met zijn kanonneerbooten in de bovenrivier te verhaasten? Hoe moest
de flottilje over de bank der Sint John geraken, wanneer gebrek aan
diep water dat belette?
Wie zou dat smaldeel door de veelvuldig kronkelende geul van het
vaarwater loodsen, wanneer Mars, die de taak van loods moest vervullen,
in krijgsgevangenschap der Zuidelijken zoude geraken?
Gilbert Burbank moest dus het onmogelijke beproeven en wagen om,
voordat de dag aanbrak, aan boord zijner kanonneerboot terug te
zijn. Maar, daartoe moest hij zonder verwijl vertrekken, vluchten
kunnen zonder een oogenblik verloren te laten gaan.
Maar... was dat doenlijk? Kon Mars de giek niet door eene plotselinge
wending, in schuine richting door de tegenstrooming van de wieling,
hare vrijheid hergeven? En al werden zij ook al bespeurd, dan zouden
de lieden van de bewakingssloep verplicht zijn, tijd te laten verloren
gaan, hetzij door het ophalen van hun anker, hetzij door het laten
slippen van den ankerketting. Zouden zij daardoor niet zoo'n voorsprong
kunnen verkrijgen, dat zij spoedig buiten bereik zouden zijn?
Neen! Neen! Dat ware alles in de waagschaal stellen. Ja erger, dat
ware alles verderven. Dat wist de jeugdige marine-officier maar al te
goed. Mars kon met zijne eenige pagaai geen wedstrijd aangaan met de
vier roeiriemen van de sloep. De giek zou, terwijl zij pogen zou langs
den rivieroever voort te spoeden, al ras ingehaald zijn. Door zoo te
handelen, liep men het gevaar zeker en onbetwistbaar in den mond.
»Maar... wat dan toch te doen?"
Dat vroegen zich de twee in nood verkeerende schepelingen af.
»Moeten wij wachten?" prevelde Gilbert Burbank besluiteloos.
Mars trok de schouders op, alsof hij zeggen wilde:
»Ik laat de beslissing aan master Gib over."
De dag zou spoedig aanbreken. Het was reeds half vijf. Een lichtende
band werd reeds boven den oostelijken gezichteinder waargenomen. Dat
was de naderende dageraad.
Men moest noodzakelijk tot een besluit komen, en ziehier waarbij
Gilbert zich meende te moeten bepalen:
Hij boog zich naar Mars over en fluisterde dien zoo zacht mogelijk
in het oor.
»Wij kunnen onmogelijk langer hier wachten," zei hij. »Wij zijn
beiden met een revolver en een sabel gewapend. In de sloep bevinden
zich slechts vier man."
»Dat is twee tegen een," grinnikte Mars.
»Ja, maar wij zullen het voordeel der overvalling kunnen laten
meetellen. Dat zal de partij meer gelijk maken."
»Dat's waar."
»Gij brengt de giek met eenige krachtige pagaaislagen dwars door de
wieling en stuurt haar vlak op de sloep aan. Deze, die ten anker ligt,
zal de aanvaring en het aan boord klampen niet kunnen ontwijken. Wij
zullen die menschen overvallen, wij zullen op hen inhouwen, voordat
zij tijd zullen hebben tot bezinning te komen. Daarna zullen wij zoo
spoedig mogelijk een goed heenkomen zoeken. Vervolgens zullen wij,
alvorens de oeverbewakers aan den wal alarm zullen hebben kunnen maken,
de bank en daarmede de kanonneerbooten bereikt hebben."
»Ja, master Gib," grinnikte de lotgenoot van den jeugdigen
marine-officier.
»Hebt gij begrepen, Mars?"
De kleurling gaf geen antwoord, maar greep zijn sabel, die hij
uit de scheede trok en zoo bij zijn revolver aan zijn buikriem
bevestigde. Toen hij daarmede klaar was, maakte hij het touw los,
waarmede de giek aan den boomtak vastgemaakt was, en greep zijne
pagaai om hem met kracht te water te slaan.
