lichten van Jacksonville werden gedekt door den hoek of elleboog,
dien de kreek van Camdless-Bay daar vormde, terwijl de oever zich in
noordelijke richting afrondde. Alleen hun schijnsel werd boven dien
hoek ontwaard en tintte eenigermate de onderste wolkenlaag.
Hoewel de nacht zeer donker was, kon toch de giek gemakkelijk koers
in de richting van de bank houden. Daar geen nevel of waterdamp zich
van de oppervlakte der Sint John ontwikkelde, zou het gemakkelijk
zijn de giek te volgen, ja te vervolgen, wanneer eenig vaartuig der
geconfedereerden haar opgewacht had, wat Gilbert en zijn reisgenoot,
zooals wij weten, niet te duchten meenden te hebben.
Beiden bewaarden een diep stilzwijgen. Zij zouden den stroom wel hebben
willen oversteken, in plaats van hem af te roeien, om Texar tot binnen
Jacksonville te gaan opzoeken en hem in het wit der oogen te zien.
Zij zouden daarna de Sint John weer kunnen opvaren, om al hare
oeverwanden, al hare kreken, al hare eilandjes te doorzoeken, en wie
weet? waarschijnlijk zouden zij slagen, waar master James Burbank
slechts teleurstellingen gevonden had.
Zoo dachten zij, terwijl de stroomdraad hun vaartuig medevoerde. En,
alles wel bedacht, was het toch verstandiger maar te wachten en die
wraakoefening en die nasporingen uit te stellen.
Wanneer de federalistische troepen in Florida de baas zouden zijn, dan
zouden Gilbert Burbank en Mars met veel meer kans van slagen tegenover
dien ellendigen Spanjaard kunnen optreden. Daarenboven, de plicht
gebood om op de flottilje van den kommandant Stevens terug te zijn,
vóórdat de dag aanbrak. Wanneer toch de vloed flink doorkwam en de
mogelijkheid voor de kanonneerbooten, om de bank over te stevenen,
zich vroeger instelde dan aangenomen of verondersteld werd, dan
was het noodzakelijk dat de jeugdige officier bij het te verwachten
gevecht op zijn post was, dan was het noodig dat Mars present was,
om de oorlogsvaartuigen te loodsen door de eenig bruikbare geul,
waarvan hij de breedte en diepte bij alle waterstanden, bij eb of
bij vloed of bij de hoogwater- of laagwaterkenteringen kende.
Mars was op de achterplecht der giek gezeten en hanteerde zijne
pagaai met kracht en behendigheid. Bij hem zat Gilbert, die de
rivieroppervlakte met zorgzamen blik zoowel boven- als benedenstrooms
gadesloeg, om bijtijds iederen hinderpaal te kunnen aanduiden, hetzij
een drijvenden boomstam, die met het vaartuig in botsing zou kunnen
komen, hetzij eene sloep, waarvan de opvarenden nog meer te duchten
konden zijn.
Na zich in schuine richting van den rechteroever verwijderd te hebben,
om het midden van de geul te kunnen volgen, zou het lichte schuitje
slechts den stroomdraad te volgen hebben, om in het goede vaarwater
te blijven, en daar zou eene enkele handbeweging van Mars met zijne
pagaai langs stuurboord of bakboord voldoende zijn, om in de gewenschte
richting te blijven.
Het zou voorzeker veel verkieselijker geweest zijn, zich niet van den
oever, die met zwaar en somber geboomte begroeid en met reusachtig hoog
riet omzoomd was, te verwijderen. Wanneer zij onder de beschutting
der groote takken en der dichte loofkruinen zich evenwijdig aan den
oever bewogen hadden, dan zouden zij minder gevaar loopen ontwaard
te worden. Maar, iets benedenstrooms van de plantage, vormde de Sint
John een scherpen elleboog, waarop de stroom der rivier brak en naar de
overzijde zette. Daar bij dien hoek bestond eene zeer sterke wieling,
die het voortroeien van de giek oneindig meer vermoeiend gemaakt en
haren gang ook merkbaar vertraagd zoude hebben.
