5. IN NACHT EN IJS.

Weer kwam de tijd, waarop het ijs in beweging raakte en men op open

water kon hopen. Zeker zullen de gevangenen van de „Erebus” en de

„Terror” naar alle kanten tochten hebben gemaakt, om te zien, waar de

branding van de open zee het meest nabij was. Misschien beproefden zij

ook met ijszagen en buskruit zich uit de ijsbanden te bevrijden. Alles

vergeefs! Het ijs hield hen vast. Op zekeren dag ontdekten zij echter

tot hun groote vreugde, dat het geheele ijsveld zich in zuidelijker

richting bewoog! Als zij op deze manier het vasteland toch maar konden

bereiken! Een groote Amerikaansche maatschappij, die zich naar de

Hudsonbaai noemde, had ver in het Noorden van het vasteland kleine

handelsstations gevestigd. Als zij daar slechts konden komen, dan waren

zij gered.

De herfst liep naar zijn einde, maar de hoop op bevrijding werd

verijdeld, nu, dat de winter zoo nabij was, nog een poging te wagen het

vasteland te bereiken, was ondenkbaar, want in die eindelooze

woestenijen is in den winter geen wild, en het trekken naar het Zuiden

brengt daarom tot een zekeren hongerdood. In den zomer daarentegen kan

men hopen daar reeds tamelijk vroeg op rendieren te stooten en op

muskusossen, die vreemde pooldieren, die evenveel gelijken op het

schaap als op het rund, van varens en mossen leven en niet meer

zuidelijk gaan dan tot 60 graden breedte. In het Westen van

Noord-Amerika valt de zuidelijke grens voor het optreden der

muskusossen ongeveer samen met de noordelijke boomgrens. Een kudde van

twintig of dertig dieren zou de gebreklijdende zeelieden van Franklin

van den dood hebben gered! Indien men tenminste maar ijsberen had

ontmoet! Of nog beter zeehonden en walrussen, met hun dikke speklaag

onder de huid.

De poolhaas zou ook niet te versmaden zijn geweest, indien hij in

voldoend aantal was aangetroffen. Maar de bergvos, die van vogeleieren

en jonge vogels leeft en in den winter, niet te herkennen door zijn

witte vel, op de sneeuwhoenderjacht gaat, zou weliswaar niet aangenaam

zijn geweest te ontmoeten.

Nu was het jaargetijde echter reeds te ver verstreken en de wilde

dieren trokken voor de sneeuw en de koude meer zuidelijk. Zeker

beraadslaagden de officieren wat er nu gedaan moest worden. Zij hadden

kaarten en boeken aan boord en wisten heel precies hoever het eerste

handelsstation der Hudsonbaai-maatschappij was verwijderd en op den weg

daarheen hadden zij misschien wild of Eskimo’s kunnen ontmoeten. Maar

zij besloten ook den derden winter aan boord uit te houden! Waarom

gebruikten zij den herfst niet, om de walvischbooten, sleden, tenten,

werktuigen en munitie en al de zware bagage op het King-Williamland aan

land te brengen? Zelfs met het afnemen van het licht hadden zij toch

verscheidene dagen kunnen werken. Stellig waren zij geheel

terneergeslagen en zagen met een huivering de duisternis tegemoet. Nog

ging de zon op, maar beschreef in het Zuiden slechts een vlakke boog en

dook na anderhalf uur weer onder. Spoedig duurde de dag nog maar een

half uur, de lichte oogenblikken werden steeds minder, en op zekeren

dag zag men nog slechts den bovensten rand, als een stralenden robijn,

een oogenblik boven den horizon fonkelen. Den volgenden dag viel in den

middag de schemering reeds in; slechts een weerschijn der zon vlamde

als het avondrood langs den zuidelijken hemel. Daarna werd de

schemering dieper en dieper. Wel merkte men ’s middags, in het Zuiden,

nog een bloedroode streep, die een mat purper schijnsel over de

ijsvelden wierp. Maar ook dit bluschte uit, en de poolnacht, die op

dezen breedtegraad volle zestig dagen, terwijl hij aan de Noordelijke

Pool zelfs een half jaar duurt, was er, en de sterren fonkelden als

brandende fakkels, op blauw-zwarten grond, zelfs dan, als de klok in de

officierskajuit het middaguur aangaf!