Maar juist op het oogenblik, dat hij daarmede wilde beginnen, werd
hij door Gilbert Burbank weerhouden.
»Wacht nog een oogenblik," fluisterde deze, terwijl hij den schouder
van den kleurling met de hand aanraakte.
Eene onverwachte omstandigheid bracht hem er toe zijne beschikkingen
dadelijk te wijzigen.
Met het eerste daglicht begon zich een dikke nevel over de oppervlakte
van de Sint John te verspreiden. Men zou gezegd hebben, dat een
onmetelijke maar vochtige wattenvlok zich over het water ontwikkelde,
die het daarbij met hare voortschrijdende spiraalvormige krullen
aanraakte, en voortgestuwd door eene zachte bries langzaam van uit
zee opkomende, naar het bovengedeelte der rivier voortbewoog.
Wanneer zij nog een kwartier wachtten, dan zoude zoowel Jacksonville
op den linkeroever der rivier, als de boomgroepen op den rechteroever
verdwenen zijn in dien nevel, die in deze streken gewoonlijk ietwat
geelachtig van kleur is en met een karakteristieken geur bedeeld is,
en dan de geheele vallei van het stroomgebied van de Sint John vervult.
Was dat niet de redding, die daar den jeugdigen marine-officier en
zijn makker aangeboden werd?
Waarom zouden zij niet van dien nevel pogen gebruik te maken, om
onzichtbaar en onbemerkt door de mazen van het net te sluipen, wat
hen omstrikt hield, in stede van een ongelijken strijd aan te gaan,
waarin beiden toch het onderspit konden delven? Gilbert Burbank meende
ten minste, dat dit het beste zou zijn. Daarom weerhield hij Mars,
toen deze de giek plotseling wilde laten vooruitschieten en haar van
den oever laten verwijderen. Integendeel moest men dezen thans zeer
voorzichtig en in alle stilte naderen, en daarbij de sloep mijden,
welker omtrekken, thans reeds zeer onduidelijk, weldra geheel verdwenen
zouden zijn.
Maar toen begonnen de stemmen elkander weer te praaien. Van den oever
hoorde men het langgerekte scheepsgeroep:
»Ohoi!"
»Ohoi!" werd er van de sloep geantwoord.
»Opgepast met den mist!"
»Jawel!"
»En uitkijken! Dat is de boodschap!"
»Jawel!.... Wij gaan ons anker winden en dichter bij den oever halen."
»Goed. Maar blijf ook in verbinding met de andere vaartuigen van
de afsluitingslinie."
»Opperbest!"
»En, als gij er ontmoet, beveelt hen aan, om heen en weer te kruisen,
totdat de nevel opgetrokken zal zijn."
»Jawel! Jawel! Vreest niet en waakt gij van uwen kant, dat die schoften
niet over land ontkomen! Dat zou niet onmogelijk zijn, niet waar?"
»Zeker niet. Maar weest gerust; wij hebben het terrein goed bezet en
doen de kijkers goed open."
Klaarblijkelijk werden die maatregelen, die als het ware door de
omstandigheden geboden werden, genomen. Een zeker aantal sloepen
zouden zich beijveren, van den eenen rivieroever tot den anderen te
kruisen. Dat begreep Gilbert Burbank; hij aarzelde dan ook niet.
De giek, die in de grootste stilte door Mars bestuurd en gevoerd
werd, verliet het loofdak, waaronder zij verscholen was geweest,
en stevende door de wieling, welke daar bij die kaap gevormd werd.
De mist verdichtte zich al meer en meer, hoewel hij het zwakke bleeke
licht van den aanbrekenden dag niet weerhield, maar toch aanmerkelijk
temperde. Dat licht was niet ongelijk aan het schijnsel, hetwelk men
bespeurt, wanneer eene lamp in eene hoornen lantaarn brandt. Men
zag niets meer, zelfs niet binnen een kring van slechts weinige
meters straal.
