»Daaraan twijfel ik niet, vader. Maar het zou kunnen..."

»Geen dag is er voorbijgegaan, zonder dat wij de oevers der Sint

John en de eilandjes, die Texar eene schuilplaats konden aanbieden,

hebben doorzocht..."

»En... hebt gij niets gevonden?"

»Niets!... Niets!... geen enkele aanwijzing, die mij op het spoor kon

brengen van uwe zuster, Gilbert, van uwe echtgenoote, Mars! Hier,

de heeren Edward Carrol en Walter Stannard hebben met mij gezocht;

zij hebben alles ondernomen... alles gewaagd... en hunne nasporingen

zoowel als de mijne zijn vruchteloos gebleven!"

»Waarom geen klacht ingebracht te Jacksonville?" vroeg de jeugdige

officier.

»Te Jacksonville?..."

»Waarom dien ellendigen Texar niet voor de rechtbank vervolgd, als

schuldig aan ophitsing tot plundering van Camdless-Bay, als schuldig

aan ontvoering?..."

»Waarom?... Wilt ge weten waarom ik dat niet deed?" vroeg James

Burbank. »Omdat Texar thans baas is; omdat ieder, die tot de eerlijke

lieden behoort, voor de schurken beeft, welke aan hem verknocht zijn;

omdat het grauw voor hem gestemd is; omdat ook de militietroepen

zijne partij gekozen hebben..."

»O, ik zal Texar vermoorden!" herhaalde Mars, alsof zijn brein door die

standvastige gedachte, die niet te verjagen was, slechts vervuld was.

»Gij kunt hem dooden," hernam master James Burbank, »evenwel dan eerst,

wanneer het tijd zal zijn. Gebeurde dat thans, dan werd de toestand

slechts verergerd."

»En, wanneer zal het tijd zijn?..." vroeg Gilbert.

»Als de federalistische troepen Florida zullen binnengerukt zijn en

zij Jacksonville zullen bezet hebben."

»En, als het dan te laat is?"

»O, Gilbert!... mijn zoon!..." kreet mevrouw Burbank met

hartverscheurende stem. »Ik bid, ik smeek je, zeg dat toch niet."

»Neen, Gilbert, zeg dat toch niet!" herhaalde miss Alice.

James Burbank greep de hand van zijn zoon.

»Gilbert, hoor mij aan!" sprak hij. »Evenals gij en Mars wildet doen,

wilden wij kort recht over Texar spreken en kort en bondig met hem

handelen, voor het geval hij geweigerd zoude hebben te verhalen,

wat er met zijne slachtoffers gebeurd is. Maar in het belang van

uwe zuster, Gilbert, in het belang van uwe echtgenoote, Mars,

hebben wij voorzichtigheid moeten betrachten en onzen gerechten

toorn aan die voorzichtigheid ten offer brengen. Het is toch aan

te nemen inderdaad, dat de kleine Dy en Zermah in handen van Texar

als gijzelaars te beschouwen zijn, waarvan hij zich een vrijgeleide

maken wil, wanneer de zaken der Zuidelijken verkeerd loopen. Want die

ellendeling verkeert dan in gevaar om vervolgd te worden ter zake van

rebellie en van verjaging der wettige autoriteiten te Jacksonville,

ter zake van opruiïng eener bende boosdoeners tegen Camdless-Bay

en ter zake van brandstichting en vernieling op de plantage van

een Noordelijke! Ziet, als ik die meening niet koesterde, Gilbert,

zou ik dan wel met die overtuiging tot je spreken? Zou ik dan den

treurigen moed, de lakenswaardige geestkracht van het wachten kunnen

ontwikkelen!..."

»Zou ik dan niet bezweken, zou ik dan niet dood zijn?" zei mevrouw

Burbank.

De rampzalige moeder begreep maar al te goed, dat wanneer haar

zoon naar Jacksonville ging, hij zich als het ware aan Texar

uitleverde. En wie zou dan het leven van een officier van de

federalistische krijgsmacht hebben kunnen redden, die in de handen

der Zuidelijken zoude gevallen zijn en dat nog wel in een tijdperk,

dat een troepenafdeeling der Noordelijken Florida bedreigde.

Maar de jeugdige officier bezat geene zelfbeheersching meer. Hij

wilde en zou vertrekken en toen Mars herhaalde:

»Ik zal Texar vermoorden!"

