Dertig jaren na den ondergang van de Franklin-expeditie begaf zich
luitenant Schwatka naar het Noorden om de oplossing van het raadsel te
zoeken. Verscheidene van de verongelukten zouden toch zeker een dagboek
hebben gehouden; een was voldoende om alles te vernemen.
Schwatka zocht het allereerst de Eskimostammen op, die op hun zomersche
jachttochten, het dichtst bij King-Williamland kwamen. Bij velen vond
hij voorwerpen, die bij de expeditie hadden behoord. Maar het
merkwaardigste waren de verhalen van oude Eskimo’s.
Een oude vrouw was met haar inmiddels gestorven man en twee andere
families naar King-Williamland getrokken voor de robbenvangst. Vol
verbazing en schrik hadden zij op een dag een troep vreemdelingen
gezien, die een boot achter zich aantrokken. Eerst hadden zij op de
vlucht willen gaan, maar toen een der vreemdelingen haastig op hen toe
was gekomen, hadden zij niet kunnen wegloopen. Zij spraken met elkaar
door teekenen en de Eskimo’s begrepen, dat de mannen blanke zeelieden
waren van een gestrand schip. Zij hadden er ontzettend uitgehongerd en
mager uitgezien, en zwarte kringen om oogen en mond gehad. De Eskimo’s
bleven vier dagen bij hen, deelden met hen het vleesch van een zeehond
en ontvingen als vergoeding een mes. De blanken brachten den nacht
gedeeltelijk in een boot, gedeeltelijk in een kleine tent door.
Levensmiddelen hadden zij niet. De Eskimovrouw vertelde, dat een der
mannen lang was geweest, en een reeds grijzenden baard had, een ander
werd „doklut”—dokter—genoemd, en had een witten bril gedragen, de
anderen, allen een donkeren. De Eskimo’s werden door ijsgang verrast en
moesten den geheelen zomer op het eiland blijven. In dien tijd verloren
zij de vreemdelingen uit het oog.
Het volgend jaar keerden dezelfde Eskimo’s terug naar de zuidkust van
het eiland en vonden daar voor een tent verscheidene lijken, slechts
twee waren met zand en steenen bedekt, en ook in de tent lagen
verscheiden dooden in hun bed, geheel aangekleed, met laarzen aan de
voeten en toegedekt met hun dekens. De lijken, die buiten lagen waren
door de nog levenden daarheen gedragen. Messen, lepels, horloges,
papieren, werktuigen, en wat er nog meer in de tent lag, namen de
Eskimo’s mede.
Andere Eskimo’s vertelden, dat zij op het vasteland een boot met
verscheiden geraamten hadden gevonden, hoeveel waren zij vergeten,
naast de boot hadden vier dooden gelegen, slechts een der dooden had
nog huid en haren, en zijn haar was lichtblond geweest, hij kon pas
eenige maanden dood zijn geweest. Hij had een ring aan den vinger en
droeg oorringen, zijn horloge was met een ketting bevestigd geweest.
Naast hem lag een blauwe bril. Alles van waarde namen de Eskimo’s mede,
o.a. een zaag, aarden pijpen, zeildoek, kleedingstukken, een kompas,
een tabaksdoos en een blikken doos met boeken. De boeken gaven zij aan
hun kinderen om mede te spelen en in den loop der jaren waren zij
verscheurd. Ongetwijfeld waren dat de kostbare logboeken met al de
waarnemingen en kaarten welke gedurende de drie jaren waren
opgeschreven en geteekend—papieren, voor welke Engeland vele millioenen
zou hebben gegeven!
Eindelijk vertelde nog een oude man, dat hij en zijn stamgenooten voor
ongeveer dertig jaren in de nabijheid der kust van het vasteland in een
groot ijsveld een schip ingesloten hadden gevonden, ook hadden zij
sporen van menschen in de sneeuw ontdekt. Het volgend voorjaar hadden
zij zich weer naar het schip begeven, maar geen spoor van een bezetting
meer gevonden en aan boord was het zoo stil geweest als het graf.
Waarschijnlijk was het dek nog hoog met sneeuw bedekt van den vorigen
zomer, en hadden de Eskimo’s die nog nooit aan boord van een schip
waren geweest, niet geweten hoe er in te komen. Op hun kloppen en leven
maken hadden zij geen antwoord gekregen en de scheepsluiken hadden zij
niet gevonden. Toen hadden zij met bijlen een gat in den zijwand
gehouwen en waren hierdoor voorzichtig naar binnen gekropen. Het was
binnen stikdonker en doodstil. Maar zij vatten moed en zochten rond in
de gangen en hutten. Maar in één kooi hadden zij het lijk van een man
gevonden. Naast hem, op een kleine tafel had een blikken kan met eenige
stukken vleesch gestaan. Toen het ijs in den loop van den zomer
verdween, vulde het schip zich door het gat in den romp en ging onder.
Andere Eskimo’s bevestigden dit bericht. Maar welk van de twee schepen,
de „Erebus” of „Terror” de „Onderwereld” of de „Schrik” zoo naar de
diepte ging, dat weet men niet.
En wie was die eenzame in het binnenste van het schip? Men huivert bij
de gedachte aan zijn lot, hij was de laatste van die vijftig mannen,
die van de Terrorbaai naar het schip terugkeerden. Alle kameraden waren
dood, hij alleen had de kracht behouden zich naar het schip te slepen.
In de kajuiten lag alles nog even onordelijk verspreid als men het voor
twee maanden bij het verlaten van het schip had achtergelaten. De
laatste der manschappen, zocht proviand bijeen en droeg het in zijn
kajuit, dekens waren er genoeg voorhanden, een geriefelijk bed kon hij
nog voor zich inrichten. De zomerdag naderde zijn einde. Steeds langer
bleef de zon onder den horizon. Hij vermoedde niet, dat buiten op het
ijs Eskimo’s het schip gadesloegen maar niet aan boord dorsten te
komen. En toch was hij nu en dan op het dek geweest en had vergeefs
naar hulp van het land uitgezien. Toen kwam de schemering weer, gevolgd
door den langen nacht. Nu bleef hij in zijn hut, luisterde ingespannen
maar hij hoorde niets dan den wind in het takelwerk en in de bevroren
rinkelende touwen of het op zuchten gelijkende knarsen van den
scheepsromp, die door het ijs werd saamgeperst. Ontzettender dan welke
kerker ook, moet dit geheel alleen zijn op het verlaten schip zijn
geweest! En toch bracht het hem niet tot waanzin! De laatste der
overledenen wachtte rustig zijn laatste uur af: een vierde winter was
te veel voor hem, en de tijd tot den volgenden zonsopgang te lang. Toen
de dag weer lichtte, het ijs smolt, en het schip uit zijn driejarige
gevangenschap bevrijdde, zonk het met zijn held in de diepte.