Wanneer de giek gelukkig genoeg was niet tegen de sloep, die zich
meer in het midden der rivier bevond, aan te varen, dan bestonden
er zeker kansen, dat zij ongemerkt zou doorsluipen. En inderdaad,
het gelukte haar dat vijandelijke vaartuig te mijden, terwijl de
mannen daarop bezig waren met het anker lichten en het geratel van
den ketting bij het binnenpalmen, de plaats die vermeden moest worden,
vrij nauwkeurig aanduidde.
De giek passeerde dus, waarna Mars gelegenheid had zijne pagaai met
meer kracht te kunnen hanteeren, waardoor meer vaart kon gemaakt
worden.
Het moeielijkste was, een doelmatigen koers te volgen zonder in de
geul van het midden der rivier terecht te komen. Men moest integendeel
op een kleinen afstand van den rechter rivieroever houden en daaraan
nagenoeg evenwijdig blijven. Maar niets was er om Mars te midden van
dien dikken nevel te geleiden; niets dan het gekabbel en geruisch van
het voortstroomende water, hetwelk den oever schuurde. Men voelde
eerder dan men zag, dat het dag werd. Het werd meer en meer licht
boven de nevelmassa, hoewel die zich nog zeer dik op de oppervlakte
der rivier vertoonde.
De giek dwaalde zoo gedurende een half uur, om het zoo uit te
drukken, op Gods genade. Soms verscheen er plotseling en op het
onverwachtst een ijle omtrek. Men kon in de meening verkeeren dat
het eene sloep was, die door de straalbreking buitengewoon vergroot
werd, een natuurverschijnsel, dat bij mist op volle zee veelvuldig
waargenomen wordt. Inderdaad, ieder voorwerp dat zich alsdan eensklaps
en zonder voorbereiding aan het oog voordoet, vertoont zich dan uiterst
vreemdsoortig en verwekt den indruk, alsof het buitengewone afmetingen
verkregen heeft. Dit deed zich op dien tocht veelvuldig voor.
Gelukkig, dat wat Gilbert Burbank voor eene sloep aanzag, niets
anders was dan òf eene boei, die het vaarwater in de geul moest
aanwijzen, òf een rotstop, die boven water uitstak, of een boomstam,
die daarheen dreef, of een paal, die in den rivierbodem geheid was,
maar zijn hoofd in het neveldak stak.
Verscheidene vogelparen, met eene onmetelijke vleugelvlucht, verschenen
ook. Zag men hen ook al ternauwernood in den nevel verschijnen en
verdwijnen, dan hoorde men toch den doordringenden kreet, dien zij
in het luchtruim lieten weerklinken. Andere vlogen van de oppervlakte
der rivier zelve op, wanneer de nadering van de giek hen op de vlucht
dreef. Het was onmogelijk te bepalen of zij op den oever op slechts
weinig passen afstand gingen rusten, of dat zij in de Sint John
onderdoken, om zich aan de onbescheiden blikken van de opvarenden
van het vaartuigje te onttrekken.
Daar evenwel de eb steeds flink doorstond, was Gilbert Burbank er
zeker van, dat de giek, door den stroom medegevoerd, de ankerplaats
der kanonneerbooten onder de bevelen van den kommandant Stevens al
meer en meer naderde. Maar hoewel nog flink, zoo was die ebstroom
toch reeds zooveel verzwakt, dat onze jeugdige marine-officier
het er voor houden moest, dat zijn vaartuig de afsluitingslinie,
door de vijandelijke sloepen gevormd, nog niet voorbijgestevend
was. Integendeel, hij meende alle redenen te hebben om te gelooven,
dat hij zich nu juist op dezelfde hoogte bevond en dat derhalve het
gevaar groot was, van plotseling op een dier sloepen te stooten.
Dus was ieder gevaar nog lang niet voorbij. Het bleek integendeel al
heel spoedig, dat de giek nog nimmer in grooter gevaar verkeerd had
dan thans.