Mars, die dan ook hoegenaamd niets verdachts op de oppervlakte der
rivier bespeurde, beijverde zich om het midden van den snellen stroom
te bereiken, die hen vlug naar de riviermonding zou voeren. De afstand
van af de kleine havenkom van Camdless-Bay tot aan de plek, waar de
flottilje van den kommandant Stevens buiten de bank ten anker gekomen
was, werd gerekend vier of vijf mijlen te bedragen; en met behulp
van de krachtig doorslaande eb en van de krachtsinspanning van Mars,
die zijne pagaai verbazend repte, was die afstand in kleine twee
uren tijds af te leggen. Zij zouden dus aan boord der kanonneerboot
terug zijn vóórdat het aanbreken van den dag het varen op de Sint
John gevaarlijk kon maken.
Gilbert Burbank en Mars bevonden zich dan ook een klein kwartieruurs
na hun vertrek in het midden van den stroom. Daar bemerkten zij,
dat hunne snelheid wel is waar aanmerkelijk was, maar ook dat de
richting van dien stroom hen naar Jacksonville voerde. Wie weet;
misschien hield Mars geheel onbewust naar dien kant aan, alsof hij
onder den invloed eener onweerstaanbare aantrekkingskracht stond. Toch
moest dat gevloekte oord gemeden worden, omdat het te voorzien was,
dat de toegangen tot die havenplaats in de gegeven tijdsomstandigheden
beter bewaakt zouden zijn dan eenig ander gedeelte van de Sint John.
»Recht vooruit, Mars! Recht vooruit!" vergenoegde zich de jeugdige
zeeofficier te zeggen.
En de giek bleef den stroomdraad op een kwartmijl van den linkeroever
der rivier volgen.
In de haven van Jacksonville was het noch somber noch
stil. Integendeel; talrijke lichten bewogen zich op de kaden of
schitterden in de vaartuigen, terwijl zij op de oppervlakte van
het water weerkaatsten. Eenigen hunner zelfs verplaatsten zich met
snelheid, alsof eene bedrijvige waakzaamheid, die zich over een
uitgestrekten straal uitbreidde, georganiseerd werd.
Terzelfder tijd duidden gezangen, met woeste kreten vermengd, er op,
dat de ergerlijke tooneelen van uitspattingen en brasserijen steeds de
rust der stad verstoorden. Geloofden Texar en zijne aanhangers dan nog
steeds aan de nederlaag der Noordelijken in den staat Virginia? Meenden
zij nog, dat het mogelijk ware, dat de federalistische flottilje den
terugtocht zoude aannemen?
Of--en dat was wel het meest aanneembare--benuttigden zij hunne
laatste dagen van macht, om zich aan alle mogelijke buitensporigheden,
te midden van eene lagere volksklasse, die dronken van wiskey en gin
was, over te geven?
Maar om het even, de giek volgde middelerwijl den stroomdraad met
spoed, en Gilbert kon met reden hopen, dat hij weldra het grootste
gevaar achter den rug zoude hebben, als zij maar Jacksonville
voorbijgestevend zouden zijn.
Maar wat was dat?... Plotseling gaf de jeugdige zeeofficier aan Mars
een teeken om stil te houden....
Hij wreef zich de oogen en keek daarna scherp uit.
Op minder dan een mijl afstands beneden de haven van Jacksonville,
bespeurde hij een lange lijn van zwarte punten, als het ware eene
reeks van rotsklippen, op de oppervlakte van de rivier van den eenen
oever tot den anderen gezaaid.
Dat was eene lijn van sloepen, die daar ter plaatse voor een licht
werpanker lagen en de geheele Sint John afdamden. Die vaartuigen
zouden blijkbaar niet bij machte zijn, om de kanonneerbooten tegen te
houden, wanneer dezen er in slaagden over de bank te komen, en zij
zouden verplicht zijn alsdan de wijk te nemen; maar voor het geval
dat federalistische sloepen pogen zouden de rivier op te stevenen,
zouden zij wellicht krachtigen weerstand kunnen bieden, wanneer de
doortocht met geweld beproefd zoude worden.
