6. DE TOCHT NAAR DE DOODENBAAI.

Met de nieuwe zon ontwaakte de hoop der bemanning nu voor de laatste

maal! Wie kapitein Crozier persoonlijk heeft gekend, was overtuigd, dat

hij de hoop nooit heeft opgegeven.

Nu gold het een laatste poging. De kapitein hield een toespraak tot

zijn manschappen en verheelde hen niet, dat hun leven op het spel stond

en dat hij het uiterste van hen verlangen moest. Er waren nog

honderdvijftig man bijeen, maar velen waarschijnlijk ziek of zelfs

stervende, zeker allen geheel uitgeput. Maar met het toenemende licht

verhief de levens- en arbeidslust zich weer. Verscheidene sleden werden

ingericht, wel plomp en zwaar, maar sterk. Drie walvischbooten, die

sedert jaren vastgevroren in hun davids hadden gehangen, werden

losgemaakt en op het ijs neergelaten. Het beste van de nog voorhanden

zijnde proviand werd uitgezocht en rondom de booten opgestapeld. Met

toenemende opwinding zag men de zon van dag tot dag langer boven den

horizon staan. Stellig werd een uitvoerig bericht over het lot der

expeditie neergeschreven en aan boord achter gelaten.

Toen al de bagage op het ijs bijeen was, werden voorraden, tenten,

instrumenten, geweren en munitie op de sleden geladen en de drie

walvischbooten met koorden elk op een slede vast gesnoerd. Een aparte

slede met bedden was voor de zieken bestemd. Onder deze voorbereidingen

werden de dagen steeds langer en eindelijk werd het verlangen om op te

breken zoo sterk, dat niets de manschappen meer kon terughouden. Maar

dit te vroeg opbreken, bezegelde hun lot! Noch wild, noch Eskimo’s gaan

voor den nazomer zoover naar het Noorden, en ook met de volgeladen

sleden kon de proviand slechts voor veertien dagen toereikend zijn!

Den dag voor den afmarsch zag ieder zijn bezittingen voor het laatst

nog eens na; dierbare herinneringen aan betrekkingen, den bijbel en het

horloge, dat den tragen gang van den tijd verkondigde, nam elk der

zwaar beproefde zeelieden in zijn zak mede. De officieren gingen voor

het laatst hun leege hutten binnen, om zich er van te overtuigen, dat

niets van gewicht was vergeten. In het inwendige van het schip zag het

er uit als in een huis, dat bij een overstrooming hals over kop

verlaten was en waaruit men nog maar het meest onontbeerlijke had

kunnen medenemen.

Den 22sten April 1848 klonk het signaal tot opbreken, en de veel te

zwaar beladen sleden knarsten langzaam en hortend over het met sneeuw

bedekte, hobbelige ijs. Bijlen, houweelen en spaden zijn onafgebroken

aan het werk om scherpe kanten af te houwen en hinderlijke blokken weg

te ruimen. Het zijn slechts vijf-en-twintig kilometer tot

King-Williamland, toch duurt het drie dagen! Te langzaam worden de

masten en de rompen der verlaten schepen kleiner, maar eindelijk

verdwijnen zij toch.

Maar nu zag de kapitein in, dat hij zoo niet verder kon gaan. De bagage

werd opnieuw doorgezien, en al wat maar eenigszins gemist kon worden er

uit gehaald. De latere hulpexpeditie vond op deze plek een menigte

voorwerpen, stukken van de uniform, koperen knoopen, metalen

voorwerpen, en dergelijke, hetgeen men als munt, bij ruilhandel met

Eskimo’s en Indianen had willen gebruiken. Maar alle proviand en

munitie werd medegenomen, want als de eerste op zijn eind raakte, dan

was de munitie de eenige redding.

Met lichtere schreden zette de stoet zich langs de westkust in

beweging. Maar men was nog niet ver gevorderd of John Irving, luitenant

van de „Terror”, bezweek. Gekleed in zijn blauwe uniform, gewikkeld in

zeildoek, een zijden doek om het hoofd gewonden, werd hij tusschen

schuin geplaatste steenen begraven en het graf met vlakke steenen

gedekt. Naast zijn hoofd lag een zilveren medaille, op de voorzijde

stond: „Tweede prijs voor de wiskunde, door de Koninklijke

Zeevaartschool, aan John Irving 21 Juni 1830 uitgereikt.” Aan deze

medaille werd de doode na lange jaren herkend, en daardoor konden zijn

overblijfselen naar zijn geboorteplaats overgebracht worden.

Twee bochten der westkust van King-Williamland zijn naar de beide

ongeluksschepen genoemd. Aan het strand van de noordelijkste, de

Erebus-baai, waren de krachten der Engelsche zeelieden zoo uitgeput,

dat zij twee booten, met de sleden waarop ze nu onnoodig zoover waren

medegesleept, achterlieten. Een menigte andere dingen werden hier

eveneens geofferd. Hier en daar toonde een graf hun weg—en steeds

eenvoudiger werden deze graven, hoe verder de stoet zich naar het

Zuiden bewoog. Daar kwam het vreeselijkste. Bij de Terror-baai hield de

band der vriendschap hen niet meer bijeen! De bevelhebber had geen

macht meer over de manschappen. De ongeveer honderd man, die

overgebleven waren, scheidden zich nu in twee, waarschijnlijke gelijke

deelen. Het eene, met de zwakkeren, wilde naar de schepen terugkeeren,

waar men tenminste tegen wind en weer beschut was en nog levensmiddelen

vond. Het andere deel trok, met de derde walvischboot langs de zuidkust

verder, en hoopte dan naar het vasteland en de Groote Vischrivier te

komen. Zonder eenigen twijfel zouden dezen, zoodra ze hulp hadden

gevonden, naar hun kameraden zijn teruggekeerd.