Mars hield dan ook gedurende korte tusschenpoozen op met roeien,
waarbij hij dan, om steeds gereed te zijn in de een of andere
richting te kunnen wenden, zijne pagaai boven de watervlakte verheven
hield. Het geluid van roeiriemen werd nu eens heel dichtbij, dan
weer iets verder af, maar toch steeds in de onmiddellijke nabijheid
vernomen. Verscheidene kreten werden op die sloepen voortdurend
uitgestooten en door anderen beantwoord. Dat geschiedde natuurlijk
om met elkander in verbinding te blijven. Hier en daar doken in het
ijle van den nevel vormen op, welker omtrekslijnen als gedoezeld
schenen. Dat waren vaartuigen, die voortgleden en vermeden moesten
worden.
Plotseling openden zich ook de dampen, alsof een onmetelijke blaasbalg
zijne horizontale luchtkolom in hunne massa gedrongen had. Dan
verruimde zich de gezichtskring tot op een afstand van eenige
honderden meters.
Gilbert Burbank en Mars poogden alsdan hun stand op de rivier te
verkennen. Maar die opklaring van den nevel ging weer even spoedig
voorbij als zij gekomen was, en de giek was weer verplicht zich
geduldig aan den stroomdraad over te geven.
Zoo was het eindelijk vijf uren geworden.
Gilbert Burbank rekende, dat hij thans nog twee mijlen van de
ankerplaats der kanonneerbooten verwijderd was. En inderdaad, de bank
in de rivier was nog niet bereikt. Zij zouden die bank gemakkelijk
herkend hebben aan het meerdere geluid en geweld van den stroom,
aan de kabbelingen van het water, waaromtrent zeelieden als Gilbert
en Mars zich niet vergissen konden.
Wanneer de bank overschreden zoude zijn, dan zou Gilbert Burbank
zich betrekkelijk in veiligheid gerekend hebben, want het was niet
waarschijnlijk dat de sloepen zich op zoo'n verren afstand van
Jacksonville en tot onder het geschutvuur der kanonneerbooten zouden
gewaagd hebben.
Beiden luisterden dus aandachtig en bogen zich voorover, om de
oorschelp zoo nabij mogelijk aan de wateroppervlakte te brengen. Hun
zeer geoefend oor had nog niets kunnen opvangen. Het kon bijna niet
anders of zij moesten hetzij ter rechter- hetzij ter linkerzijde op
een dwaalspoor geraakt zijn.
Zou het niet de beste partij zijn, die genomen kon worden, om namelijk
in eene richting schuins met den stroom voort te stevenen, om zoo
een der oevers te bereiken?
Of ware het beter, stil te blijven wachten, totdat de nevel opgetrokken
zoude zijn, om dan weer, natuurlijk na zich behoorlijk verkend te
hebben, in den goeden koers voort te roeien?
Dit laatste werd als het best uitvoerbare geacht; vooral nu men
ontwaarde, dat de dampen naar hoogere luchtlagen begonnen op te
stijgen. De zon, die men als het ware daar boven voelde, trok hen
aan en verwarmde hen. Men kon waarlijk de oppervlakte van de Sint
John over eene groote uitgestrektheid en zelfs voordat het uitspansel
duidelijk zichtbaar werd, zien te voorschijn treden.
Het was te voorzien, dat de gordijn, die hun blik als het ware gevangen
had gehouden, zoude vaneenscheuren en dat de gezichteinder uit den
nevel zoude te voorschijn treden. Misschien zou dan Gilbert Burbank
de kanonneerbooten ontwaren, die achter de bank op een mijl afstands
daarvan ten anker lagen, en het zou mogelijk zijn die oorlogsvaartuigen
te bereiken.
In dit oogenblik werd een sterk watergeklots vernomen, en bijna
tegelijkertijd begon de giek te draaien, alsof zij in een soort
maalstroom geraakt was.
Vergissing was onmogelijk.
»De bank!" riep Gilbert uit.
»Ja, de bank!" herhaalde Mars opgetogen.
