8. AAN DE OOSTKUST VAN GROENLAND.

De Noordpool, het doel van zoovele ontdekkingsreizen, is door zulk een

dichten krans van onopgeloste vraagstukken omgeven, dat elke expeditie,

die bij den altijd durenden wisselenden toestand van het poolijs geheel

van haar route wordt afgedreven, toch met een menigte wetenschappelijke

resultaten terugkeert en al heeft zij de Noordpool ook niet bereikt,

toch bij zorgvuldigen, wetenschappelijken arbeid, voor onze kennis der

Poolstreek gewichtige bijdragen levert. Dat geldt ook van de Duitsche

Noordpool-expeditie, die in de jaren 1869 en 1870 ondernomen werd op

aandrijven van den beroemden Duitschen geograaf August Petermann, en

die de verdienste heeft, aan de oostkust van Groenland, het grootste

eiland van de wereld, het vaderland der Eskimo’s, dat op de kaart als

een lange, witte, slechts aan de randen gekleurde landstrook van de

Noordpool afhangt, ruime gebieden te hebben ontsloten. Groenland, welks

eigenaardigheden van een eiland pas door de laatste ontdekkingsreizen,

vooral die van den Amerikaan Peary, werden bepaald, dankt zijn

ontdekking en eerste nederzetting tot in de tiende eeuw aan de Noren

wier kolonies aan de westkust zich tot in de 14e eeuw in bloeienden

toestand bevonden. Reeds in het jaar 1000 werd in Groenland van uit

Noorwegen het christendom wettelijk ingevoerd en van 1126 tot aan den

hervormingstijd kan men nagaan, welke bisschoppen er achtereenvolgens

geregeerd hebben. Het levendig scheepverkeer dat in die vroege eeuwen

tusschen Groenland, IJsland en Noorwegen bestond, verminderde echter

met het verval der Noorweegsche kolonies, in de 13de eeuw, en in het

midden der 15de eeuw was alle verbinding tusschen Groenland en de

beschaafde wereld verbroken. Pas in den tijd der Noorsche

ontdekkingsreizen, dus vanaf de 16de eeuw, moest dit ontzaglijke eiland

weer stuk voor stuk ontdekt worden, en in de 17de eeuw werd de

Groenlandsche kust vaak bezocht door Duitsche en Hollandsche

walvischvaarders, de zoogenaamde Groenlandvaarders. Maar steeds was de

westkust van Groenland het doel der walvischvaarders en

ontdekkingsreizigers, daar de oostkust door den onmetelijken stroom van

het voortdrijvende poolijs als achter een veilig bolwerk volkomen

ontoegankelijk scheen. Pas aan het einde der 18de en vooral in de 19e

eeuw drong de geografische onderzoeking ook hier zegevierend door en

het succes der Duitsche expeditie lokte een groot aantal poolreizigers

naar deze oostkust van Groenland, die tegenwoordig wel beschouwd mag

worden als bekend te zijn in haar hoofdomtrekken.

Met twee schepen, de stoomboot „Germania” en het zeilschip „Hansa” stak

de Duitsche expeditie den 15den Juli 1869 van Bremerhaven uit, in

tegenwoordigheid van Koning Wilhelm van Pruisen, in zee. Maar reeds in

het midden van Juli werden de beide schepen, toen zij juist de grens

van het poolijs hadden bereikt, van elkaar gescheiden. Het gelukte aan

de „Germania” zich tot aan de oostkust van Groenland door te werken;

zij bereikte den 5den Augustus 1869 land en drong den 12den Augustus

tot 75° 17′ breedtegraad door, waar het ijs den verderen doortocht

verbood. Zij trok zich vooreerst terug naar de zuidzijde der

Shannon-eilanden, teneinde die wetenschappelijk te onderzoeken en

stootte daarbij op muskusossen, van welke het tot dusverre niet bekend

was, dat zij zich op Groenland’s oostkust bevonden. Daar de toestand

van het ijs ook verder ongunstig was begaf de „Germania” zich aan de

zuidzijde der Sabine-eilanden in winter-kwartier, en daar ook de

winterstormen geen beweging in het ijs brachten, bleef de expeditie

tien maanden op die plaats, om op slede- en boottochten een reeks

kuststreken, die tot nog toe niet waren onderzocht, te verkennen.

