2. AAN DE NOORDKAAP.

De grens van Zweden is nu bereikt, de wolken liggen dicht als

veerenbedden over het station „Riksgränsen” (landgrens) op een hoogte

van 520 Meter. Dan gaat het op Noorweegsch gebied omlaag naar de zee.

De trein geeft zich nu over aan zijn eigen zwaarte, de machinist

behoeft slechts te remmen. Op een 180 meter lange viaduct van tien

gewelfde bogen, gaan wij over het woeste Noorddal en rijden dan langs

de linkerzijde van het Hondedal. In de diepte schuimt de blauw-groene

rivier. De dwergboomen beginnen zich weer in de hoogte te verheffen,

hoe dieper wij komen. De bergruggen verdwijnen in de wolken. Maar onder

den rand der wolkenmantels storten ruischende watervallen van de

rotswanden af. Nog enkele krommingen en wij zijn in de havenstad

Narvik, die tusschen hooge, steile bergen ligt. Hier waar het Zweedsche

erts de wereld inrolt, wacht ons de stoomboot „Salten”.

Bij scherpen Zuid-Westen wind en nevelig weer, draagt ze ons den

volgenden dag de Ofotenfjord uit, om zich dan naar het Noord-Oosten te

wenden, tusschen groote eilanden, door smalle zeeëngten en over open

vlakken van den Atlantischen Oceaan, waarop men de uitgestrekte

wereldzee tusschen de eilanden door ziet schemeren. Elk oogenblik

verandert de omgeving. De onderste hellingen der hooge bergen zijn met

berkenbosschen en groene weiden bedekt, hier en daar ligt een eenzame

hoeve temidden van haar akkers, van welke de gerst zoo hoog in het

Noorden niet meer rijp wordt. De hoogten zijn kaal, op de toppen ligt

sneeuw, en van de punten der sneeuwvelden dansen de bergbeekjes naar de

zee omlaag. Wij ontmoeten eenige visschersbooten, roei- en motorbooten,

alle met bruine zeilen. Zij komen van de vischvangst aan de kusten van

Finmarken, hebben den buit hunner netten verkocht en keeren nu met hun

verdienste naar huis terug. De lichten der vuurtorens op de landtongen

en klippen slapen in den hellen zomernacht, het weer was onvriendelijk

tegen ons, maar in den nacht klaart de noordelijke horizon op. Slechts

een kleine opening breekt door de wolken, maar groot genoeg, dat de zon

er door kan zien, en eindelijk kunnen wij ons met eigen oogen

overtuigen, dat de dagvorstin op deze hooge breedte niet meer in de zee

verzinkt.

Voor ons ligt Tromsö; ginds de kerk en het museum, hier aan den oever

houten loodsen op hun palen en aan de landingsbrug visschersschuiten en

stoombooten. Uit de berkenboschjes boven de haven komen sierlijke

houten villa’s kijken, en als de zon zich weer achter de wolken

verbergt, teekent zich de geheele stad donker af tegen den helderen

noordelijken hemel. Maar van den ondersten rand der wolken overstroomt

het licht als stralen van een geweldig zoeklicht, de zeeëngte. Alles

slaapt. Slechts twee jongens staan op een pier en eenige mannen werken

in hun boot. Nu valt het zonlicht brandgeel op daken en gevels en in

het Zuiden staan de van regen zware wolken donker violet.

Tromsö is een kleine en gezellige, maar vuile stad. Het museum bevat de

dierenwereld van de noordelijke zeeën van af den walvisch tot het

kleinste wormpje. In den bonthandel van Tromsö spelen de kostbare

vellen van den blauw- en zilvervos, van het sabeldier en den hermelijn

een groote rol.

Verscheiden Russische zeilschepen liggen voor de stad. Zij kwamen

bevracht met hout, van Archangel en hadden de reis van daar tot hier in

tien dagen afgelegd. In Tromsö en omgeving koopen zij dan versche

dorschen en andere visschen, die aan boord worden ingezouten en met

deze lading gaan de schepen weer naar den mond van de Dwina terug. In

het gunstigst geval is de winst van zulk een schip op een reis 5000

roebel. De Noorweegsche visschers houden echter niet van de Russische

kooplieden. Zij vinden, dat zij te veel verdienen aan de dorschen;

bovendien drinken de Russische matrozen naar hun inzicht te veel en

leven te ruw in de havensteden.

Slechts ongaarne scheidt men van dit eeuwig wisselend landschap, om

gedurende den eeuwigen dag eenige uren te gaan slapen. Als men dan

echter buiten op de Loppzee ontwaakt, waar de hooge golven van den

oceaan onbelemmerd tegen het schip slaan, dan is men blij nog eenigen

tijd te kunnen bleven liggen. Men kan al zeeziek worden als men kleeren

en handdoeken heen en weer ziet fladderen, en handkoffers, schoenen en

boeken op den bodem van de hut hoort dansen!