»En eenmaal daarover!..."
»Dan zijn wij op de ankerplaats!"
»Goddank!"
»Goddank!"
Zoo klonken beider stemmen tegelijkertijd.
Mars had zijn pagaai gegrepen en poogde nu de giek in de gewilde
richting te houden.
Eensklaps greep Gilbert Burbank hem bij den schouder en noodzaakte
hem het pagaaien te staken. Hij had in een der nevelbanken, die nog
over de rivier zweefden, een vaartuig ontwaard, dat met snelheid
voortgeroeid werd en denzelfden koers volgde als de giek.
Hadden de mannen, die zich in dat vaartuig bevonden, de giek
bespeurd? En wilden zij haar den doortocht betwisten?
»Over bakboord wenden!" zei de jeugdige marine-officier.
Mars gehoorzaamde, en weinig pagaaislagen waren voldoende om de
gewenschte wending te doen uitvoeren.
Maar van dien kant werden stemmen vernomen, welke elkander luidruchtig
praaiden. Ongetwijfeld bevonden zich op dit gedeelte van de rivier
verscheidene sloepen, die in verband met elkander kruisten.
Eensklaps en alsof zij door een onmetelijken luchtdruk weggeveegd
werden, verdwenen de neveldampen en vielen als fijn verdeelde
waterstofdeeltjes op de oppervlakte der Sint John neder.
Gilbert Burbank kon den kreet, die hem ontsnapte, onmogelijk
weerhouden.
De giek bevond zich te midden van een dozijn sloepen, welke in opdracht
hadden dit gedeelte van de vaargeul, welke zich door de bank in zeer
bochtige en schuine richting slingerde, te bewaken.
»Daar zijn ze!... Daar zijn ze!"
Dat waren de kreten, die tusschen de sloepen gewisseld werden en
waarmede de opvarenden de vluchtelingen begroetten.
»Ja, hier zijn wij!" antwoordde de jeugdige marine-officier op
dien kreet.
»Ja, hier zijn wij!" herhaalde Mars even uitdagend.
»Revolver en sabel in de hand, Mars!"
»En er op in, ja master Gib!"
Maar.... twee tegen dertig! Was die strijd mogelijk?
In een ondeelbaar oogenblik hadden drie of vier sloepen de giek
aan boord geklampt. Eenige schoten knalden. Dat waren slechts de
revolvers van Gilbert Burbank en van Mars, die zich in het gevecht
hooren lieten. De tegenpartij maakte van geen vuurwapenen gebruik,
omdat last was gegeven de vluchtelingen levend gevangen te nemen. Drie
of vier opvarenden der sloepen werden gedood of gewond. Maar, was
het wonder, dat Gilbert en zijn makker in dien ongelijken strijd het
onderspit delfden?
De jeugdige officier werd, in weerwil van zijn schier ontembaren
tegenstand, gekneveld en daarna in een der sloepen overgedragen.
»Vlucht.... Mars!... Vlucht!"
Dat waren de laatste woorden, die hij zijnen wakkeren matroos nog
vermocht toe te roepen. Een oogenblik later lag hij met een prop in
den mond en aan handen en voeten geboeid op den bodem eener sloep.
Mars had de aanbeveling van zijn officier niet noodig gehad.
Met een flinken sabelslag ontdeed hij zich van den man, die hem
gegrepen had, en alvorens een ander had kunnen bijspringen om hem tegen
te houden, was de koene echtgenoot van Zermah in de rivier gesprongen.
Alle pogingen om hem op te visschen waren tevergeefs. De kleurling
was te midden van de kolken der bank verdwenen. Bij het intreden van
den vloed toch kookt en woelt het op die ondiepten en verandert de
anders zoo kalme stroom gewoonlijk in woedende stortvloeden.
Men moest het er voor houden, dat Mars verdronken was.
XV.
VEROORDEELING.
Ongeveer een uur later werd Gilbert Burbank op de kade te Jacksonville
aangebracht.