Zij hadden een uitstekende haven voor overwintering uitgezocht, die

door vooruitstekende bergen voor de razende noorderstormen was beschut

en geheel ongedeerd bleef van drijfijs en dank zij de vèrziende

voorzorgen van den uitnemenden kapitein Koldewey en zijn vier

wetenschappelijke medearbeiders, dr. Börgen, eerste luitenant Payer,

dr. Copeland en dr. Pansch, werd deze arctische overwintering van tien

maanden in de „Germania-haven” een zeer huiselijke idylle.

Op het nabijzijnd vasteland van de Sabine-eilanden werd het voornaamste

deel van de proviand opgestapeld en twee observatoria opgericht, een

astronomisch en een meteorologisch. Over het dek der „Germania” werd

een dichte tent gespannen en die met een laag mos belegd, wat echter

niet belette, dat bij dagenlangen heftigen storm, de sneeuw door alle

spleten drong en het dek een voet hoog bedekte. De kajuiten werden met

vilt, wollen stof en zeildoek bekleed, een vernuftige ventilatie voor

de ruimten onder dek werd aangebracht en tijdig drinkwater uit de

borrelende beken der nabijzijnde kust gehaald. Het schip werd omgeven

door een borstwering van geweldige ijsblokken en een schutting eveneens

van ijsblokken leidde naar de observatoria. Om den stand van den stroom

gade te slaan en om bij brandgevaar veilig te zijn, werd steeds een gat

in het ijsveld opengehouden, een voorzorg, die bij een brand, die in

den loop van den winter in de kajuiten uitbrak, schitterend voldeed.

Tot in November werden deze voorbereidingen door prachtig helder

winterweer begunstigd. Toen begon gaandeweg de vorst sterker te worden,

de dagen werden korter, en den 6en November verdween de zon en de

poolnacht van drie maanden daalde op de „Germania” en haar zeventien

bewoners. Tot de terugkeer van het daglicht, was de bezetting beperkt

tot het schip en de naaste omgeving er van. De bediening der

observatoria, die veelvuldig te lijden hadden van het geweld der

stormen en de nieuwsgierigheid der ijsberen, en de uitvoering der

andere wetenschappelijke observaties was van uur tot uur precies

geregeld en slechts aan de pijnlijke nauwgezetheid in het opvolgen

dezer voorschriften, was het te danken, dat de hierboven genoemde brand

in het achterdek bijtijds werd ontdekt. Om de manschappen bezig te

houden, richtten de geleerden der „Germania” een zeevaartschool op,

waar de nautische wetenschappen, geografie, astronomie en natuurkunde

werden onderwezen, en zelden heeft men in een scheepslogis zooveel

gehoord van plus en minus, van macht en wortel als in de kajuiten der

Duitsche poolreizigers! Er werd zelfs een „Oost Groenlandsche Courant”

opgericht. Zij verscheen elke veertien dagen in twee geschreven

exemplaren, bevatte allerhande schertsen, gedichten, toespraken,

„officieele bekendmakingen” en droeg niet weinig bij tot het

wintervermaak. Voor het Kerstfeest bouwde de timmerman een kunstige

denneboom; de takken werden sierlijk getooid met de groene

uitspruitsels van de onder de sneeuw groeiende plant Andromeda.

Oudejaarsavond werd met rijnwijn, muziek, gezang en dans op het ijs

gevierd. Den 3en Februari keerde de jubelend begroete zon weer terug en

spoedig had men weer volle werkdagen zonder het vermoeiende lamplicht.