Maar nu glijden wij kalm water binnen, waar men slechts zelden een

visscher, hier en daar een stoomboot met erts uit de Varangerfjord of

een schip met timmerhout van de kust van de Witte Zee ziet. Wij maken

een uitstapje naar de Kvänangenfjord en een harer vertakkingen de

Jökelfjord in, aan welker uitersten rand ijsschollen rondzwemmen. De

gillende toon van een stoomfluit weergalmt tusschen de bergen. Dat is

het teeken van een Lap, die zich aan het strand heeft gevestigd en

spoedig stoot een boot van den oever af, die ons tegemoet komt en

waarvan de bezitter aan onzen loods inlichtingen geeft. Hij is

dorschvisscher en kent het vaarwater. Hij is een levendige, kleine,

aardige kerel, die ons, terwijl hij wijdbeens met bloot hoofd staat,

verzekert, dat wij bij 70 vadem diepgang niet op grond zullen komen!

Het zwartgroene water, waartegen de ijsschotsen in stralend wit

afsteken, zegt ons ook reeds zelf, dat het nog een flink eind is tot de

ankerplaats in den fjord.

Langzaam glijden wij den fjord binnen en voor ons ontrolt zich een

grootsch beeld. Over een geweldigen rotswand hangt een gletscher. Als

van tijd tot tijd ijsblokken door hun eigen gewicht omlaag storten,

vloeien zij aan de voet van den berg weer tot een nieuwe gletschertong

samen; deze rekt zich langzaam voorwaarts tot ze den fjord heeft

bereikt; hier rolt de kracht van het water den ijsrand uit, en blokken

storten omlaag; dan „kalft” de gletscher, zooals men pleegt te zeggen.

Maar nu rust hij; de Lap verzekert echter, dat de ijstong ’s zomers

elke twee dagen en ’s winters dagelijks „kalft” en als de blokken van

den ijswand afstorten, kan men het kraken 60 kilometer ver hooren. De

kapitein van de „Salten” laat twee kanonschoten afvuren, om het ijs te

schokken, maar vandaag laat de „Jökel”, de gletscher, zich niet in zijn

rust storen. Misschien tot ons geluk, want het kalven van den gletscher

kan een stortgolf teweegbrengen, die kleine schepen doet kenteren.

Onze loods, de Lap, wordt koninklijk betaald en daar hij buitendien een

arm vol boterhammen, vruchten en sigaren ontvangt, wordt hij opgetogen

van geluk. Zulke aardige reizigers had hij nog nooit ontmoet, herhaalt

hij onophoudelijk! De „Salten” keert langzaam in het binnenste bekken

van den Jökelfjord. Hij stevent als hij weer in de open zee is

aangekomen, verder noordwaarts, op Hammerfest aan, de noordelijkste

stad der aarde; voor welker slechtriekende traankokerijen talrijke

Russische zeilschepen liggen, die van hier met visch naar Archangel

gaan. In dien avond stoomen wij over een open gat, waar de zee

grijsgroen is en hoog gaat. Eenige dolfijnen krommen hun blanke, zwarte

ruggen bevallig over de golven.

Het is koud en winderig geworden; voortdurend stroomt een fijne regen

op de „Salten” neer; en uit den dichten nevel glanzen slechts de

allernaaste rotseilanden, achter welke zij beschutting voor den wind

zoeken, om de smalle, schoone zeeëngte tusschen het vasteland en het

eiland Magerö binnen te varen. Onze koers gaat oostelijk om Magerö

heen. In het Zuiden opent de Porsangerfjord, in het Oosten is

Svärholtklubben even zichtbaar met den Vogelberg, een steil

omlaaggaande kaap, waarop ontelbaar veel meeuwen nestelen. Daarna

wenden wij ons noordwaarts. Aan stuurboordzijde speelt een dolfijn in

de golven, die nu door den storm worden gezweept. Het schip stampt

onaangenaam; de stoelen op het dek wandelen kris en kras door elkaar en

in het rond rommelt het van beweegbare voorwerpen. Wij hebben het

middagmaal juist geëindigd, daar slingert het schip heftig, en de tafel

is in een ommezien afgenomen. Op den vloer zwemmen de sardinen in den

rooden wijn!

Zoo worstelen wij met de golven en rollen langzaam naar ons doel. Voor

ons verheft zich de rots van de Noordkaap. Europa’s noordelijkst

voorgebergte, dat steil naar de zee afdaalt. Als wij maar eerst

gelukkig onder de beschutting der hooge rotswanden zijn, waar reeds

twee toeristen-stoombooten voor anker liggen! Het gelukt, weldra zijn

wij in veilige beschutting en de zee wordt kalmer.

Slechts de binnenste hoek van de bocht is stil, boven ons huilt de

storm en suist in teugelooze woede de steile hellingen af en over de

zee heen. Op een hoogte van 300 Meter staat op den top van de Noordkaap

een klein paviljoen.

Het middernachtuur is nabij. Er heerscht een geel schemerlicht,

loodzware wolkenmassa’s jagen over zee en land. Vergeefs wachten wij op

de doorbraak der middernachtzon in het Noorden! Maar misschien nog

grootscher dan zij, is het uitzicht, dat wij nu naar het Noorden

hebben! Voor ons ligt staalgrijs en koud de witte ijszee, op den

achtergrond der blauwzwarte wolken dansen de witte schuimkoppen van de

golven der zee, die de Zuid-Weststorm naar Nova-Zembla en het

Frans-Jozef-land drijft.

Van pool tot pool(#76913) · 第 8 / 75 题