Daarom hadden die vaartuigen die afdamming gedurende den nacht
gevormd. Allen lagen stil dwars in de Sint John, hetzij zij zich op
de hun aangewezen plaats door middel van hunne roeiriemen hielden,
hetzij zij voor hunne dreggen ten anker lagen.
Hoewel onze beide zeelieden daarvan bij de heerschende duisternis niets
konden ontwaren, konden zij toch verzekerd zijn, dat zich een groot
aantal mannen aan boord van die vaartuigen bevond, die behoorlijk
gewapend waren, om zoowel verdedigender- als aanvallenderwijze te
werk te kunnen gaan.
Gilbert Burbank maakte intusschen de opmerking, dat die reeks
van vaartuigen de rivier nog niet afdamde, toen hij de Sint John
opgestevend was, om naar Camdless-Bay te gaan. Die voorzorgsmaatregel
was dus eerst genomen, toen de giek reeds voorbij was. Dat was
zeer waarschijnlijk geschied met het oog op een mogelijken aanval,
waarvan evenwel geen sprake was, toen onze jeugdige marine-officier
de flottilje van den kommandant Stevens verlaten had.
De opvarenden van de giek waren nu verplicht het midden der rivier te
verlaten, om zich zooveel mogelijk onder de takken en het loof van
het hooge geboomte van den rechteroever te verschuilen. Misschien
zou het nietige vaartuigje onbemerkt blijven, wanneer het zich een
weg door de dichte biezen zou kunnen banen.
In ieder geval bestond geen ander middel om die afdamming van de Sint
John te vermijden.
»Tracht te roeien zonder gedruisch te maken, Mars," zeide de jeugdige
zeeofficier.
»Ja, master Gib."
»Totdat wij de lijn dier afsluitingsvaartuigen achter den rug zullen
hebben."
»Goed, master Gib."
»Gij zult waarschijnlijk tegen wielingen op te werken hebben."
»Dat denk ik ook, master Gib."
»Dan zal ik ook een pagaai ter hand nemen en u helpen, Mars!"
»Dat zal wel niet noodig zijn, master Gib!" grinnikte de kleurling.
»Anders, reken op mij."
»Niet noodig."
En de giek met vaste hand een halve wending latende maken, voerde
hij haar snel naar den kant van den rechteroever, dien hij bereikte,
toen zijn vaartuigje nog slechts op een afstand van drie honderd
meters van de afsluitingslijn gekomen was.
Daar de giek niet bespeurd was geworden, terwijl zij de rivier dwars
overstak,--en toen kon zij ontwaard zijn geworden,--kon men het tot
de onmogelijkheden rekenen, dat zij thans bemerkt zoude worden,
nu zij onder de schaduwrijke oevers voortstevende en zij zich
in het donker daarvan als het ware verloor. Het was zoo goed als
zeker, dat zij door de afsluitingslinie zou kunnen sluipen, althans
wanneer deze niet aan den oever aansloot, hetgeen niet waarschijnlijk
was. Daarentegen bestond er in de vaargeul van de Sint John zeer veel
gevaar, en zou het meer dan onvoorzichtig, ja roekeloos moeten heeten,
die te blijven volgen.
Men bevond zich in eene dikke duisternis, die nog zwaarder gemaakt
werd door de dichte gordijn van zwaar geboomte met volle loofkruin,
dat op den oever verrees.
Mars pagaaide met kracht en zorgde ervoor, tegen geene boomstronken
aan te varen, welker toppen hier en daar boven de wateroppervlakte
uitstaken. Ook vermeed hij zorgvuldig met zijn schepper of
pagaai luidruchtig in het water te plassen, hoewel hij nogal in de
noodzakelijkheid kwam om krachtsinspanning aan te wenden, ten einde
den weerstand van een tegenstroom of van eene draaiwieling te breken
en te overwinnen.
