9. DOOR IJSBEREN AANGEVALLEN.

Naast de muskusossen, die in tegenstelling van hun leelijk uiterlijk,

evenals de schapen, tot wier familie zij behooren, zeer onschuldig

bleken te zijn, waren voor de manschappen van de „Germania” de talrijke

rendieren gedurende hun overwintering een zeer welkom wild. Daar de

oostkust van Groenland geheel onbewoond was, toonden de dieren niet de

minste schuwheid voor de voor hen vreemde menschen en liepen vaak

regelrecht voor het geweer; zelfs de poolvossen, die dikwijls rondom

het schip slopen, waren zoo tam, dat ze zich met de hand lieten

streelen.

Bedenkelijk en met het vorderen van den winter steeds gevaarlijker

werden echter de bezoeken van de ijsberen, en de bemanning van de

„Germania” had ruim gelegenheid op te merken, dat deze roofdieren

volstrekt geen winterslaap hielden, zooals men vroeger meende. Steeds

meer lieten de ongenoode gasten zich in de nabijheid van het schip

zien, vanwaar hun allerhande heerlijke geuren tegemoet stroomden en het

kwam zoo ver, dat de „Germania” gewoon belegerd werd door een kring van

deze gevaarlijke dieren, en niemand meer zonder geleide ook maar eenige

schreden het schip kon verlaten.

Het was op den 13den Januari, in den voormiddag, de tijd waarop de

manschappen gewoonlijk buiten bezig waren, en moesten wandelen, dat een

der matrozen, Kleutzer geheeten, op eigen gelegenheid den nabijgelegen

Germaniaberg beklom, om het landschap, in het reeds helderder wordend

middaglicht, op te nemen. Boven aangekomen ging hij welgemoed op een

rots zitten en zong vroolijk een lied de stille heldere lucht in. Heel

toevallig keek hij om; daar stond maar enkele schreden verwijderd een

geweldige ijsbeer, die met ernstige uitdrukking den vreemdeling bekeek.

De matroos was een even kalm en vastberaden als krachtig man en in

gewone omstandigheden zou er niets bijzonders aan de zaak zijn geweest;

de beer stond prachtig onder schot en kon niet zoo gemakkelijk gemist

worden, maar—Kleutzer was geheel ongewapend en had zelfs geen mes bij

zich. Onbegrijpelijk, niet waar? Want nog slechts enkele dagen geleden

was een beer bij het schip gezien. En alleen verklaarbaar door de

noodlottige zorgeloosheid, welke den matrozen eigen is en door de

omstandigheid, dat tot nu toe bijna alle beren voor de ongewone

verschijningen der poolvaarders gevlucht waren en de matrozen nog geen

respect hadden ingeboezemd.

Kleutzer ziet zich dus ongewapend en ver van zijn makkers, alleen

tegenover den beer. Vlucht is de eenige, al is het dan ook

twijfelachtige redding en reeds komt de vermetele gedachte bij hem op,

zich op goed geluk langs de steile gletscherhelling omlaag te storten.

Maar hij neemt toch liever de zachter glooiende zijde en begint nu hard

den berg af te loopen. Na een poos kijkt hij om, de beer loopt als een

groote hond op zijn gemak hem achterna. Zoo gaat het een tijdlang

bergaf, zoo hard als het terrein het toelaat. Stond Kleutzer stil, dan

stond de beer ook stil, ging hij verder dan volgde de beer langzaam, en

ging hij hard loopen, dan volgde de beer, in hetzelfde tempo. Zoo waren

de twee al een goed eind gevorderd en Kleutzer waande zich zoo goed als

gered. Het begon den beer zeker te vervelen, hij bleef den vervolgde

tenminste dichter op de hielen.

Dat werd den matroos toch te griezelig en terwijl hij steeds

voortholde, slaakte hij, om het dier te verschrikken en om hulp te

krijgen, een luiden kreet. In het eerst scheen de beer er door

verbluft, maar daarna woedend geworden, naderde hij den vluchteling nu

steeds meer, zoodat deze den heeten adem van het monster reeds meende

te voelen. In dezen ontzettenden toestand kwam Kleutzer de bekende

berengeschiedenis in de gedachte, die hem juist kort geleden was

verteld, waarin de vervolgde zich redde door den beer kleedingstukken

voor te werpen; bij het onderzoek er van hield de beer zich zoo lang

op, totdat hulp kwam opdagen. Kleutzer trekt dus, al voortsnellend,

zijn buis uit, en werpt het achter zich en ziet, de list helpt. De beer

blijft staan en begint een nader onderzoek van het buis, dat hij

besnuffelt en heen en weer schudt. Kleutzer vat nieuwen moed, snelt

verder den berg af en stoot uit volle borst een kreet om hulp uit, die

ver door de stille streek weergalmt. Maar al te gauw is de beer hem

echter weer op de hielen en Kleutzer werpt hem nu de muts, dan het vest

toe, waardoor hij weer een voorsprong krijgt. Kleutzer ziet reeds dat

redding nadert, en eenige kameraden over het ijs toesnellen. Met

inspanning zijner laatste krachten loopt en schreeuwt hij weer, maar

alle hulp schijnt vergeefs, want steeds sneller nadert de vervolger en

Kleutzer moet nu het laatste wat hij nog geven kan, afstaan, zijn

wollen doek, welken hij het dier tegen den kop werpt.

