Met de nieuwe zon ontwaakte de hoop der bemanning nu voor de laatste
maal! Wie kapitein Crozier persoonlijk heeft gekend, was overtuigd, dat
hij de hoop nooit heeft opgegeven.
Nu gold het een laatste poging. De kapitein hield een toespraak tot
zijn manschappen en verheelde hen niet, dat hun leven op het spel stond
en dat hij het uiterste van hen verlangen moest. Er waren nog
honderdvijftig man bijeen, maar velen waarschijnlijk ziek of zelfs
stervende, zeker allen geheel uitgeput. Maar met het toenemende licht
verhief de levens- en arbeidslust zich weer. Verscheidene sleden werden
ingericht, wel plomp en zwaar, maar sterk. Drie walvischbooten, die
sedert jaren vastgevroren in hun davids hadden gehangen, werden
losgemaakt en op het ijs neergelaten. Het beste van de nog voorhanden
zijnde proviand werd uitgezocht en rondom de booten opgestapeld. Met
toenemende opwinding zag men de zon van dag tot dag langer boven den
horizon staan. Stellig werd een uitvoerig bericht over het lot der
expeditie neergeschreven en aan boord achter gelaten.
Toen al de bagage op het ijs bijeen was, werden voorraden, tenten,
instrumenten, geweren en munitie op de sleden geladen en de drie
walvischbooten met koorden elk op een slede vast gesnoerd. Een aparte
slede met bedden was voor de zieken bestemd. Onder deze voorbereidingen
werden de dagen steeds langer en eindelijk werd het verlangen om op te
breken zoo sterk, dat niets de manschappen meer kon terughouden. Maar
dit te vroeg opbreken, bezegelde hun lot! Noch wild, noch Eskimo’s gaan
voor den nazomer zoover naar het Noorden, en ook met de volgeladen
sleden kon de proviand slechts voor veertien dagen toereikend zijn!
Den dag voor den afmarsch zag ieder zijn bezittingen voor het laatst
nog eens na; dierbare herinneringen aan betrekkingen, den bijbel en het
horloge, dat den tragen gang van den tijd verkondigde, nam elk der
zwaar beproefde zeelieden in zijn zak mede. De officieren gingen voor
het laatst hun leege hutten binnen, om zich er van te overtuigen, dat
niets van gewicht was vergeten. In het inwendige van het schip zag het
er uit als in een huis, dat bij een overstrooming hals over kop
verlaten was en waaruit men nog maar het meest onontbeerlijke had
kunnen medenemen.
Den 22sten April 1848 klonk het signaal tot opbreken, en de veel te
zwaar beladen sleden knarsten langzaam en hortend over het met sneeuw
bedekte, hobbelige ijs. Bijlen, houweelen en spaden zijn onafgebroken
aan het werk om scherpe kanten af te houwen en hinderlijke blokken weg
te ruimen. Het zijn slechts vijf-en-twintig kilometer tot
King-Williamland, toch duurt het drie dagen! Te langzaam worden de
masten en de rompen der verlaten schepen kleiner, maar eindelijk
verdwijnen zij toch.
Maar nu zag de kapitein in, dat hij zoo niet verder kon gaan. De bagage
werd opnieuw doorgezien, en al wat maar eenigszins gemist kon worden er
uit gehaald. De latere hulpexpeditie vond op deze plek een menigte
voorwerpen, stukken van de uniform, koperen knoopen, metalen
voorwerpen, en dergelijke, hetgeen men als munt, bij ruilhandel met
Eskimo’s en Indianen had willen gebruiken. Maar alle proviand en
munitie werd medegenomen, want als de eerste op zijn eind raakte, dan
was de munitie de eenige redding.
Met lichtere schreden zette de stoet zich langs de westkust in
beweging. Maar men was nog niet ver gevorderd of John Irving, luitenant
van de „Terror”, bezweek. Gekleed in zijn blauwe uniform, gewikkeld in
zeildoek, een zijden doek om het hoofd gewonden, werd hij tusschen
schuin geplaatste steenen begraven en het graf met vlakke steenen
gedekt. Naast zijn hoofd lag een zilveren medaille, op de voorzijde
stond: „Tweede prijs voor de wiskunde, door de Koninklijke
Zeevaartschool, aan John Irving 21 Juni 1830 uitgereikt.” Aan deze
medaille werd de doode na lange jaren herkend, en daardoor konden zijn
overblijfselen naar zijn geboorteplaats overgebracht worden.
Twee bochten der westkust van King-Williamland zijn naar de beide
ongeluksschepen genoemd. Aan het strand van de noordelijkste, de
Erebus-baai, waren de krachten der Engelsche zeelieden zoo uitgeput,
dat zij twee booten, met de sleden waarop ze nu onnoodig zoover waren
medegesleept, achterlieten. Een menigte andere dingen werden hier
eveneens geofferd. Hier en daar toonde een graf hun weg—en steeds
eenvoudiger werden deze graven, hoe verder de stoet zich naar het
Zuiden bewoog. Daar kwam het vreeselijkste. Bij de Terror-baai hield de
band der vriendschap hen niet meer bijeen! De bevelhebber had geen
macht meer over de manschappen. De ongeveer honderd man, die
overgebleven waren, scheidden zich nu in twee, waarschijnlijke gelijke
deelen. Het eene, met de zwakkeren, wilde naar de schepen terugkeeren,
waar men tenminste tegen wind en weer beschut was en nog levensmiddelen
vond. Het andere deel trok, met de derde walvischboot langs de zuidkust
verder, en hoopte dan naar het vasteland en de Groote Vischrivier te
komen. Zonder eenigen twijfel zouden dezen, zoodra ze hulp hadden
gevonden, naar hun kameraden zijn teruggekeerd.