In die gegeven omstandigheden zou Gilbert Burbank op zijn tocht
eene vertraging van ruim een uur ongetwijfeld ondervinden. Maar,
alles wel beschouwd, kon het hem niets schelen of het dan dag zoude
zijn. Hij zou dan dicht genoeg bij de ankerplaats der kanonneerbooten
van den kommandant Stevens zijn, om niets meer van de kwaadwilligen
van Jacksonville te duchten te hebben.
Het vaartuigje was zoo omstreeks vier uren ter hoogte van de sloepen
gekomen, die de afsluitingslinie vormden. Zooals Gilbert Burbank
voorzien had, was, op grond van de geringe diepte der rivier in dit
gedeelte der vaargeul, de doorvaart langs den oever geheel en al
onbewaakt en vrij. Een paar honderd voeten verder stak eene landpunt
zeer ver in de Sint John uit en vormde eene kaap, die met zware
bamboestruiken en dicht ineen gestrengelde wortelboomen begroeid was.
Het was thans zaak die kaap te ronden. Zij vertoonde zich
naar den bovenstroomschen kant zeer somber en bedekt. Naar den
benedenstroomschen kant evenwel, werd het beschermende loofdak
plotseling afgebroken. De kuststrook daalde al meer en meer, naarmate
zij de monding van de Sint John naderde, en ging in een onuitwarbaar
net van kreken, poelen, plassen en moerassige strooken over, hetwelk
een uiterst laag en onbedekt strand vormde.
Het was bijgevolg niet onmogelijk, dat een zwart en bewegelijk punt,
zooals de giek vormde, die te klein was om te gedoogen dat die twee
mannen daarin konden liggen om zich te verbergen, bespeurd werd door
het een of andere vaartuig, dat ter hoogte van die kaap rondzwierf.
Voorbij die vooruitstekende punt liet zich de tegenstroom van de
wieling niet meer gevoelen. Integendeel, daar schoot hij met kracht
langs den oever vooruit zonder de vaargeul te volgen.
Gelukte het de giek die kaap zonder ongeval te ronden, dan zou zij
met de meest mogelijke snelheid naar de bank gevoerd worden, alwaar
zij dan in zeer weinig tijds op de ankerplaats van den kommandant
Stevens zoude aankomen.
Mars stuurde dus het vaartuigje met de grootste voorzichtigheid
langs den oever. Hij gleed, hij sloop als het ware voort. Zijne oogen
poogden de duisternis te doorboren. Hij scheerde den oever van zoo
nabij mogelijk en kampte met de wieling, die als tegenstroom aan
deze zijde van de kaap nog zeer sterk was. De pagaai boog en zwiepte
onder den druk zijner gespierde armen, bij het te water slaan van dat
roeiwerktuig. Intusschen zat Gilbert Burbank naar den bovenstroomschen
kant van de Sint John, vanwaar hij dacht dat het gevaar zoude opduiken.
Zoo naderde de giek middelerwijl die landpunt. Nog eenige weinige
minuten, dan zou zij het uiteinde er van, dat zich als eene lange
zandtong in de rivier uitstrekte, bereikt hebben. Het vaartuigje
was er nog slechts vijf-en-twintig of dertig meters van verwijderd,
toen Mars eensklaps ophield met roeien.
»Wat is er?" vroeg de jeugdige zeeofficier.
»Shut!" blies de kleurling meer dan hij sprak.
»Zijt ge vermoeid?" vervolgde Gilbert Burbank.
»Shut!"
»Wilt ge, dat ik u vervang?"
»Shut! master Gib."
»Maar, wat is er dan toch, Mars?"
»Shut! Thans geen woord!" antwoordde de kleurling.
Terzelfder tijd wendde hij de giek met driftige pagaaislagen, en
stuurde haar in schuine richting, alsof hij haar op den oever op het
droge wilde zetten. Dicht bij de kustlijn gekomen, greep hij een
der over het water afhangende takken; toen hij die bereiken kon,
trok hij zich daaraan voort en deed zoo het vaartuigje onder een
dicht loofdak verdwijnen.