Maar de beer, door het geschreeuw opnieuw getergd, werpt den doek door

een ruk met den kop, met verachting van zich, en dringt steeds

begeeriger op den weerlooze toe, die reeds den kouden, zwarten snuit

aan zijn hand voelt. Nu schijnt hij verloren te zijn; de matroos weet

geen raad meer,—daar komt hij op een prachtige gedachte: met zijn

lederen gordel de keel van het dier dicht te snoeren. Strak kijkt hij

in de meedoogenlooze oogen van het beest—een kort oogenblik van wanhoop

treedt in, daar—schrikt de beer door iets wat op zij gebeurt, het

volgend oogenblik verwijdert hij zich in volle vaart! Het geschreeuw

der kameraden die ter hulpe kwamen, had hem blijkbaar verschrikt, en

hij vond het ’t verstandigst het op een loopen te zetten. Kleutzer was

als door een wonder gered.

Nog veel erger was een aanval op den astronoom der „Germania” in het

begin van Maart.

Tegen negen uur in den avond was Dr. Börgen naar buiten gegaan, om een

hemelverschijnsel gade te slaan en te gelijkertijd de meteorologische

aanteekeningen op te nemen. Juist op het punt aan land te gaan,

ontmoette hij kapitein Koldewey. Die twee spreken nog een oogenblik met

elkaar, waarop de een naar het observatorium, de ander naar het schip

gaat. Op den terugweg van het observatorium, nog vijftig schreden van

het schip verwijderd, hoort Dr. Börgen een geruisch links naast zich en

staat hij tegenover een op hem toekomenden beer. De aanval geschiedde

zoo plotseling, dat Börgen van het geweer geen gebruik kon maken, ja

later niet eens kon zeggen, of de beer zich had opgericht en hem met

zijn klauwen op den grond geworpen of omvergeloopen had. Het eerste wat

Börgen voelde, wat het indringen van het gebit in de huid van zijn

hoofd, dat slechts door een dun lakenschen muts was bedekt. De beer

spande zich in, zooals hij dat met zeehonden pleegt te doen, den

schedel van zijn slachtoffer te breken, maar zijn tanden gleden er

knarsend af. Een luide hulpkreet verjoeg het dier voor een oogenblik,

het keerde echter onmiddellijk terug en beet nog verscheiden keeren in

het hoofd van Dr. Börgen. Dat het gebit den schedel niet verbrijzelde,

was stellig toe te schrijven aan de omstandigheid, dat het geen

volkomen volwassen dier was. De hulpkreet was intusschen door den

kapitein vernomen. Hij snelde op het dek, alarmeerde de bemanning en

allen snelden den in gevaar verkeerenden makker te hulp. Het geraas dat

ontstond, joeg den beer schrik aan, en nu beproefde hij zijn

slachtoffer, dat hij aan het hoofd vast had, en dat zich door

machtelooze stooten in de ribben van het dier trachtte te weren, in

zekerheid te brengen. Daar weerklonk een schot; het dier schrok, liet

Börgen los en sprong een paar schreden ter zijde, maar eensklaps greep

het zijn arm en daarna zijn hand, die in een bonten handschoen was

gehuld. Dit oponthoud maakte het den vervolgers mogelijk te naderen,

maar toch zou de beer met zijn buit zijn ontkomen, indien hij tegen den

oever was opgeklauterd. Maar hij nam zijn weg langs de kust, waar door

de oneffenheid van het ijs zijn snelheid van loopen aanmerkelijk werd

vertraagd, terwijl de toesnellenden op het gladde ijs snel dichterbij

kwamen. Toch werd Börgen ongeveer driehonderd schreden ver

voortgesleept en door den doek, waarvan de beer de einden ook beet had

gepakt, werd hij bijna geworgd. Eindelijk liet het ondier los; dadelijk

daarop bukte kapitein Koldewey zich met een „Goddank, hij leeft nog!”

over het lichaam van den geleerde.

Eenige schreden terzijde stond de beer, blijkbaar nog overleggend, wat

hem te doen stond, totdat een kogel hem vertelde, dat het hoog tijd

werd zich uit de voeten te maken. Aan het vervolgen van den beer dacht

echter niemand, daar de allereerste taak nu was, den gewonde aan boord

te brengen; het duurde verscheiden weken, voordat deze van de vele

wonden, die de ijsbeer hem had toegebracht, genezen was.

Van pool tot pool(#76913) · 第 15 / 75 题