Wanhopend moet de tocht zijn geweest van hen, die terugkeerden.
Wanhopend ook de marsch van hen, die verder trokken. Van de eersten
weet men zoo goed als niets. De laatsten sleepten zich, de zware sleden
trekkend, met vermoeide schreden voort, totdat zij, de een na den
ander, bezweken. Niemand dacht er meer aan, de lijken der makkers te
begraven; terwille van een stervende kon men zich niet ophouden! Ieder
had genoeg te zorgen voor zichzelf. Eenigen stierven in het gaan; dit
zag men later aan de geraamten, die men op het gezicht liggend vond.
Vergeefs sleepten de overlevenden hun munitiekisten mede, zonder een
enkel schot te kunnen afvuren, want geen spoor van wild komt in Mei en
Juni op het eiland voor. Steeds kleiner werd het getal van hen, die de
boot over sneeuw en ijs nog aan land konden trekken. Nu wachtten zij op
open water om over de zeeëngte aan land te kunnen komen. In het begin
van Juli pleegt het ijs te breken, en in elk geval zijn de overlevenden
in dezen tijd daar overgezet, want de boot werd later in een bocht, die
nu de „Doodenbaai” heet, aangetroffen. Indien men de boot daar later
zou hebben gevonden, dan was het even goed mogelijk geweest, dat wind
en golven ze daarheen hadden gedreven; maar de geraamten in de boot en
aan het strand en allerlei voorwerpen van de uitrusting toonden aan,
dat de boot bij de overvaart en het landen bemand geweest was. Vele
oogenblikken van dezen noodlottigen tocht zijn voor eeuwig duister
gebleven. Waarom sleepten zij de zware walvischbooten twee maanden lang
mede, daar ze toch reeds het vorige jaar, op den tocht, kort voor den
dood van den admiraal, het vasteland in het Zuiden moesten hebben
gezien? De zeeëngte is op haar smalste plaats slechts tien kilometer
breed, en ze hadden haar op elke plaats over het ijs kunnen overgaan!
Nooit zal het raadsel opgelost worden, want allen stierven en geen blad
uit het dagboek is gevonden!
Toen berichten van Franklin geheel uitbleven, werd reeds na twee jaar
de eerste hulp-expeditie gezonden. In het najaar van 1850 waren
vijftien schepen aan het zoeken; het dapperst en meest energiek was de
vrouw van Franklin, die jaren lang de hoop op een weerzien niet opgaf!
Zij offerde haar geheele vermogen aan de hulp-expedities en de
regeering gaf in den loop van zes jaar, ruim negen millioen gulden voor
hulpexpedities uit! Alles vergeefs! Want het ongeluk was reeds lang
geschied. Een expeditie, die reeds in 1848 uittrok, bleef in het ijs
steken, en kwam op een heel bijzonderen inval, om de in nood
verkeerenden, waar zij zich ook mochten bevinden, van hun nabijheid in
kennis te stellen. Men ving ongeveer honderd bergvossen, deed ze
koperen halsbanden om, waarop een kort bericht omtrent de ligging van
het hulpschip was ingekrast en liet ze dan weer loopen.
In het jaar 1854 werden de namen van Franklin, Crozier en de overige
deelnemers uit de personeellijst der Engelsche marine geschrapt. In de
geboorteplaats van Franklin werd een gedenkteeken voor hem opgericht en
in de Westminster abdij, waar Engeland’s helden sluimeren, heeft men
een marmeren gedenksteen voor hem opgericht, met de woorden van den
dichter Alfred Tennyson:
„Niet hier! In den ijzigen arm verwijlt gij
Van de Pool—Een man, een held.
Naar een andere Pool gij ijlt,
Daar boven in de hemeltent!”
Een beroemd poolreiziger, Julius Payer, die Frans-Jozef-land in het
Oosten van Spitsbergen heeft ontdekt, heeft een schilderij geschilderd,
die hij de „Doodenbaai” noemde. Aan een verlaten kust midden tusschen
ijs en sneeuw ligt een aan land getrokken boot, tusschen hier en daar
verspreide bagage rusten de lijken van verscheidene zeelieden. In de
boot liggen andere lijken in de meest verschillende houdingen, de
trekken verstijfd in wanhoop en ontzetting! Een ligt voorovergebogen op
een open bijbel, de linkerhand omknelt krampachtig de saamgekreukelde
bladeren. Aan den voorsteven der boot knielt een man, de laatst
overgeblevene, kapitein Crozier. Met koelbloedige kalmte houdt hij zijn
geweer gereed. Twee ijsberen naderen, tegen hen wil hij zichzelf en
zijn doode makkers beschermen!