4. DE DOOD VAN DEN ADMIRAAL.

Wat men over het verdere lot der beide ongeluksschepen „Erebus” en

„Terror” met zekerheid weet, bepaalt zich tot heel enkele

bijzonderheden, die pas verscheidene jaren later door hulpexpedities

werden ontdekt. Maar ze zijn voldoende voor de nadenkende fantasie, om

zich het ontzettend drama voor te stellen, waaraan schip en manschappen

ten offer vielen.

Eerst ging de vaart naar het Noord-Westen, tusschen twee groote

eilanden door in de Lancaster-sond. Verder doordringen werd verhinderd

door onoverkomelijk saamgepakt ijs. De stoommachines bleken zoo zwak te

zijn, dat ze slechts in kalm open water bruikbaar waren. Een naar het

Noorden gaande zeeëngte liet echter nog open water zien, en hier kon

men 250 kilometer afleggen, voordat het ijs weer zijn onverbiddelijk:

„tot hiertoe en niet verder!” uitsprak. Daarop gingen de zeevaarders

door een tweede open zeeëngte weer zuidelijk. Het was het begin van den

herfst; sneeuw bedekte reeds alles in het rond, en in de Sond vormde

zich nieuw ijs. Bij een klein eiland vond men een beschutte haven, en

hier sloeg Franklin het winterkwartier op.

Hoe het leven aan boord was gedurende den langen winternacht, laat zich

steeds vermoeden. De officieren zullen wel gelezen en gestudeerd

hebben, en de manschappen bezig hooge sneeuwmuren, die boven de reeling

van het schip reikten, te maken, om het binnenste van het schip warm te

houden. In elk geval werden sneeuwhutten op het ijs en op het land

gebouwd voor wetenschappelijke waarnemingen en werd dag en nacht een

wak opengehouden, voor het geval er brand uitbrak en de pompen tot

ijszuilen waren bevroren. Toen de lange poolnacht voorbij was en

Februari met een zwak lichtschijnsel aan den zuidelijken horizon begon,

toen het van dag tot dag lichter werd en eindelijk de zon aan den hemel

straalde, ondernamen bevelhebbers en manschappen waarschijnlijk

jachttochten op de naburige eilanden. De hoop van allen herleefde met

het toenemende licht. Slechts 420 kilometer onbekende kusten waren nog

van de Noord-West doorvaart over. Was het niet zoo goed als zeker, dat

het nieuwe jaar getuige zou zijn van hun terugkeer? Steeds langer bleef

de zon aan den horizon, en eindelijk was de lange pooldag er, waarop

zij in het geheel niet ondergaat.

Maar pas in den naherfst werden de „Erebus” en de „Terror” uit hun

ijsbanden bevrijd en konden eindelijk het eiland verlaten. Drie dooden

bleven aan het strand achter; hun graven met enkele eenvoudige

herinneringswoorden werden vijf jaar later door een hulpexpeditie

gevonden. Daar alleen door weet men, dat Franklin op die plek heeft

overwinterd.

Naar het Zuiden lag het vaarwater nu open. Wat juichten de zeelieden!

Naar het Westen strekte zich nog dik ijs uit; maar ook de zuidelijke

waterweg moest ten slotte naar het Zuiden afslaan. De eene mijl na de

andere gleden de schepen, het drijfijs ontwakend, naar het Zuiden. In

het Oosten en Westen waren de kusten van groote eilanden zichtbaar en

recht vooruit vermoedde men King-Williamland, den naasten buur van het

vasteland- Hiermede was alzoo het grootste deel der Noord-West

doorvaart afgelegd, want tot reeds bekende kusten in het Westen, waren

er nu nog maar 200 kilometer.

En tóch—hoe hopeloos lang leek dit eind, toen de schepen eenige dagen

later weer door het ijs werden vastgelegd. Door winden en

zeestroomingen gedreven, hoopten de ijsblokken zich op en bevroren tot

een rotsharden wand. Toch behoefde de bemanning de hoop nog niet geheel

op te geven, los te komen. Wel stond de winter voor de deur, maar de

laatste najaarsstormen uit het Zuiden konden het ijs nog breken en in

noordelijke richting drijven. Maar steeds vaster sloot het zich rondom

de rompen der schepen en alle hoop verdween. De dagen werden korter,

met haastige schreden naderde de tweede winter en evenals het vorige

jaar bereidde men zich op zijn komst voor. De schepen waren op zestig

graden noorderbreedte vast gevroren, dus nog iets meer zuidelijk, dan

de Noordelijke punt van Scandinavië. Maar daar hield geen golfstroom

door zijn warm water de zee open. Nooit zouden de officieren en

manschappen weer een golf tegen de zijden van de „Erebus” en de

„Terror” hooren klotsen!

