Naast de muskusossen, die in tegenstelling van hun leelijk uiterlijk,
evenals de schapen, tot wier familie zij behooren, zeer onschuldig
bleken te zijn, waren voor de manschappen van de „Germania” de talrijke
rendieren gedurende hun overwintering een zeer welkom wild. Daar de
oostkust van Groenland geheel onbewoond was, toonden de dieren niet de
minste schuwheid voor de voor hen vreemde menschen en liepen vaak
regelrecht voor het geweer; zelfs de poolvossen, die dikwijls rondom
het schip slopen, waren zoo tam, dat ze zich met de hand lieten
streelen.
Bedenkelijk en met het vorderen van den winter steeds gevaarlijker
werden echter de bezoeken van de ijsberen, en de bemanning van de
„Germania” had ruim gelegenheid op te merken, dat deze roofdieren
volstrekt geen winterslaap hielden, zooals men vroeger meende. Steeds
meer lieten de ongenoode gasten zich in de nabijheid van het schip
zien, vanwaar hun allerhande heerlijke geuren tegemoet stroomden en het
kwam zoo ver, dat de „Germania” gewoon belegerd werd door een kring van
deze gevaarlijke dieren, en niemand meer zonder geleide ook maar eenige
schreden het schip kon verlaten.
Het was op den 13den Januari, in den voormiddag, de tijd waarop de
manschappen gewoonlijk buiten bezig waren, en moesten wandelen, dat een
der matrozen, Kleutzer geheeten, op eigen gelegenheid den nabijgelegen
Germaniaberg beklom, om het landschap, in het reeds helderder wordend
middaglicht, op te nemen. Boven aangekomen ging hij welgemoed op een
rots zitten en zong vroolijk een lied de stille heldere lucht in. Heel
toevallig keek hij om; daar stond maar enkele schreden verwijderd een
geweldige ijsbeer, die met ernstige uitdrukking den vreemdeling bekeek.
De matroos was een even kalm en vastberaden als krachtig man en in
gewone omstandigheden zou er niets bijzonders aan de zaak zijn geweest;
de beer stond prachtig onder schot en kon niet zoo gemakkelijk gemist
worden, maar—Kleutzer was geheel ongewapend en had zelfs geen mes bij
zich. Onbegrijpelijk, niet waar? Want nog slechts enkele dagen geleden
was een beer bij het schip gezien. En alleen verklaarbaar door de
noodlottige zorgeloosheid, welke den matrozen eigen is en door de
omstandigheid, dat tot nu toe bijna alle beren voor de ongewone
verschijningen der poolvaarders gevlucht waren en de matrozen nog geen
respect hadden ingeboezemd.
Kleutzer ziet zich dus ongewapend en ver van zijn makkers, alleen
tegenover den beer. Vlucht is de eenige, al is het dan ook
twijfelachtige redding en reeds komt de vermetele gedachte bij hem op,
zich op goed geluk langs de steile gletscherhelling omlaag te storten.
Maar hij neemt toch liever de zachter glooiende zijde en begint nu hard
den berg af te loopen. Na een poos kijkt hij om, de beer loopt als een
groote hond op zijn gemak hem achterna. Zoo gaat het een tijdlang
bergaf, zoo hard als het terrein het toelaat. Stond Kleutzer stil, dan
stond de beer ook stil, ging hij verder dan volgde de beer langzaam, en
ging hij hard loopen, dan volgde de beer, in hetzelfde tempo. Zoo waren
de twee al een goed eind gevorderd en Kleutzer waande zich zoo goed als
gered. Het begon den beer zeker te vervelen, hij bleef den vervolgde
tenminste dichter op de hielen.
Dat werd den matroos toch te griezelig en terwijl hij steeds
voortholde, slaakte hij, om het dier te verschrikken en om hulp te
krijgen, een luiden kreet. In het eerst scheen de beer er door
verbluft, maar daarna woedend geworden, naderde hij den vluchteling nu
steeds meer, zoodat deze den heeten adem van het monster reeds meende
te voelen. In dezen ontzettenden toestand kwam Kleutzer de bekende
berengeschiedenis in de gedachte, die hem juist kort geleden was
verteld, waarin de vervolgde zich redde door den beer kleedingstukken
voor te werpen; bij het onderzoek er van hield de beer zich zoo lang
op, totdat hulp kwam opdagen. Kleutzer trekt dus, al voortsnellend,
zijn buis uit, en werpt het achter zich en ziet, de list helpt. De beer
blijft staan en begint een nader onderzoek van het buis, dat hij
besnuffelt en heen en weer schudt. Kleutzer vat nieuwen moed, snelt
verder den berg af en stoot uit volle borst een kreet om hulp uit, die
ver door de stille streek weergalmt. Maar al te gauw is de beer hem
echter weer op de hielen en Kleutzer werpt hem nu de muts, dan het vest
toe, waardoor hij weer een voorsprong krijgt. Kleutzer ziet reeds dat
redding nadert, en eenige kameraden over het ijs toesnellen. Met
inspanning zijner laatste krachten loopt en schreeuwt hij weer, maar
alle hulp schijnt vergeefs, want steeds sneller nadert de vervolger en
Kleutzer moet nu het laatste wat hij nog geven kan, afstaan, zijn
wollen doek, welken hij het dier tegen den kop werpt.