Een oogenblik later sloeg hij een eind touw om een der steltwortels
van een rysophoor en lag de giek eindelijk onbewegelijk stil, en
bewegingloos zaten Gilbert Burbank en Mars daar te midden van eene
zoo diepe duisternis, dat zij elkander niet konden zien.
Die geheele manoeuvre had geen tien seconden geduurd, zoo vlug was
alles in zijn werk gegaan.
De jeugdige zeeofficier greep toen zijn makker bij den arm en was
op het punt hem de verklaring van zijne plotselinge handelwijze te
vragen, toen Mars met den arm naar het gebladerte wees en op een
beweegbaar punt duidde, dat zich op het minst donkere gedeelte van
de wateroppervlakte vertoonde.
»Wat is dat?" vroeg hij zoo zacht mogelijk aan het oor van zijn makker.
»Kijken!" antwoordde deze even zacht fluisterend.
Wat zij daar zagen, was eene sloep, die door vier mannen geroeid werd
en na de landspits gerond te hebben, de rivier langs den oever boven
de kaap opstevende.
De beweging van dat vaartuig was duidelijk. Daarin kon men zich
niet vergissen.
Gilbert Burbank en Mars hadden toen een en dezelfde gedachte, namelijk:
vóór alles en in weerwil van alles naar boord van de kanonneerboot
terug te keeren. Wanneer hun vaartuigje ontdekt werd, zouden zij niet
aarzelen om aan wal te springen. Zij zouden dan tusschen de boomen van
het woud doorsluipen; zij zouden dan voortvluchten langs den oever,
tot zij ter hoogte van de bank gekomen zouden zijn. Daar zouden zij
dan wachten tot de dag aanbrak. Zij zouden dan seinen geven aan de
meest nabij geankerde kanonneerboot, en werden die niet bespeurd....
»Welnu," sprak Mars, »dan springen wij in de rivier en zwemmen naar
de ankerplaats. Niets eenvoudiger dan dat!" Zeker was het eenvoudig,
maar de uitvoering?
Zooveel is onbetwistbaar, dat die mannen vastbesloten waren, alles
te doen, om op hunnen post terug te zijn.
Maar.... de mensch wikt en God beschikt.
Een kort oogenblik later zouden zij de ervaring opdoen, dat iedere
terugtocht ook over land afgesneden was.
Toen de sloep, welke zij ontwaard hadden, dan ook op een afstand van
hoogstens twintig voet genaderd was tot de plek waar zij onder het
dichte loof met hun vaartuig verscholen lagen, werd er een gesprek
gevoerd door de lieden, die haar roeiden met een half dozijn andere
kerels, waarvan men de omtrekken tusschen het geboomte op den oevernok
kon ontwaren.
»Ohoi!" praaiden de sloeproeiers.
»Ohoi!" werd er van den wal geantwoord.
»Het zwaarste werk is verricht."
»Dat dunkt mij ook."
»Drommels!" werd er van den rivierkant geroepen. »Het was een taai
stuk werk met de zwaar doorstaande eb tegen den stroom op te roeien."
»Dat zal het wel geweest zijn."
»Bijna zoo zwaar, als een vaartuig tegen eene stroomversnelling op
te voeren."
»Gaat gij nu ten anker?"
»Waar?"
»Hier bij deze plek, waar wij op deze kaap eindelijk ontscheept zijn?"
»Ja, dat zullen wij doen."
»Maar, alsjeblieft gauw."
»Wij moeten eerst in de tegenstrooming van de wieling zijn."
»Zeer juist."
»Dan maken wij het uiteinde van de afsluitingslinie uit en kunnen
die afdoende bewaken."
»Goed! Intusschen zullen wij den oever in het oog houden...."
»Perfect!"
»En tenzij die schoften zich door het moeras baan breken...."
»Dat kunnen zij niet."
