Nu zijn wij onmiddellijk aan de grens van het eeuwige ijs. Alle
vastelanden, zeeën en eilanden heeft de ondernemingsgeest van den
mensch reeds doorzocht. Slechts de beide Polen en hun naaste omgeving
hebben tot nu toe nog aan zijn verder doordringen den hardnekkigsten
tegenstand geboden. [1] Maar onvermoeid is de eerzuchtige
ontdekkingsgeest aan den arbeid; de wetenschap duldt geen witte,
onbeschreven plek meer op de kaart. Daarvoor konden zelfs de
onafzienbare ijsvelden op den duur den moed der zeevaarders niet
terugschrikken. Het eene schip na het andere ging te gronde, maar
steeds nieuwe kielen doorploegden de Poolzee. De Noordpool heeft de
grootste aantrekkingskracht, want deze ligt het dichtst bij Europa,
midden in de Noordelijke IJszee, die door de kusten van Azië, Europa en
Noord-Amerika wordt ingesloten.
De geschiedenis der Poolonderzoeking is buitengewoon rijk aan
heldendaden en onheilen; een er van willen wij ons kort in herinnering
brengen.
Aan de door het geluk begunstigde poging van Nordenskjöld om langs de
kusten van Noord-Azië een Noord-Oost doorvaart te vinden, heb ik reeds
herinnerd. Ook de Noord-West doorvaart is een der problemen, die
ondanks alle mislukkingen, steeds weer wordt ondernomen. De
noodlottigste van deze expedities, was de pooltocht van den Engelschman
John Franklin in het jaar 1845.
Franklin was officier van de Engelsche vloot. Hij had te land en te
water op het Noordelijk en Zuidelijk halfrond expedities geleid, in
zeeslagen gevochten en kaartopnamen gedaan van aanzienlijke
uitgestrektheden der noordkust van Amerika, ten oosten van de
Behringstraat. Het grootste deel der kust van het Amerikaansche
vasteland was hem dus bekend en het betrof nu nog slechts een
bevaarbaren waterweg te vinden, tusschen de groote eilanden, die ten
Noorden van de kust lagen. Hij was er natuurlijk, maar of hij geschikt
was voor de scheepvaart, dat was de vraag. Een aantal deskundigen
besloten een groote expeditie uit te rusten, om de doorvaart te vinden.
Geheel Engeland kwam in geestdrift voor het plan en honderden dappere
mannen meldden zich aan om er aan deel te nemen. Admiraal John Franklin
was reeds vroeger in deze streken geweest en koesterde den vurigen
wensch, leider der expeditie te zijn. Wel vreesde de Admiraliteit dat
Franklin met zijn zestig jaren niet opgewassen zou zijn voor de taak.
„Maar ik ben pas negen en vijftig jaren”, antwoordde Franklin met
nadruk en zoo werd hij de leider der expeditie, van welke noch hij,
noch een zijner ondergeschikten zoude terugkeeren.
De schepen, die van de kiel tot aan den mast zeevaardig werden gemaakt,
heeten „Erebus” en „Terror” „Onderwereld” en „Schrik”. Franklin heesch
zijn admiraalsvlag op de „Erebus”, waar kapitein Fitsjames in rang op
hem volgde; bevelhebber van de „Terror” en tweede leider der expeditie,
werd kapitein Crizier. Het officierscorps werd met groote zorg gekozen;
slechts krachtige door de zee geharde en zeer bekwame mannen werden
aangenomen. De bezetting der beide schepen bestond uit drie en twintig
officieren en honderd elf man. Levensmiddelen werden voor drie jaren
medegenomen en in beide scheepsruimten stoommachines gebouwd, hetgeen
destijds nog nooit in de Poolzeeën was beproefd.
Franklin kreeg een voorschrift, waaraan hij zich te houden had;
natuurlijk behield hij het recht onder zekere omstandigheden anders te
handelen, zijn taak was van de Atlantische zijde Noord-Amerika om te
zeilen en door de Behringstraat in den Stillen Oceaan te komen. Met de
oplossing van deze taak zou de Noord-West doorvaart gevonden zijn.
Den 19den Mei 1845 verlieten de beide schepen Engeland. Bevelhebber en
manschappen waren vol heerlijke verwachtingen op succes, en vast
besloten hun uiterste kracht tot bereiking van het doel in te spannen.
Allen droomden reeds van de warme winden, die hen in den Stillen Oceaan
zouden ontvangen en van den onsterfelijken roem, die hen wachtte, als
zij door de smalle zeeëngte, waar Azië en Amerika maar enkele mijlen
van elkaar verwijderd zijn, zuidwaarts zouden stevenen.
Op zee hield de admiraal een toespraak tot zijn lieden, verklaarde hen,
waarom het ging en sprak de verwachting uit, dat ieder zijn plicht zou
vervullen. Zij voeren de Orkney eilanden voorbij en op Sint Jan zagen
zij Kaap Farewell, de Zuidkaap van Groenland, verdwijnen. Den volgenden
dag stieten zij op het eerste ijs, geweldige drijvende ijsbergen, die
woeste, getande vormen toonden en aan de waterlijn door den golfslag
klokvormig waren uitgehold. Voor de meesten der manschappen was dit
schouwspel nieuw; zij stonden op het dek en bewonderden deze drijvende
bergen, waarvan de toppen boven den wimpel van den hoofdmast uitstaken.
Nu en dan sloeg een der ijsbergen om en de zee kwam in beroering, als
hij zijn door het water stukgeknaagde onderzijde naar boven keerde.
Tien dagen later ankerden de beide schepen bij het eiland Disko, aan de
westkust van Groenland. Hier ontmoetten zij een ander Engelsch schip,
dat vooruit was gezonden, om met zijn lading hun voorraad aan proviand
en verdere voorwerpen voor de uitrusting te voltooien. De kapitein van
dit schip was de laatste die met de leden der Franklin expeditie had
gesproken. Nooit, zoo verzekerde hij later, heb ik zulk een flinke
schaar en voor hun taak in geestdrift verkeerende zeelieden gezien. Ik
heb gemeend, dat die zich overal zouden doorslaan. Hij nam de laatste
postzending der poolvaarders mede. Eenige der briefschrijvers gaven
Kamschatka, de Sandwicheilanden en Panama als postadres op; zij meenden
in een jaar weer in Europa terug te zijn, en de brieven getuigden van
de geestdriftige stemming, welke aan de officierstafel heerschte en van
de bewondering voor den admiraal, den ouden zeerob, die niet eens bij
stormachtig weer het getal der geheschen zeilen verminderde om maar
snel verder te komen! Want hij wist, dat hier in het Noorden, slechts
kort gedurende den laten zomer op open water was te rekenen. Er was
voor drie jaar proviand voorradig, zelfs op het dek stond elke hoek vol
met tonnen en kisten,—wat was er dus verder te vreezen?
Den 26sten Juli werden „Erebus” en „Terror” door een Engelschen
walvischvaarder gepraaid. Dat was de laatste maal, dat een sterfelijk
oog hen zag; sedert dien dag omgaf de ongelukkigste van alle
poolexpedities een huiveringwekkend diep duister!