Het was weliswaar niet altijd zoo pikdonker. Behalve de sterren, die in

de reine lucht bij de scherpe koude veel helderder stralen, dan in de

landen, die meer door de natuur zijn begunstigd, doet de maan ook

dienst. Maar haar licht deed het door de vorst verstijfde tehuis van

sneeuw en ijs nog verlatener en somberder lijken. In de duisternis zag

men tenminste niet hoe verlaten het aan alle kanten was.

Wie voor het eerst in het hooge Noorden overwintert, vindt den

poolnacht wonderlijk aantrekkelijk, het diepe zwijgen der koude

duisternis en het klagend huilen van den voortjagenden sneeuwstorm.

Maar niets is zoo bewonderenswaardig als het noorderlicht. In Zweden

vertoont het zich niet zelden. Al weet men, dat de magnetische en

electrische kracht der aarde van tijd tot tijd bijna den ganschen

aardbol in een mantel van licht hult, toch staat men nog vragend voor

dit raadselachtig verschijnsel. Als de vuurtongen van het noorderlicht

hun flikkerend schijnsel over het Noorden uitstraalden, geloofden de

oude Vikings, dat de Walkuren op zilverwitte paarden van het Walhalla

uit naar het slagveld trokken.

Meestal is het noorderlicht onvast. Het vlamt plotseling op, trilt een

oogenblik aan den hemel, verbleekt en verdwijnt. Het langst duren de

boogvormige noorderlichten, die dikwijls hun melkwitte wegen, hoog over

den hemel spannen. Dikwijls is slechts de eene helft van den boog

zichtbaar en verheft zich als een lichtzuil aan den rand des hemels.

Een anderen keer gelijkt het noorderlicht op flikkerende vlammen, die

naar beneden rood en naar boven groen zijn en vlug langs den hemel

glippen. Verder noordelijk is het licht geelachtiger. Als de stralen

zich alle in hetzelfde punt schijnen te vereenigen, dan spreekt men van

een noorderlichtkroon. Prachtige kleuren vertoonen zich, snel wisselend

in zulk een stralenbundel, die de kruin der aarde kroont; slechts

zelden is het licht zoo sterk als het schijnsel van de volle maan. Het

schoonst is echter het noorderlicht, wanneer het als geplooide

gordijnen van den hemel schijnt neer te hangen, die in den wind

fladderen.

Voor de in het ijs gevangen gehouden Engelschen zullen de vlammentongen

van het noorderlicht wel geen aantrekkingskracht meer gehad hebben!

Uitgemergeld en afgestompt, de bedorven proviand zat, door drie winters

eindeloos nietsdoend wachten verweeklijkt geworden, lagen zij in hun

kooien en hoorden hoe de klok de seconden aftikte. De eenige

afwisseling in het eentonige leven waren nog de sterfgevallen. De

timmerlieden hadden de handel vol en kapitein Crozier kende zijn

lijkredenen al van buiten. Negen officieren en elf matrozen stierven

gedurende de beide laatste winters, de meesten in ieder geval gedurende

den laatsten winter. Dat werd bekend door een klein strookje papier,

dat verzegeld in een hoop steen aan de kust was neergelegd en elf jaar

later werd gevonden.

Ook de maanden van deze duisternis naderden haar einde. De roode streep

ontvlamde weer in het Zuiden en werd gaandeweg lichter. Schemering

loste de duisternis af en eindelijk flikkerden de eerste zonnestralen

weer aan den horizon. Zeker hebben de Brahmanen aan den oever van den

Ganges het opgaan der zon niet met grooter gejubel begroet, dan de

manschappen van deze beide ongeluksschepen „Erebus” en „Terror”.

Van pool tot pool(#76913) · 第 11 / 75 题