»Welnu, dan is het niet mogelijk, dat zij ons ontsnappen...."
»Als dat maar niet reeds geschied is?"
»Te drommel, neen, dat is onmogelijk!"
»Waarom niet?"
»Wel, omdat zij tot laat op de plantage zullen gebleven zijn."
»Dat kan wel."
»Blijkbaar zullen zij bij het intreden van de eb in hun vaartuig
gestapt zijn, om bij het aanbreken van den dag aan boord terug
te zijn."
»Zoo stel ik mij ook voor, dat zij gehandeld zullen hebben."
»Daar zij wel zullen inzien, dat door de afsluitingslinie niet heen
te sluipen is, zullen zij dat langs den oever pogen te doen. Gij zult
zien, dat ik gelijk heb."
»Jawel; maar wij zijn er om hen bij den kraag te vatten!"
»Ja, wij zijn er!"
Dat gesprek, die duidelijke volzinnen gaven genoegzaam aan wat er
gebeurd was.
Het vertrek van boord van Gilbert Burbank en van Mars was bekend
geworden. Geen twijfel kon daaromtrent bestaan. En al was het hun ook
bij hun tocht naar Camdless-Bay, terwijl zij de rivier oproeiden,
gelukt om aan de vaartuigen, die uitgezonden waren om hun den pas
af te snijden, te ontkomen, zoo zou het thans, nu de geheele rivier
afgesloten was en men hun terugkeer bespiedde, uiterst moeielijk,
ja onmogelijk zijn om de ankerplaats der kanonneerbooten van den
kommandant Stevens te bereiken.
Bij het overzien van den toestand bleek het, dat de giek gevangen
zat tusschen de mannen van de sloep en tusschen diegenen hunner
makkers, die op de landspits ontscheept waren en den rivieroever daar
bewaakten. De ontvluchting was dus onmogelijk zoowel langs de rivier,
als langs den smallen oever, die zich tusschen de Sint John en de
moerassen der kuststreek uitstrekte.
Gilbert Burbank had dus vernomen, dat zijn tocht langs de Sint John
verraden was. Intusschen was het toch mogelijk, dat men niet wist,
dat zijn makker en hij op de plantage Camdless-Bay aan wal geweest
waren. Misschien wist men niet eens, dat een hunner de zoon van James
Burbank was, dat de een een federalistische marine-officier, de ander
een federalistische matroos was. Helaas, zoo was het niet. Zij zouden
dienaangaande spoedig ontgoocheld worden. De jeugdige luitenant kon
weldra niet meer twijfelen omtrent het gevaar, dat hem bedreigde, toen
hij de volgende volzinnen vernam van het gesprek, hetwelk hervat werd.
»Ohoi!"
»Ohoi!"
»Weest waakzaam en goed opgepast!" riep men van den kant van den wal.
»Jawel, jawel!" werd er geantwoord.
»Een federalistisch officier is een goede buit, dat weet ge!"
»Vooral, wanneer die officier de eigen zoon van een dier gevloekte
Noordelijken is!"
»Die zich in ons schoon Florida gevestigd hebben!"
»Denk er om, dat deze goed betaald zal worden!"
»En zeer goed zelfs, daar Texar er veel belang bij schijnt te hebben!"
»Ik hoop zoo. Hoe meer dollars, hoe liever!"
»Het zou toch mogelijk kunnen zijn, dat wij ze heden nacht niet te
pakken krijgen...."
»Waarom niet?"
»Zij kunnen zich in den een of anderen schuilhoek van den oever
verstopt hebben!"
»Nu, dat zal hen niet veel geven. Als het dag wordt, zullen wij al
de schuilhoeken zoo doorzoeken, dat...."
»Dat een waterrat ons niet ontsnappen zal."
»Juist! Denk er evenwel aan...."
»Waaraan?"
»Dat wij uitdrukkelijk bevel hebben, hen levend in handen te krijgen!"
»Mooi!... Dat is afgesproken!"
