zij
en hurkten zij neer gedurende een ganschen dag, voorbereid op de
laatste ramp. Maar als door een wonder hield juist dat deel der
ijsschots, waarop zij zich hadden neergezet nog stand. ’s Avonds legden
zij zich eenigszins gerustgesteld in het huis neer, maar omstreeks
middernacht schrok weer een angstige kreet de slapers op. Zij gunden
zich den tijd niet eerst door de lange sneeuwgang te loopen, maar
stieten het dak door en klauterden zoo naar buiten. Vlak naast het huis
verhief zich een kolom van reusachtige hoogte—slechts enkele
oogenblikken. Toen klonk de geruststellende stem van den kapitein: „Het
is voorbij!”
Of het werkelijk een ijsberg was, of maar een luchtspiegeling of
misschien de hooge kust, was door de snelheid, waarmede het griezelige
spooksel verdween, niet uit te maken.
Maar den 14den Januari werd, door het plotseling openen van een spleet
in het ijs, het kolenhuis zelf vernield en de mannen moesten zich in de
booten redden! Uit de puinhoopen werd een kleiner woonhuis gebouwd,
waarvan het dak den eersten nacht reeds door den storm werd weggewaaid.
Er was slechts plaats in voor zes man, de overigen moesten een onderdak
in de booten vinden. Volgens het getuigenis van den kapitein, hield de
dappere Duitsche schaar zich in die dagen van schrik, toen de dood
achter elk ijsblok grijnsde, voorbeeldig, en de eenige vreemdeling
onder hen, de Hollandsche kok, behield zelfs zijn drogen zeemanshumor
in de angstigste oogenblikken. In al die dagen, toen de schemerachtige
koude ochtenduren bij storm en sneeuwjacht steeds nieuwe tooneelen van
verwoesting in het rond onthulden, wist hij toch zijn kameraden, alsof
er niets gebeurd was, de morgenkoffie klaar te maken, en toen de
instorting van het huis hem juist verraste, terwijl hij met de
reparatie van zijn ketel bezig was, zeide hij: „Als de ijsschol nu maar
zoolang wilde stand houden, totdat ik met mijn ketel klaar ben! Ik
wilde nog thee voor den avond klaar maken, opdat wij „voor de afreis”
nog wat warms hebben!”
De geweldige ijspersingen in Januari kwamen voornamelijk daardoor, dat
de schol met de schipbreukelingen in dien tijd tusschen IJsland en
Groenland doordreef, waar de ijsmassa’s, vooral door het veelvuldig
vooruitspringen der Groenlandsche kust in talrijke kapen steil op
elkaar schoven. Zoodra zij Kaap Dan voorbij waren gedreven, waar de
kust van Groenland naar het Westen terugwijkt en in het Oosten de grens
van IJsland wegvalt, houdt de ijsopstopperij op en de scènes aan de
golf „der Verschrikking”—zoo werd de golf genoemd, waarin den 4den
Januari de Hansaschol geheel dreigde te barsten—herhaalden zich niet
meer. Maar naast de elken dag dreigende ijsbergen, verhief zich nu een
nieuw gevaar. Reeds in Februari begon de zon merkbaar haar invloed uit
te oefenen; den 17den April steeg de thermometer tot tien graden
warmte! Begin Mei stroomde hevige regen neer en de hut der
schipbreukelingen, die vroeger in het dal had gestaan, lag nu na het
smelten van de sneeuw op een heuvel.
Daar vertoonde zich den 7en Mei rondom de schots naar alle kanten
water, en het oogenblik der verlossing uit de ijzige gevangenschap
scheen gekomen. Nadat de kapitein den geheelen ochtend ijs en weer had
gadegeslagen, werden de booten na het eten in koortsachtige haast
geledigd en over den rand der schol geschoven, daarna weer geladen en
na drie uur was alles „gereed”. Nog een laatsten dankbaren blik op het
getrouwe ijseiland geworpen, dat de Hansamannen tweehonderd dagen lang
door alle gevaar gelukkig heen had gedragen en na een driewerf hoera
gingen de drie booten te 4 uur in den namiddag onder zeil. ’s Nachts
werden ze weer op het ijs gehaald, wat telkens groote inspanning
kostte; en zoo naderden zij tot op anderhalve zeemijl het land. Maar
hier had het kustijs zich tot een ondoordringbare massa samengeschoven,
en verscheiden dagen moest er op het ijs worden gebivouakeerd. Met den
verrekijker konden zij reeds op het land de beken van de steile
hellingen omlaag zien storten, en frisch water stond overal op de
schollen; op zekeren dag zoemde zelfs een vroolijke vlieg rondom het
zeil. Het bedenkelijk minderen van de proviand dwong de bemanning nu,
het kostte wat het wilde, de kust te bereiken, en onder onnoemelijke
inspanning en onophoudelijke stortregens, die alle nachtrust beletten,
werden de booten voetje voor voetje door het labyrint van ijs
geschoven, naar het drie mijlen verwijderde eiland Illuilek. De
maaltijden bestonden ’s morgens en ’s avonds nog maar uit een vierde
pond brood en een klein stuk spek en het opraken van den voorraad
spiritus, maakte het bereiden van warme dranken spoedig onmogelijk, nu
er geen zeehonden meer werden aangetroffen met hun brandbaar spek.
Daarbij droomden de mannen in enkele uren van onrustigen slaap van
prachtige maaltijden en voelden dan bij het ontwaken de leegte van hun
maag des te kwellender.
Den 4den Juni gelukte het eindelijk het eiland te bereiken. Vier weken
waren verstreken sinds het verlaten der ijsschol, en de proviand zou nu
nog slechts voor ten hoogste veertien dagen toereikend zijn. Het eiland
was echter niets dan een rotseiland, en vertoonde geen spoor van
vegetatie, er nestelden slechts enkele meeuwen en alken!
Den 7den Juni landde de bemanning der „Hansa” eindelijk aan de kust van
het vasteland van Groenland en konden de mannen hier tenminste eens
grondig uitrusten, zonder het voortdurende gevaar van het opdringende
ijs. En na een zesdaagsche zeilvaart kris en kras door de klippen en
fjorden der kust, bereikten de drie booten den 13den Juni gelukkig de
kolonie Frederickstal aan de westkust, waar zij in het daar aanwezige
zendingshuis werden opgenomen en voortreffelijk verpleegd. In
Julianahaab troffen zij een Deensch schip en den 26sten Juli lichtten
de geredden het anker voor de huisreis.
Den 1sten September 1870 kwamen zij te Kopenhagen aan, en de berichten
van den zegevierenden strijd van Duitschland tegen den Franschen
erfvijand ontvingen zij, die aan het leven waren teruggeschonken!
Denzelfden dag waarop het bericht van den slag bij Sedan de wereld
doortrok, betraden zij te Sleeswijk voor het eerst weer den Duitschen
bodem, en kwamen Hamburg binnen, juist toen de stad ter eere der
overwinning in schitterende verlichting straalde! Zoo waren veertien
dappere mannen aan hun roemrijk vaderland terug gegeven na een
zwerftocht in het poolijs, rijk aan avonturen en heldendaden.