Men had daar de revolverschoten, die op den benedenstroom gelost waren,
gehoord. Gold het daar eene schermutseling tusschen de vaartuigen
der geconfedereerden en die van de federalistische vloot?
Viel er niet te vreezen, dat zelfs de kanonneerbooten van het smaldeel
van den kommandant Stevens de vaargeul daar ter plaatse verkend en
over de bank gestevend waren?
Dat alles had natuurlijk eene ernstige opschudding onder de bevolking
der stad veroorzaakt. Een gedeelte der bevolking was met spoed naar
den rivierkant geijld. De plaatselijke autoriteiten verschenen in
de personen van Texar en zijn aanhangers eveneens daar met bekwamen
spoed. Allen keken uit naar den kant der bank, die duidelijk te
ontwaren was, nu de nevel opgetrokken was. Tooneelkijkers, verrekijkers
en scheepsteleskopen waren druk in de weer.
Maar de afstand, ongeveer drie mijlen, was nog te groot om over
de belangrijkheid van die schermutseling en over hare gevolgen te
kunnen oordeelen.
Wat men in ieder geval duidelijk zag, was dat de flottilje van den
kommandant Stevens nog altijd voor de bank geankerd lag en dat de
havenplaats Jacksonville nog geen onmiddellijken aanval vanwege de
kanonneerbooten te duchten had. Zij van de bewoners der hoofdplaats,
die zich bij de oproerige gebeurtenissen het meest gecompromitteerd
hadden, zouden tijd genoeg hebben om hunne beschikkingen te nemen, ten
einde, als het moest, de wijk naar het binnenland van Florida te nemen.
Maar, al hadden Texar en zijne aanhangers ook al redenen om meer dan
de overige bewoners beducht voor hunne eigene veiligheid te zijn,
zoo bleek het toch duidelijk, dat er geen aanleiding bestond, om zich
over dit voorval te verontrusten.
De Spanjaard daarenboven giste, dat die schermutseling het aanhouden
van de giek gold, welker bemachtiging hij zoo innig en zoo vurig
wenschte.
»Ja, die aanhouding wensch ik, verlang ik, tot welken prijs
ook!" prevelde en herhaalde Texar voortdurend, terwijl hij met zijn
tooneelkijker aandachtig de sloep gadesloeg, welke naar de haven
stevende. »Ja, tot welken prijs ook!"
»Dat is boud gesproken!" meende een zijner makkers.
»Maar bedenk dan toch, dat het den zoon van James Burbank geldt!"
»De zoon van James Burbank?... Ja, dat is wat anders!"
»Als die in den strik gevallen is, dien ik hem gespannen heb,"
vervolgde Texar opgewonden, »dan heb ik het bewijs, dat James Burbank
gemeenschap met de federalisten onderhoudt...."
»Dat is zoo; maar...."
»En, bij God!... wanneer de zoon doodgeschoten zal zijn, dan zullen
geen vier-en-twintig uren verloopen, alvorens de vader hetzelfde lot
ondergaan zal hebben! Dat zweer ik!"
En, inderdaad, hoewel zijne partij thans te Jacksonville den baas
speelde, had Texar, nadat de laatste rechtszaak ten voordeele van
James Burbank uitgesproken was, eene gunstige gelegenheid willen
afwachten, om den eigenaar van Camdless-Bay gevangen te doen nemen. De
gelegenheid om Gilbert Burbank in een valstrik te lokken, had zich
aangeboden. Wanneer die Gilbert Burbank, die als federalistisch
officier bekend stond, op vijandelijk grondgebied opgepakt werd,
dan zou zijne veroordeeling als spion niet uitblijven, en dan kon de
Spanjaard zijne wraakzucht in haren geheelen omvang volvoeren.
De ellendeling werd maar al te zeer door de omstandigheden geholpen.
