Weer kwam de tijd, waarop het ijs in beweging raakte en men op open
water kon hopen. Zeker zullen de gevangenen van de „Erebus” en de
„Terror” naar alle kanten tochten hebben gemaakt, om te zien, waar de
branding van de open zee het meest nabij was. Misschien beproefden zij
ook met ijszagen en buskruit zich uit de ijsbanden te bevrijden. Alles
vergeefs! Het ijs hield hen vast. Op zekeren dag ontdekten zij echter
tot hun groote vreugde, dat het geheele ijsveld zich in zuidelijker
richting bewoog! Als zij op deze manier het vasteland toch maar konden
bereiken! Een groote Amerikaansche maatschappij, die zich naar de
Hudsonbaai noemde, had ver in het Noorden van het vasteland kleine
handelsstations gevestigd. Als zij daar slechts konden komen, dan waren
zij gered.
De herfst liep naar zijn einde, maar de hoop op bevrijding werd
verijdeld, nu, dat de winter zoo nabij was, nog een poging te wagen het
vasteland te bereiken, was ondenkbaar, want in die eindelooze
woestenijen is in den winter geen wild, en het trekken naar het Zuiden
brengt daarom tot een zekeren hongerdood. In den zomer daarentegen kan
men hopen daar reeds tamelijk vroeg op rendieren te stooten en op
muskusossen, die vreemde pooldieren, die evenveel gelijken op het
schaap als op het rund, van varens en mossen leven en niet meer
zuidelijk gaan dan tot 60 graden breedte. In het Westen van
Noord-Amerika valt de zuidelijke grens voor het optreden der
muskusossen ongeveer samen met de noordelijke boomgrens. Een kudde van
twintig of dertig dieren zou de gebreklijdende zeelieden van Franklin
van den dood hebben gered! Indien men tenminste maar ijsberen had
ontmoet! Of nog beter zeehonden en walrussen, met hun dikke speklaag
onder de huid.
De poolhaas zou ook niet te versmaden zijn geweest, indien hij in
voldoend aantal was aangetroffen. Maar de bergvos, die van vogeleieren
en jonge vogels leeft en in den winter, niet te herkennen door zijn
witte vel, op de sneeuwhoenderjacht gaat, zou weliswaar niet aangenaam
zijn geweest te ontmoeten.
Nu was het jaargetijde echter reeds te ver verstreken en de wilde
dieren trokken voor de sneeuw en de koude meer zuidelijk. Zeker
beraadslaagden de officieren wat er nu gedaan moest worden. Zij hadden
kaarten en boeken aan boord en wisten heel precies hoever het eerste
handelsstation der Hudsonbaai-maatschappij was verwijderd en op den weg
daarheen hadden zij misschien wild of Eskimo’s kunnen ontmoeten. Maar
zij besloten ook den derden winter aan boord uit te houden! Waarom
gebruikten zij den herfst niet, om de walvischbooten, sleden, tenten,
werktuigen en munitie en al de zware bagage op het King-Williamland aan
land te brengen? Zelfs met het afnemen van het licht hadden zij toch
verscheidene dagen kunnen werken. Stellig waren zij geheel
terneergeslagen en zagen met een huivering de duisternis tegemoet. Nog
ging de zon op, maar beschreef in het Zuiden slechts een vlakke boog en
dook na anderhalf uur weer onder. Spoedig duurde de dag nog maar een
half uur, de lichte oogenblikken werden steeds minder, en op zekeren
dag zag men nog slechts den bovensten rand, als een stralenden robijn,
een oogenblik boven den horizon fonkelen. Den volgenden dag viel in den
middag de schemering reeds in; slechts een weerschijn der zon vlamde
als het avondrood langs den zuidelijken hemel. Daarna werd de
schemering dieper en dieper. Wel merkte men ’s middags, in het Zuiden,
nog een bloedroode streep, die een mat purper schijnsel over de
ijsvelden wierp. Maar ook dit bluschte uit, en de poolnacht, die op
dezen breedtegraad volle zestig dagen, terwijl hij aan de Noordelijke
Pool zelfs een half jaar duurt, was er, en de sterren fonkelden als
brandende fakkels, op blauw-zwarten grond, zelfs dan, als de klok in de
officierskajuit het middaguur aangaf!
