7. HET BERICHT DER ESKIMO’S.

Dertig jaren na den ondergang van de Franklin-expeditie begaf zich

luitenant Schwatka naar het Noorden om de oplossing van het raadsel te

zoeken. Verscheidene van de verongelukten zouden toch zeker een dagboek

hebben gehouden; een was voldoende om alles te vernemen.

Schwatka zocht het allereerst de Eskimostammen op, die op hun zomersche

jachttochten, het dichtst bij King-Williamland kwamen. Bij velen vond

hij voorwerpen, die bij de expeditie hadden behoord. Maar het

merkwaardigste waren de verhalen van oude Eskimo’s.

Een oude vrouw was met haar inmiddels gestorven man en twee andere

families naar King-Williamland getrokken voor de robbenvangst. Vol

verbazing en schrik hadden zij op een dag een troep vreemdelingen

gezien, die een boot achter zich aantrokken. Eerst hadden zij op de

vlucht willen gaan, maar toen een der vreemdelingen haastig op hen toe

was gekomen, hadden zij niet kunnen wegloopen. Zij spraken met elkaar

door teekenen en de Eskimo’s begrepen, dat de mannen blanke zeelieden

waren van een gestrand schip. Zij hadden er ontzettend uitgehongerd en

mager uitgezien, en zwarte kringen om oogen en mond gehad. De Eskimo’s

bleven vier dagen bij hen, deelden met hen het vleesch van een zeehond

en ontvingen als vergoeding een mes. De blanken brachten den nacht

gedeeltelijk in een boot, gedeeltelijk in een kleine tent door.

Levensmiddelen hadden zij niet. De Eskimovrouw vertelde, dat een der

mannen lang was geweest, en een reeds grijzenden baard had, een ander

werd „doklut”—dokter—genoemd, en had een witten bril gedragen, de

anderen, allen een donkeren. De Eskimo’s werden door ijsgang verrast en

moesten den geheelen zomer op het eiland blijven. In dien tijd verloren

zij de vreemdelingen uit het oog.

Het volgend jaar keerden dezelfde Eskimo’s terug naar de zuidkust van

het eiland en vonden daar voor een tent verscheidene lijken, slechts

twee waren met zand en steenen bedekt, en ook in de tent lagen

verscheiden dooden in hun bed, geheel aangekleed, met laarzen aan de

voeten en toegedekt met hun dekens. De lijken, die buiten lagen waren

door de nog levenden daarheen gedragen. Messen, lepels, horloges,

papieren, werktuigen, en wat er nog meer in de tent lag, namen de

Eskimo’s mede.

Andere Eskimo’s vertelden, dat zij op het vasteland een boot met

verscheiden geraamten hadden gevonden, hoeveel waren zij vergeten,

naast de boot hadden vier dooden gelegen, slechts een der dooden had

nog huid en haren, en zijn haar was lichtblond geweest, hij kon pas

eenige maanden dood zijn geweest. Hij had een ring aan den vinger en

droeg oorringen, zijn horloge was met een ketting bevestigd geweest.

Naast hem lag een blauwe bril. Alles van waarde namen de Eskimo’s mede,

o.a. een zaag, aarden pijpen, zeildoek, kleedingstukken, een kompas,

een tabaksdoos en een blikken doos met boeken. De boeken gaven zij aan

hun kinderen om mede te spelen en in den loop der jaren waren zij

verscheurd. Ongetwijfeld waren dat de kostbare logboeken met al de

waarnemingen en kaarten welke gedurende de drie jaren waren

opgeschreven en geteekend—papieren, voor welke Engeland vele millioenen

zou hebben gegeven!

Eindelijk vertelde nog een oude man, dat hij en zijn stamgenooten voor

ongeveer dertig jaren in de nabijheid der kust van het vasteland in een

groot ijsveld een schip ingesloten hadden gevonden, ook hadden zij

sporen van menschen in de sneeuw ontdekt. Het volgend voorjaar hadden

zij zich weer naar het schip begeven, maar geen spoor van een bezetting

meer gevonden en aan boord was het zoo stil geweest als het graf.

Waarschijnlijk was het dek nog hoog met sneeuw bedekt van den vorigen

zomer, en hadden de Eskimo’s die nog nooit aan boord van een schip

waren geweest, niet geweten hoe er in te komen. Op hun kloppen en leven

maken hadden zij geen antwoord gekregen en de scheepsluiken hadden zij

niet gevonden. Toen hadden zij met bijlen een gat in den zijwand

gehouwen en waren hierdoor voorzichtig naar binnen gekropen. Het was

binnen stikdonker en doodstil. Maar zij vatten moed en zochten rond in

de gangen en hutten. Maar in één kooi hadden zij het lijk van een man

gevonden. Naast hem, op een kleine tafel had een blikken kan met eenige

stukken vleesch gestaan. Toen het ijs in den loop van den zomer

verdween, vulde het schip zich door het gat in den romp en ging onder.

Andere Eskimo’s bevestigden dit bericht. Maar welk van de twee schepen,

de „Erebus” of „Terror” de „Onderwereld” of de „Schrik” zoo naar de

diepte ging, dat weet men niet.

En wie was die eenzame in het binnenste van het schip? Men huivert bij

de gedachte aan zijn lot, hij was de laatste van die vijftig mannen,

die van de Terrorbaai naar het schip terugkeerden. Alle kameraden waren

dood, hij alleen had de kracht behouden zich naar het schip te slepen.

In de kajuiten lag alles nog even onordelijk verspreid als men het voor

twee maanden bij het verlaten van het schip had achtergelaten. De

laatste der manschappen, zocht proviand bijeen en droeg het in zijn

kajuit, dekens waren er genoeg voorhanden, een geriefelijk bed kon hij

nog voor zich inrichten. De zomerdag naderde zijn einde. Steeds langer

bleef de zon onder den horizon. Hij vermoedde niet, dat buiten op het

ijs Eskimo’s het schip gadesloegen maar niet aan boord dorsten te

komen. En toch was hij nu en dan op het dek geweest en had vergeefs

naar hulp van het land uitgezien. Toen kwam de schemering weer, gevolgd

door den langen nacht. Nu bleef hij in zijn hut, luisterde ingespannen

maar hij hoorde niets dan den wind in het takelwerk en in de bevroren

rinkelende touwen of het op zuchten gelijkende knarsen van den

scheepsromp, die door het ijs werd saamgeperst. Ontzettender dan welke

kerker ook, moet dit geheel alleen zijn op het verlaten schip zijn

geweest! En toch bracht het hem niet tot waanzin! De laatste der

overledenen wachtte rustig zijn laatste uur af: een vierde winter was

te veel voor hem, en de tijd tot den volgenden zonsopgang te lang. Toen

de dag weer lichtte, het ijs smolt, en het schip uit zijn driejarige

gevangenschap bevrijdde, zonk het met zijn held in de diepte.

Van pool tot pool(#76913) · 第 13 / 75 题