Het was wel degelijk de zoon van den eigenaar van de plantage
Camdless-Bay, de zoon van James Burbank, die daar in de haven van
Jacksonville aangebracht werd. Dat Gilbert slechts alleen gevangen
genomen was, dat zijn makker verdronken of ontsnapt was, dat kon den
Spanjaard bitter weinig schelen. Het voornaamste was, dat hij den
jeugdigen marine-officier in handen had.
Er bleef nu niets anders te doen over, dan den gevangene voor eene
rechtbank te doen verschijnen, welker leden allen uit aanhangers
van de partij van Texar zouden bestaan, eene rechtbank, die door hem
zelven voorgezeten zoude worden.
Gilbert Burbank werd met veel gejouw en met bedreigingskreten,
door de bevolking van Jacksonville, die hem maar al te goed kende,
ontvangen. Hij beantwoordde dat alles met een trotschen blik van
minachting. Zijne houding toonde genoegzaam aan, dat hij geen vrees
koesterde, hoewel eene afdeeling soldaten te hulp was moeten geroepen
worden, om zijn leven tegen de gewelddadigheden van het grauw te
beveiligen.
Toen de jonge luitenant evenwel Texar ontwaarde, was hij zich zelven
niet meer meester, en voorzeker zou hij zich op dien schavuit geworpen
hebben met het doel om hem te verwurgen, wanneer hij niet door de
soldaten zijner bewaking weerhouden was geworden.
Texar had geen enkele beweging gemaakt, geen woord gesproken. Hij
deed zelfs alsof hij den jongen officier niet zag en liet hem met
het onverschilligste gelaat der wereld wegvoeren.
Weinige minuten later zat Gilbert Burbank in de gevangenis van
Jacksonville opgesloten. Er waren geene illusiën omtrent het lot,
dat hem vanwege de Zuidelijken wachtte, te scheppen.
De heer Harvey, de correspondent van meester James Burbank, ging een
uur later naar de gevangenis en verzocht den jongen man te zien. Dat
werd hem evenwel geweigerd. Op bevel van Texar mocht niemand, volstrekt
niemand bij den gevangene toegelaten worden.
Die poging had zelfs tot gevolg, dat master Harvey zelf zeer streng
bespied zou worden.
Men was inderdaad bekend met zijne betrekking tot de familie Burbank,
en het lag in de plannen van den Spanjaard, dat de gevangenneming
van Gilbert Burbank niet onmiddellijk te Camdless-Bay bekend werd.
Wanneer het rechtsgeding beëindigd en het vonnis uitgesproken zoude
zijn, dan was het tijd genoeg om James Burbank het gebeurde mede te
deelen. Wanneer hij het evenwel dan zou vernemen, zou het te laat
zijn om Castle-House te verlaten en de vlucht naar de noordelijke
Staten te nemen, om zoo aan de wraakzucht van Texar te ontkomen.
Master Harvey kon dus onmogelijk een bode naar Camdless-Bay zenden. Er
was een soort embargo op al de vaartuigen van de havenplaats
gelegd. Iedere gemeenschap tusschen den rechter- en den linkeroever
van de Sint John was verbroken, en zoo kon de familie Burbank niets
vernemen van de gevangenneming van Gilbert. Integendeel, zij verkeerde
in de stellige meening, dat hij aan boord van de kanonneerboot van
Stevens was teruggekeerd; terwijl hij daarentegen in de gevangenis
van Jacksonville opgesloten zat.
Met welke spanning spitste men te Castle-House de ooren, om te
vernemen of de een of andere ver verwijderde knal de aankomst der
federalistische kanonneerbooten niet zou vermelden, die eindelijk
over de zandbank geraakt zouden zijn.
Wanneer toch Jacksonville in handen der Noordelijken gevallen zoude
zijn, zou dat gelijk staan met Texar in handen van James Burbank! Dan
kon de vader van de kleine Dy gezamenlijk met zijn zoon en met zijne
vrienden de nasporingen hervatten, die tot nu toe tot niets geleid
hadden!
Niets werd evenwel op het benedengedeelte der rivier waargenomen. Geen
geluid liet zich van die zijde hooren.