Maar de beer, door het geschreeuw opnieuw getergd, werpt den doek door
een ruk met den kop, met verachting van zich, en dringt steeds
begeeriger op den weerlooze toe, die reeds den kouden, zwarten snuit
aan zijn hand voelt. Nu schijnt hij verloren te zijn; de matroos weet
geen raad meer,—daar komt hij op een prachtige gedachte: met zijn
lederen gordel de keel van het dier dicht te snoeren. Strak kijkt hij
in de meedoogenlooze oogen van het beest—een kort oogenblik van wanhoop
treedt in, daar—schrikt de beer door iets wat op zij gebeurt, het
volgend oogenblik verwijdert hij zich in volle vaart! Het geschreeuw
der kameraden die ter hulpe kwamen, had hem blijkbaar verschrikt, en
hij vond het ’t verstandigst het op een loopen te zetten. Kleutzer was
als door een wonder gered.
Nog veel erger was een aanval op den astronoom der „Germania” in het
begin van Maart.
Tegen negen uur in den avond was Dr. Börgen naar buiten gegaan, om een
hemelverschijnsel gade te slaan en te gelijkertijd de meteorologische
aanteekeningen op te nemen. Juist op het punt aan land te gaan,
ontmoette hij kapitein Koldewey. Die twee spreken nog een oogenblik met
elkaar, waarop de een naar het observatorium, de ander naar het schip
gaat. Op den terugweg van het observatorium, nog vijftig schreden van
het schip verwijderd, hoort Dr. Börgen een geruisch links naast zich en
staat hij tegenover een op hem toekomenden beer. De aanval geschiedde
zoo plotseling, dat Börgen van het geweer geen gebruik kon maken, ja
later niet eens kon zeggen, of de beer zich had opgericht en hem met
zijn klauwen op den grond geworpen of omvergeloopen had. Het eerste wat
Börgen voelde, wat het indringen van het gebit in de huid van zijn
hoofd, dat slechts door een dun lakenschen muts was bedekt. De beer
spande zich in, zooals hij dat met zeehonden pleegt te doen, den
schedel van zijn slachtoffer te breken, maar zijn tanden gleden er
knarsend af. Een luide hulpkreet verjoeg het dier voor een oogenblik,
het keerde echter onmiddellijk terug en beet nog verscheiden keeren in
het hoofd van Dr. Börgen. Dat het gebit den schedel niet verbrijzelde,
was stellig toe te schrijven aan de omstandigheid, dat het geen
volkomen volwassen dier was. De hulpkreet was intusschen door den
kapitein vernomen. Hij snelde op het dek, alarmeerde de bemanning en
allen snelden den in gevaar verkeerenden makker te hulp. Het geraas dat
ontstond, joeg den beer schrik aan, en nu beproefde hij zijn
slachtoffer, dat hij aan het hoofd vast had, en dat zich door
machtelooze stooten in de ribben van het dier trachtte te weren, in
zekerheid te brengen. Daar weerklonk een schot; het dier schrok, liet
Börgen los en sprong een paar schreden ter zijde, maar eensklaps greep
het zijn arm en daarna zijn hand, die in een bonten handschoen was
gehuld. Dit oponthoud maakte het den vervolgers mogelijk te naderen,
maar toch zou de beer met zijn buit zijn ontkomen, indien hij tegen den
oever was opgeklauterd. Maar hij nam zijn weg langs de kust, waar door
de oneffenheid van het ijs zijn snelheid van loopen aanmerkelijk werd
vertraagd, terwijl de toesnellenden op het gladde ijs snel dichterbij
kwamen. Toch werd Börgen ongeveer driehonderd schreden ver
voortgesleept en door den doek, waarvan de beer de einden ook beet had
gepakt, werd hij bijna geworgd. Eindelijk liet het ondier los; dadelijk
daarop bukte kapitein Koldewey zich met een „Goddank, hij leeft nog!”
over het lichaam van den geleerde.
Eenige schreden terzijde stond de beer, blijkbaar nog overleggend, wat
hem te doen stond, totdat een kogel hem vertelde, dat het hoog tijd
werd zich uit de voeten te maken. Aan het vervolgen van den beer dacht
echter niemand, daar de allereerste taak nu was, den gewonde aan boord
te brengen; het duurde verscheiden weken, voordat deze van de vele
wonden, die de ijsbeer hem had toegebracht, genezen was.