»Perfect!... maar laten wij ook afspreken, dat voor het geval zij op
den oever aangehouden worden, wij ulieden slechts te praaien zullen
hebben, om hen aan boord te nemen, en hen naar Jacksonville over
te voeren!"
»Afgesproken! Dat kan te gemakkelijker, daar wij hier ten anker zullen
blijven liggen, wanneer wij niet genoodzaakt zullen worden hen op de
rivier na te jagen!"
»Goed zoo!... Wij zijn dwars over den oever geposteerd, zoodat geen
muis door kan!"
»Nu, goed geluk!"
»Dankje. Ik voor mij, ik zou liever in eene heerlijke kroeg van
Jacksonville zitten!"
»Ik ook!... maar als wij die twee schoften maar niet laten
ontsnappen! En wij hen aan handen en voeten gebonden aan Texar kunnen
overleveren!... dan... dan kunnen wij de kroegen bezoeken, zooveel
wij willen!"
Daarop verwijderde de sloep zich op een afstand van twee
roeiriemslengten. Vervolgens werd het geluid van een ketting vernomen,
die van een spil afliep. Dat duidde er op, dat een anker uitgeworpen
werd en dit den grond geraakt had.
Wat de mannen betreft, die den oeverrand bezetten, dezen spraken niet
meer, maar men vernam toch het geluid hunner passen op het afgevallen
droog gebladerte, dat den grond bedekte.
De vlucht was dus zoowel aan den kant van den wal als langs de rivier
totaal onmogelijk.
Daarover zaten Gilbert Burbank en Mars te peinzen. Geen hunner
had zich eene beweging veroorloofd noch een enkel woord durven
spreken. Niets verraadde dan ook de aanwezigheid van de giek, welke
onder het sombere loofdak, dat inderdaad eene gevangenis geworden
was, verscholen lag. Ja, eene gevangenis; want het was onmogelijk
die schuilplaats te verlaten.
Maar al nam men ook al aan, dat het vaartuig gedurende den nacht niet
ontdekt werd, hoe zou Gilbert Burbank kunnen hopen, dat het bij het
aanbreken van den dag niet bespeurd zoude worden?
En nu was de gevangenneming van den federalistischen officier niet
alleen een dreigend gevaar voor zijn leven,--dat hij als goed soldaat
gaarne opgeofferd zoude hebben,--maar wanneer men zoude kunnen bewijzen
dat hij op Camdless-Bay gedebarkeerd, dat hij op Castle-House geweest
was, dan zou zijn vader andermaal in verzekerde bewaring genomen
worden, dan zou zonder vrees voor tegenspraak het heulen van master
James Burbank met de federalisten als afdoende bewezen, beweerd
kunnen worden. Ja, dat bewijs had den Spanjaard ontbroken, toen hij
den eigenaar van Camdless-Bay voor den eersten keer van landverraad
beschuldigde. Maar thans zou hij het in handen hebben, wanneer Gilbert
Burbank, de zoon van zijn gezworen vijand, in zijne macht zoude zijn!
En wat zou dan van mevrouw Burbank worden?
En wat van zijn zusje, de kleine Dy? En wat van Zermah? Wanneer de
vader, de broeder, de echtgenoot niet meer in staat zouden wezen om
hunne nasporingen voort te zetten?
In een ondeelbaar oogenblik vertoonden zich al die gevolgen met
de bliksemsnelheid der gedachten in het brein van den jeugdigen
marine-officier.
Dus, alles wel beschouwd, bleef hen voor het geval, dat zij beiden
gevangen genomen werden--en dat geval was zeer waarschijnlijk--slechts
één kans over, namelijk dat de federalisten Jacksonville zouden
ingenomen hebben, vóórdat Texar in staat zoude zijn kwaad te kunnen
stichten.
Wellicht zouden zij nog tijdig genoeg verlost worden, om te verhoeden,
dat het vonnis, hetwelk zij onmogelijk ontgaan konden, ten uitvoer
gelegd zoude worden. Ja, dat was hunne geheele, hunne eenige hoop!