Maar daarmede kwam er ook een eind aan het gezellige leven aan boord,

en de manschappen gingen in troepjes met sleden uit; tochten, die hun

moed en volharding op de zwaarste proef stelden. Bij het volkomen

onbewoond zijn der kusten, waren honden en rendierensleden niet te

krijgen. Men moest de sleden met bagage en proviand dus zelf over de

ijsbergen en sneeuwvelden trekken. Toch gelukte het aan de Duitsche

pioniers op vijf zulke reizen met sleden bijna duizend zeemijlen in een

onbekend gebied te doorkruisen. Het vreeselijkst waren daarbij de

sneeuwstormen, die dikwijls dagenlang de deelnemers van een

slede-expeditie in hun nauwe tent vast hielden en tijdverlies

veroorzaakten, dat bij de beperkte proviand soms levensgevaarlijk werd.

Was de dagmarsch volbracht, meestal bij het invallen der duisternis,

dan werd een geschikte plek op het strand of een ijsvlakte als

kampement gekozen. Kleine sneeuwlagen werden met den voet weggeschopt,

scherpgekante, vastgevroren blokken, met moeite terzijde geschoven,

grootere menigmaal meer dan honderd schreden aangesleept om de touwen

der tent er aan te bevestigen, een werk, dat bij storm en 20 graden

koude eenige zelfoverwinning kost. Was de slaapzak in de tent

uitgespreid, de bagage in orde gebracht, had de kok den ketel met

sneeuw volgestopt, de lamp aangestoken en het avondrantsoen uitgedeeld,

dan konden ook de andere makkers, die ondertusschen door de toenemende

koude hoe langer hoe meer gekweld werden, het nachtkwartier betrekken.

De openingen van de tent werden met haken gesloten en men trof de

toebereidselen voor den nacht.

De stijve laarzen van zeildoek, die aan de kousen vastgevroren waren,

moesten als hoofdkussen dienen, zij werden met de hand ontdooid en met

moeite losgescheurd. Daarop de met sneeuw bedekte kousen uitgetrokken,

afgekrabd en op de borst bewaard, om door de eenige warmtebron, de

eigen lichaamswarmte voor den volgenden dag te worden gedroogd.

Eindelijk hebben allen zich in den slaapzak gewrongen, ieder ligt

gedeeltelijk op zijn buurman en men wacht, dicht opeengedrongen, op het

avondeten. De wind drukt de wanden van de tent naar binnen en maakt de

ruimte nog kleiner. Door het weefsel, uit elken naad, door de kleinste

opening spat een fijne stroom sneeuwkorrels en valt onafgebroken als

meel uit den molen op den slaapzak neer. Hoe dikwijls de sneeuwlaag ook

met het mes wordt weggeschraapt, even snel vormt zij zich weer.

Dikwijls gebeurt het ook, dat de sneeuw smelt door de verhooging der

temperatuur in de tent en dan doordringt tot op de huid.

Met een onverschilligheid, grenzende aan stompzinnigheid, wachten de

makkers, dicht op elkaar gedrongen, hurkend, met verstijfde handen

handschoenen en kousen herstellend, den baard vol ijs, te midden van

dezen chaos van bevroren kleedingstukken en laarzen. De kookpan is lek

geworden; de spirituslamp druipt en dreigt de tent met brandgevaar; de

vernieling ervan zou bij den woedenden storm het werk van een oogenblik

zijn. De kok klaagt, dat hij vandaag zijn vingers verbrandt, die

gisteren bevroren waren. Zijn werkzaamheid is aan voortdurende kritiek

onderhevig, waartoe de algemeene honger prikkelt. Ieder wacht met

ongeduld op het gereedkomen van het eten; rillend, in elkaar gedoken,

roept de een of ander: „Peter, kookt het haast, je hebt zeker sneeuw in

den spiritus gedaan!”

Waarop Peter dan antwoordt: „Houd je mond! Hebt ge niet leeren

wachten?”

De levensmiddelen zijn steenhard bevroren, vleesch in bussen of ham

wordt met de bijl stuk geslagen; boter kan men zonder eenige bedenking

in het vestjeszakje opbergen, om onder den marsch bevroren te worden

opgegeten, want de thermometer in den binnensten jas- of broekzak wijst

gewoonlijk nog zes tot tien graden koude.

