1. NAAR HET LAND VAN DE MIDDERNACHTZON.

Na even uitgerust te hebben van onzen tocht door Azië, kiezen wij het

hooge Noorden voor ons volgend doel. Wij zijn in Stockholm in den

spoortrein gestapt en als wij op het achterbalkon van den laatsten

wagen gaan staan, schitteren ons de metalen rails tegemoet, die

Stockholm met Narvik in het hooge Noorden van Noorwegen verbinden. Stil

droomerig ligt het landschap om ons heen in den helderen avond. De uren

gaan voorbij, wij schrijven 27 Juni, den tijd van de heldere nachten.

Wie kan dan het besluit nemen, te gaan slapen? Nu eens wordt de blik

geboeid door een klein meer, op welks landtongen en eilandjes jonge

pijnboomen als in den slaap knikken, dan weer groene weiden, aan welker

uitersten rand een reeks witte berkestammen scherp tegen de duisternis

van het dennenbosch afsteekt.

Den volgenden morgen zijn wij reeds midden in het land der

onuitputtelijke bosschen en der zaagwerken. Overal dennen, sparren en

berken, de meren en rivieren bedekt met drijvende houtblokken en

vlotten. De nabijgelegen hoogten flikkeren in krachtige, groene tinten;

daarachter verdwijnt alles meer en meer in diep blauw. Dikwijls

strekken zich tusschen de heuvels vlakke veenstreken uit, omlijst door

boomen, die er als verschrompelde dwergjes uitzien. Wel is dit land

mijlen ver tot naar het Noorden eentonig, maar toch kunnen wij er onze

oogen niet van afhouden; de teere lijnen en tinten en de wazige,

trillende spiegelbeelden van het landschap in de heldere golven der

blauwe meren stellen volop schadeloos, voor de grootscher bekoring van

het hooggebergte, dat ver in het Westen blijft liggen.

Wij hebben reeds meer dan de helft van den weg achter ons en houden ’s

avonds te Boden stil, vanwaar wij een uitstapje maken naar Luleå aan de

Bottnische golf. Op den weg naar de kust wordt het bosch weer dichter

en hooger en spoedig wandelen wij door de straten van Luleâ, de

hoofdstad van Norrbotten, die na den laatsten verwoestenden brand nieuw

en voornaam is verrezen. De alleeën van berken in de grootere straten

zijn niet minder betooverend dan de palmen in Singapore. In het Noorden

glinsteren de randen der wolken in verblindend purper. Maar welk een

eenzaamheid! Het is klaarlichte dag en toch is er niemand op straat? Is

de stad verlaten of betooverd? De klok lost het raadsel op; het is

middernacht!

Een kleine stoomboot brengt ons den volgenden morgen naar het eiland

Svartö, en spoedig staan wij op een geweldige houten brug, die zich

zestien meter boven den waterspiegel verheft. Aan beide zijden ligt een

stoomboot met erts voor anker, en nu komt op de brug een trein

aangerold. Elk van zijn wagens bevat dertig ton erts. Zoodra de eerste

zich boven een opening in de brug bevindt, slaat zijn bodem naar

beneden open. Met oorverdoovend geraas stort het erts in een met

geslagen plaatijzer bedekte goot om in het ruim van een der schepen te

verdwenen. Zoo wordt de eene wagen na den anderen geledigd, de eene

trein na den anderen, en elk uur dalen duizenden tonnen erts in het

binnenste van een schip. Zoodra het geladen is, stoomt het naar eene

vreemde haven, bijv. Rotterdam, vanwaar het erts naar de groote

metaalgieterijen in Westfalen wordt verzonden.

Al dit ijzererts komt uit Gellivara en den Malmberg.

Als ’s winters de scheepvaart heeft opgehouden, wordt het op de kade

opgestapeld; daar liggen dan ongeveer 600.000 ton. Hier op Svartö

vloeit een der twee ertsstroomen van Norrland, de andere gaat over

Narvik in Noorwegen en is nog geweldiger, want daar vloeit het erts het

geheele jaar door en keert als goudstroom terug.

Te Boden bereiken wij weer onzen trein en richten ons nu meer

noord-noord-west naar Lapland. Geen gebergte, geen rivieren. De

spoorweg slingert zich tusschen eindelooze moerassen en veengronden,

waaruit kleine, ronde heuvels als eilanden uitsteken.

Maar denkt niet, dat deze veengronden waardelooze woestenijen zijn,

waarin de spoorweg-stations schaarsche oasen vormen. Zij zijn een

kapitaal voor de toekomst, want daaruit wordt zooveel turf gewonnen,

dat ze den tegenwoordigen steenkoleninvoer, voor geheel Zweden

gedurende tweehonderd jaar kan vervangen!

Het woud krimpt meer en meer in. De dennen zijn zoo klein, dat ze

ternauwernood voor kerstboompjes deugen, hun korte takken liggen vlak

tegen den stam. Maar zij staan zoo dicht tegen elkaar, alsof een leger

dwergen, dat men naar het Noorden heeft gejaagd, opeendrong, om zich

gedurende den winter wederkeerig te verwarmen. Zij streven naar de zon,

maar kunnen zich niet verheffen, en blijven verschrompeld, mager en

ellendig. In den winter verdwijnen zij geheel onder opgewaaide sneeuw.

Schril gilt de stoomfluit der locomotief over het zwijgende dwergwoud.

Daardoor maakt de machinist ons opmerkzaam op een merkwaardigheid. Op

twee witte borden rechts en links, staat in groote, zwarte letters

„Poolcirkel”. Hier zijn wij dus in de Poolstreek, waar de langste dag

des zomers, zoowel als de langste nacht ’s winters vier en twintig uren

duurt. Van den Poolcirkel af neemt de lengte van den dag naar de

Noordpool toe, waar zij zes maanden duurt, om met een even langen

winternacht af te wisselen.