Wanhopend moet de tocht zijn geweest van hen, die terugkeerden.

Wanhopend ook de marsch van hen, die verder trokken. Van de eersten

weet men zoo goed als niets. De laatsten sleepten zich, de zware sleden

trekkend, met vermoeide schreden voort, totdat zij, de een na den

ander, bezweken. Niemand dacht er meer aan, de lijken der makkers te

begraven; terwille van een stervende kon men zich niet ophouden! Ieder

had genoeg te zorgen voor zichzelf. Eenigen stierven in het gaan; dit

zag men later aan de geraamten, die men op het gezicht liggend vond.

Vergeefs sleepten de overlevenden hun munitiekisten mede, zonder een

enkel schot te kunnen afvuren, want geen spoor van wild komt in Mei en

Juni op het eiland voor. Steeds kleiner werd het getal van hen, die de

boot over sneeuw en ijs nog aan land konden trekken. Nu wachtten zij op

open water om over de zeeëngte aan land te kunnen komen. In het begin

van Juli pleegt het ijs te breken, en in elk geval zijn de overlevenden

in dezen tijd daar overgezet, want de boot werd later in een bocht, die

nu de „Doodenbaai” heet, aangetroffen. Indien men de boot daar later

zou hebben gevonden, dan was het even goed mogelijk geweest, dat wind

en golven ze daarheen hadden gedreven; maar de geraamten in de boot en

aan het strand en allerlei voorwerpen van de uitrusting toonden aan,

dat de boot bij de overvaart en het landen bemand geweest was. Vele

oogenblikken van dezen noodlottigen tocht zijn voor eeuwig duister

gebleven. Waarom sleepten zij de zware walvischbooten twee maanden lang

mede, daar ze toch reeds het vorige jaar, op den tocht, kort voor den

dood van den admiraal, het vasteland in het Zuiden moesten hebben

gezien? De zeeëngte is op haar smalste plaats slechts tien kilometer

breed, en ze hadden haar op elke plaats over het ijs kunnen overgaan!

Nooit zal het raadsel opgelost worden, want allen stierven en geen blad

uit het dagboek is gevonden!

Toen berichten van Franklin geheel uitbleven, werd reeds na twee jaar

de eerste hulp-expeditie gezonden. In het najaar van 1850 waren

vijftien schepen aan het zoeken; het dapperst en meest energiek was de

vrouw van Franklin, die jaren lang de hoop op een weerzien niet opgaf!

Zij offerde haar geheele vermogen aan de hulp-expedities en de

regeering gaf in den loop van zes jaar, ruim negen millioen gulden voor

hulpexpedities uit! Alles vergeefs! Want het ongeluk was reeds lang

geschied. Een expeditie, die reeds in 1848 uittrok, bleef in het ijs

steken, en kwam op een heel bijzonderen inval, om de in nood

verkeerenden, waar zij zich ook mochten bevinden, van hun nabijheid in

kennis te stellen. Men ving ongeveer honderd bergvossen, deed ze

koperen halsbanden om, waarop een kort bericht omtrent de ligging van

het hulpschip was ingekrast en liet ze dan weer loopen.

In het jaar 1854 werden de namen van Franklin, Crozier en de overige

deelnemers uit de personeellijst der Engelsche marine geschrapt. In de

geboorteplaats van Franklin werd een gedenkteeken voor hem opgericht en

in de Westminster abdij, waar Engeland’s helden sluimeren, heeft men

een marmeren gedenksteen voor hem opgericht, met de woorden van den

dichter Alfred Tennyson:

„Niet hier! In den ijzigen arm verwijlt gij

Van de Pool—Een man, een held.

Naar een andere Pool gij ijlt,

Daar boven in de hemeltent!”

Een beroemd poolreiziger, Julius Payer, die Frans-Jozef-land in het

Oosten van Spitsbergen heeft ontdekt, heeft een schilderij geschilderd,

die hij de „Doodenbaai” noemde. Aan een verlaten kust midden tusschen

ijs en sneeuw ligt een aan land getrokken boot, tusschen hier en daar

verspreide bagage rusten de lijken van verscheidene zeelieden. In de

boot liggen andere lijken in de meest verschillende houdingen, de

trekken verstijfd in wanhoop en ontzetting! Een ligt voorovergebogen op

een open bijbel, de linkerhand omknelt krampachtig de saamgekreukelde

bladeren. Aan den voorsteven der boot knielt een man, de laatst

overgeblevene, kapitein Crozier. Met koelbloedige kalmte houdt hij zijn

geweer gereed. Twee ijsberen naderen, tegen hen wil hij zichzelf en

zijn doode makkers beschermen!

Van pool tot pool(#76913) · 第 12 / 75 题