Deze winter zal minder opgewekt doorgebracht zijn dan de eerste. De

schepen hadden een slechte plaats op de open reede, zonder eenige

beschutting van de kust. Zij lagen als in een schroef en het drukken

van het opgehoopte ijs dreigde hen te verpletteren. Het kraakte en

knapte in de rompen en de schepen steunden en jammerden om toch maar

weer overgelaten te worden aan de vrije golven. Hoe lang zouden zij nog

weerstand kunnen bieden? Men moest er elk oogenblik op voorbereid zijn,

dat het hout met oorverdoovend gekraak bezweek, en de schepen als

notedoppen kapot in de onpeilbare stroomen verdwenen. Het leven aan

boord, van een in het ijs bekneld schip, kan niet anders dan vol zorg

zijn geweest. Maar het ergste was toch de duisternis, toen de zon voor

het laatst onderging. Als schimmen gleden de menschen in de donkere

gangen onder het dek, waar de lucht zwaar, vochtig en bedorven was. Wat

zou men buiten doen, waar het even donker was, zoodat men geen

handbreed vooruit kon zien? Liever lag men in de kajuit en las bij het

bleeke kaarslicht. Toen de drukking van het ijs, het schip echter in

een scheeve positie bracht, was het nog erger; het was levensgevaarlijk

in de pikdonkere gangen tusschen wankelende kisten en balen door te

balanceeren. De eenige afwisseling was de klok, die de gevangenen aan

den maaltijd riep. De gesprekken werden steeds minder, men kende elkaar

in- en uitwendig. Wie had nog iets nieuws te zeggen? Steeds dezelfde

gezichten in het rond! Men ging het liefst den kameraad uit den weg en

zocht de eenzaamheid van zijn hut. Als die lange, ontzettende

duisternis maar eerst voorbij was!

Een ontzaglijke laagheid, waaraan men slechts met afschuw kan denken,

had bovendien de expeditie van Franklin getroffen. De koopman, op wien

de zorg rustte de vleeschconserven te leveren, had bedorven vleesch,

zaagsel en kiezel in de blikken laten doen! Duizenden van zulke doozen

werden later gevonden op de kusten, die door de schepen werden

aangedaan. Dat de proviand niet toereikend was voor drie jaren, moesten

zij, die in het eeuwige ijs gevangen zaten, weten. Reeds den tweeden

winter sidderde men stellig bij de gedachte aan het inkrimpen der

levensmiddelen. De toestand moest wanhopend worden, als geen hulp kwam

voor den derden winter!

De tweede winter ging voorbij en de zon keerde terug. Gaandeweg werd

het in de gangen onder het dek lichter; het was niet meer noodig

talklicht aan te steken, om ’s avonds te kunnen lezen. En eindelijk

straalde de zon weer gedurende de vierentwintig uren van den dag, nog

schitterender dan ooit, daar de schepen nog door niets dan ijs en

sneeuw ingesloten waren! Verder in het Zuiden en Oosten zag men de

heuvels van King-Williamland. Als het ijs zijn greep slechts losser

wilde maken en begon te drijven! Maar naar het Westen lag nog steeds

opeengehoopt ijs; en zonder twijfel waren de schepen door het persen

van het ijs beschadigd. Twee officieren ondernamen met zes mannen een

tocht naar King-Williamland, vanwaar men bij helder weer het vasteland

van Noord-Amerika kon zien. Op de plek waar zij weer omkeerden, legden

zij in een hoop steenen een kort bericht neer over de gewichtigste

gebeurtenissen aan boord. Deze regels werden na vele jaren gevonden.

Met goede berichten en groote verwachtingen keerden de reizigers weer

naar de schepen terug. Maar welk een slag wachtte hen daar. Admiraal

Franklin lag op zijn sterfbed! Het wachten had hem te lang geduurd. Men

kon hem nog slechts vertellen, dat de Noord-West doorvaart als ontdekt

beschouwd kon worden. Weinige dagen daarna, in Juni 1847 stierf hij, en

deze dood moest nog als een geluk beschouwd worden, na een leven van

dapperheid en moed. Zeker speelde er een trotsche lach om zijn lippen

toen hij ontsliep!

Hoe zal het er op dien rouwdag op de „Erebus” hebben uitgezien? De

lange pooldag was op zijn middaghoogte. De zonnestralen braken in de

scherpe randen van het ijs en vervloeiden in alle kleuren van het

prisma. Het was stil aan boord; aan den bazaanmast fladderde Engeland’s

vlag halfstok. Ernstige mannen liepen door de gangen en fluisterden

zacht in de nabijheid der kajuit van den admiraal. Bleek en uitgeput

zagen zij zich nu beroofd van hun leider, die beter dan een hunner het

vasteland in het Zuiden kende. De scheepstimmerman maakte een lijkkist.

Daar werd de admiraal in groot uniform ingelegd. Misschien werd de kist

in een Engelsche vlag gehuld en zoo droegen de officieren ze over het

dek en over het ijs. In het glasheldere ijs was een graf uitgehouwen;

daar werd de kist in neergelaten en met fijn ijs en ijsblokken bedekt.

De nieuwe opperbevelhebber, kapitein Crozier, ging bij het kruis staan,

om de lijkrede te houden, terwijl de anderen er met ontbloot hoofd

omheen stonden. En zeker zullen de bleeke mannen in hun versleten

poolkleeren de grafgezangen van hun geboorteland hebben gezongen.

Plechtig en aangrijpend zal het gezang over de ijsvelden hebben

weerklonken. Zwijgend keerden zij naar de „Erebus” en de „Terror”

terug, waar zij zich nu nog ongelukkiger voelden dan te voren. Nog eens

waren zij voor een jaar tot blijven veroordeeld!

Van pool tot pool(#76913) · 第 10 / 75 题