Het merkwaardigste, wat ik ooit in mijn leven zag, is Kirunavara, dat

wij van af Boden over Malmberg bereiken, een gebergte dat van de

geheele wereld het rijkste is aan ijzererts. Hier heeft de aarde aan de

bewoners van Zweden bijna onuitputtelijke rijkdommen geschonken, en hij

die er voorbijgaat, vermoedt ternauwernood den onmetelijken schat, die

onder den golvenden rug van het zoo onaanzienlijk gebergte ligt.

Midden in de wildernis is hier aan de oostelijke zijde van een meer, de

plaats Kiruna verrezen, en noordwestelijk er van verheft zich een

tweede berg, de Luossavara, die eveneens ontzaglijke massa’s kostbaar

ijzererts in zijn binnenste verbergt. Te Kiruna heerscht gedurende een

maand heldere dag; een arbeider verzekerde mij, dat voortdurend licht

veel onaangenamer aandoet dan een even lange winternacht. Want ook dan,

als de diepste duisternis heerscht en de zon zich sedert veertien dagen

niet meer boven den horizon vertoond heeft, ziet men toch in het Zuiden

den weerschijn van het verdwenen licht, en de vlam van het noorderlicht

trilt over de witte sneeuw, waarover de Lappen in hun sleden rijden.

Tusschen met sneeuw bedekte bergen, gaat de spoorbaan verder naar het

Noorden. Voor ons ontvouwt zich een prachtig uitzicht over het

Torne-Träsk. Dit zeventig kilometer lange tot negen kilometer breede

meer ligt tusschen geweldige door sneeuw bedekte bergen, die zich aan

den noordelijken oever tot 1300 meter hoogte verheffen. Het Torne-Träsk

is geen moerassig meer, maar een echt Alpenmeer met 162 meter diepte en

wordt in schoonheid maar door weinig meren van Europa overtroffen. Bij

Björkliden worden de dwergberken, die de hellingen van den oever

bedekken, vijf meter hoog, maar krimpen spoedig weer in tot

onaanzienlijke struiken. Een waterval stort schuimend een steilen wand

af: hij heet „de Zilveren Sluier” en fladdert en glinstert in den wind

als een sluier op het haar van een meisje. Maar nu wordt het uitzicht

steeds meer benomen. Muren ter bescherming tegen opgewaaide sneeuw

versperren het. Dikwijls sneeuwen de ertstreinen hierboven zoo diep in,

dat ternauwernood de bovenste blokken der ertsvrachten nog zichtbaar

zijn. Dan moet de trein met schepraderen, die door motoren, op

bijzondere, door de locomotief geschoven wagens gedreven worden, uit de

sneeuw worden bevrijd.

Opeens ligt een kamp der Lappen voor ons, een tent en een hut, aan een

kleine poel! Wat aardig en tevreden zien deze kleine Lappen in hun

bonte kleeren, uit rendierenhuid met roode, blauwe en gele banden, er

uit! Bijna hadden wij eenige van hun rendieren overreden, die

natuurlijk juist over de rails moesten loopen, toen de trein naderde.

Sedert duizend jaren volgen de Lappen steeds getrouw hun rendieren en

trekken als de dagen lengen over het hooggebergte naar de Noorweegsche

fjorden, om in den herfst weer terug te keeren en den winter in Lapland

door te brengen. De rendieren bepalen het tijdstip voor het opbreken en

de Lappen moeten hen volgen en met behulp van hun vroolijke, waakzame

honden de kudden bijeenhouden. Want deze kudden rendieren zijn hun

eenig bezit, hun rijkdom. Zij verzorgen ze met liefde en beschermen ze

zorgvuldig tegen den wolf, den veelvraat en de stekende insekten. Men

telt in Zweden vierduizend Lappen en zij bezitten twee honderdduizend

rendieren. Dit volk eens uit Azië hierheen gekomen, kent zijn land in-

en uitwendig als de Indianen hun wouden. Elke Lap is een padvinder. Het

was ook een Lap, die voor honderdzeventig jaren den ertsberg Kiruna

ontdekte en den weg daarheen wees.

Terwijl de trein ons langs het traject tusschen het Torne-Träsk en de

grens van Zweden voert, door dit eenzaam en toch betooverend hoogland,

langs kleine, nog bevroren meren, tusschen hoog opgewaaide

sneeuwhoopen, door en over een bodem, waar geen boom meer wortelt, waar

de rendieren buiten in vrijheid schaarsch mos zoeken, en dikke, blauwe

rook uit de tenten der Lappen omhoog stijgt, moet ik aan mijn oud Tibet

denken. Welk een gelijkenis tusschen beide landen! De natuur, de

menschen met hun spleetoogen en hun levenswijze, dezelfde eenzame,

golvende landstreken tusschen meren en moerassen, beide worden

doorgetrokken door kleine, tevreden Nomaden, die gehard en geduldig een

dapperen strijd, met een harde, karige natuur en een grimmig klimaat

voeren. Dezelfde omzwervingen met de jaargetijden, dezelfde gewoonten,

dezelfde mannelijke kleederdracht voor beide geslachten en dezelfde

ronde, naar boven spits toeloopende tenten! De yak en het schaap zijn

voor den Tibetaan, wat het rendier voor den Lap is. De bewoners van

Tibet zijn even goedaardig en vreedzaam als hun geestverwanten in

Zweden en koesteren evenals dezen slechts den eenigen wensch in vrede

gelaten te worden.

Van pool tot pool(#76913) · 第 7 / 75 题