Eindelijk is na twee uur de maaltijd gereed en wordt gretig en zoo warm

mogelijk verslonden. De damp, door het koken ontstaan, maakt, dat men,

als in een dampbad, ternauwernood iets van zijn buurman ziet; de wanden

der tent worden door en door nat; de vochtigheid der kleeren neemt toe,

het opengaan der deur van de tent brengt dadelijk een sneeuwval te

weeg, en nadat het koken is geëindigd, is alles bevroren of met een

dikke korst sneeuw bedekt. Het kleine rantsoen van een uit rundvleesch

en peulvruchten toebereide soep kan den dagelijks toenemenden honger

niet stillen, de slaap moet dien, evenals den smachtenden dorst, doen

vergeten.

Eindelijk heeft de kok, nadat hij den ketel heeft uitgekrabd, zich ook

een plaats in den slaapzak veroverd, en nu kan er ook verder niemand

meer in. Het is slechts mogelijk op de zijde te liggen. Vandaag liggen

allen links, morgen allen rechts; persoonlijke begeerten, bijvoorbeeld

den wensch op den rug te gaan liggen, wekken algemeen protest, evenals

elke beweging, zoodra de toestand van verstijving is ingetreden. Uit

acht menschen is één klomp geworden!

’s Morgens te 5 uur wordt weer opgebroken; de slappe, zwarte koffie is

met ijskoud broodkruim tot een brei vermengd. De bevroren laarzen

worden met de hand ontdooid, in de plooien en van buiten van sneeuw

bevrijd; zoo ook de tent, die geheel stijf is geworden, en eerst door

kloppen buigzaam gemaakt moet worden. Zoo ook de slaapzak, die door de

dagelijks toenemende vracht van ijs den spotnaam van „Walrus” heeft

gekregen. De doorweekte zeehondenkleeding bevriest buiten dadelijk en

aan de haren vormen zich ijsbloemen. Enkelen wrijven hun gezicht met

fijne sneeuw om do oogen te verfrisschen, een andere manier om zich te

wasschen verbiedt het gebrek aan water. Sleden en tent worden uit de

opgewaaide sneeuw uitgegraven en eindelijk kan ieder na twee uren de

trekkoorden grijpen, de vurig verlangde verlossing van de pijn van het

nachtleger! Het is nog een geluk als de brandstoffen tot het einde van

zulk een sledevaart toereikend zijn. Indien de voorraad ten einde

raakt, dan moeten de manschappen zich er aan gewennen, het rauwe, nog

warme vleesch van gevelde muskusossen te verorberen, en de drang tot

zelfbehoud walgde zelfs niet van bosjes haar en de wol der dekens,

vermengd met broodkruim, peper en jeneverbessen!

Tot midden Juli werden deze sledevaarten langs de kusten ondernomen, en

daarbij 77 breedtegraad bereikt. Toen het poolijs zich echter in

beweging zette, moest de „Germania” trachten uit haar winterkwartier

los te komen. Een nieuwe voortgang naar het Noorden bleek onmogelijk te

zijn, de expeditie gebruikte den overigen tijd tot verdere onderzoeking

van de kust; daarbij ontdekten zij den Keizer-Frans Jozeffjord, die

diep tot in het binnenste van Groenland voert en aan grootschheid van

natuurschoon met de meest romantische Alpenstreken kan wedijveren.

Averij aan den stoomketel maakte, vroeger dan men gedacht had, een eind

aan den verderen ontdekkingstocht van de „Germania” en zij konden van

geluk spreken, dat zij nog zooveel stoom hadden, om den pas ontdekten

fjord te verlaten. Den 17den Augustus lichtte men het anker voor den

terugtocht en na twee dagen moeitevol en opwindend heen en weer zeilen

door een gordel van pakijs, hoorde de bemanning eindelijk met

onbeschrijflijke vreugde de branding van de open zee weer tegen de

ijsschollen klotsen. De 10den September liep de „Germania” gelukkig

reeds weer den Wezer binnen en landde den 11den September aan haar

uitgangspunt Bremerhaven.

Van pool tot pool(#76913) · 第 14 / 75 题