Het was weliswaar niet altijd zoo pikdonker. Behalve de sterren, die in
de reine lucht bij de scherpe koude veel helderder stralen, dan in de
landen, die meer door de natuur zijn begunstigd, doet de maan ook
dienst. Maar haar licht deed het door de vorst verstijfde tehuis van
sneeuw en ijs nog verlatener en somberder lijken. In de duisternis zag
men tenminste niet hoe verlaten het aan alle kanten was.
Wie voor het eerst in het hooge Noorden overwintert, vindt den
poolnacht wonderlijk aantrekkelijk, het diepe zwijgen der koude
duisternis en het klagend huilen van den voortjagenden sneeuwstorm.
Maar niets is zoo bewonderenswaardig als het noorderlicht. In Zweden
vertoont het zich niet zelden. Al weet men, dat de magnetische en
electrische kracht der aarde van tijd tot tijd bijna den ganschen
aardbol in een mantel van licht hult, toch staat men nog vragend voor
dit raadselachtig verschijnsel. Als de vuurtongen van het noorderlicht
hun flikkerend schijnsel over het Noorden uitstraalden, geloofden de
oude Vikings, dat de Walkuren op zilverwitte paarden van het Walhalla
uit naar het slagveld trokken.
Meestal is het noorderlicht onvast. Het vlamt plotseling op, trilt een
oogenblik aan den hemel, verbleekt en verdwijnt. Het langst duren de
boogvormige noorderlichten, die dikwijls hun melkwitte wegen, hoog over
den hemel spannen. Dikwijls is slechts de eene helft van den boog
zichtbaar en verheft zich als een lichtzuil aan den rand des hemels.
Een anderen keer gelijkt het noorderlicht op flikkerende vlammen, die
naar beneden rood en naar boven groen zijn en vlug langs den hemel
glippen. Verder noordelijk is het licht geelachtiger. Als de stralen
zich alle in hetzelfde punt schijnen te vereenigen, dan spreekt men van
een noorderlichtkroon. Prachtige kleuren vertoonen zich, snel wisselend
in zulk een stralenbundel, die de kruin der aarde kroont; slechts
zelden is het licht zoo sterk als het schijnsel van de volle maan. Het
schoonst is echter het noorderlicht, wanneer het als geplooide
gordijnen van den hemel schijnt neer te hangen, die in den wind
fladderen.
Voor de in het ijs gevangen gehouden Engelschen zullen de vlammentongen
van het noorderlicht wel geen aantrekkingskracht meer gehad hebben!
Uitgemergeld en afgestompt, de bedorven proviand zat, door drie winters
eindeloos nietsdoend wachten verweeklijkt geworden, lagen zij in hun
kooien en hoorden hoe de klok de seconden aftikte. De eenige
afwisseling in het eentonige leven waren nog de sterfgevallen. De
timmerlieden hadden de handel vol en kapitein Crozier kende zijn
lijkredenen al van buiten. Negen officieren en elf matrozen stierven
gedurende de beide laatste winters, de meesten in ieder geval gedurende
den laatsten winter. Dat werd bekend door een klein strookje papier,
dat verzegeld in een hoop steen aan de kust was neergelegd en elf jaar
later werd gevonden.
Ook de maanden van deze duisternis naderden haar einde. De roode streep
ontvlamde weer in het Zuiden en werd gaandeweg lichter. Schemering
loste de duisternis af en eindelijk flikkerden de eerste zonnestralen
weer aan den horizon. Zeker hebben de Brahmanen aan den oever van den
Ganges het opgaan der zon niet met grooter gejubel begroet, dan de
manschappen van deze beide ongeluksschepen „Erebus” en „Terror”.