»Kom, laten wij vertrekken!" sprak hij.

»Ge zult niet gaan, Gilbert!"

Mevrouw Burbank was, in weerwil harer zwakte, door eene buitengewone

inspanning harer wilskracht opgestaan, en plaatste zich voor de

deur. Maar door die poging uitgeput, en zich niet meer overeind

kunnende houden, zeeg zij op den grond neder.

»Moeder!... Moeder!..." riep de jonge man uit.

»Blijf, Gilbert!" zei miss Alice.

Gilbert Burbank boog het hoofd.

Men moest mevrouw Burbank naar hare kamer dragen, waar het jonge

meisje haar bleef bewaken.

Daarna keerden James Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard naar

de hal terug.

Gilbert was toen in voorovergebukte houding op den divan gezeten en

hield het hoofd door beide handen ondersteund. Mars stond ter zijde

en nam een diep stilzwijgen in acht.

»Nu, Gilbert, nu ge weer kalm zijt," sprak zijn vader James Burbank,

»nu ge uwe zelfbeheersching herwonnen hebt, spreek nu. Van hetgeen

ge ons zeggen zult, zal de beslissing afhangen omtrent hetgeen ons

te doen staat. Wij stellen onze eenige hoop in eene spoedige aankomst

der federalistische troepen in het graafschap..."

Gilbert zat als wezenloos voor zich te kijken. Hij hoorde evenwel

aandachtig toe.

»Hebben zij hun plan om Florida te bezetten laten varen?" vervolgde

James Burbank.

»Neen, vader."

»Waar bevinden zij zich thans?"

»Een gedeelte van het eskader is thans onder stoom en zet koers naar

Sint Augustijn, om de blokkade tot naar dien kant uit te strekken."

»Maar denkt de Commodore Dupont er niet aan?..." vroeg Edward Carrol

aarzelend.

»Waaraan?"

»Om zich meester van de Sint John te maken."

»Het benedengedeelte van den stroom is in onze macht," antwoordde

de jeugdige zeeofficier. »Onze kanonneerbooten, onder de bevelen van

den Kommandant Stevens, liggen reeds in de Sint John ten anker."

»In de Sint John?" riep master Walter Stannard uit.

»Ja, in de Sint John!"

»En zij hebben nog geene pogingen gedaan, om zich van Jacksonville

meester te maken?"

»Neen."

»Waarom niet?"

»Omdat zij bij de binnenbank gekomen, die op vier mijlen beneden de

havenplaats ligt, niet verder konden."

»Niet verder konden?" vroeg James Burbank ontsteld.

»Neen, vader."

»De kanonneerbooten worden weerhouden door een hinderpaal en nog wel

door een onoverkomelijken hinderpaal!"

»Ja, vader, weerhouden door gebrek aan water, door gebrek aan

diepte. De vloed moet sterk doorzetten om te veroorloven die bank te

overschrijden, en dan nog zal het zeer moeielijk zijn. Mars kent de

geul volkomen en die zal ons moeten loodsen."

»Wachten!... Steeds wachten!..." riep James Burbank wanhopig uit. »En

hoe lang zullen wij nog moeten wachten? Zeg, Gilbert, hoe lang nog?"

»Hoogstens nog drie dagen, dan is het springvloed; maar.... wanneer..."

»Maar, wanneer wat? Ga voort."

»Maar nog slechts vier-en-twintig uren, wanneer de wind draaide en

uit volle zee op de riviermonding stond."

»Dat is een kans, waarop in dit seizoen niet te vertrouwen valt,"

zei Walter Stannard.

Drie dagen, of in het gunstigste geval nog vier-en-twintig uren! O, wat

was dat nog eene lange tijdsruimte voor de bewoners van Castle-House!

En wanneer de geconfedereerden middelerwijl tot het besef zouden

komen, dat zij de stad niet zouden kunnen verdedigen, en wanneer zij

haar dientengevolge ontruimden, zooals zij de havenplaats Fernandina,

het fort Clinch en zoovele andere plaatsen van noordelijk Florida en

van Georgië ontruimd hadden, zou Texar dan niet met hen vluchten? En

waar zou men hem dan moeten gaan opsporen?

Van een anderen kant hem in dit oogenblik gaan aanvallen, nu hij

heer en meester te Jacksonville was, nu het grauw hem bij alle

zijne gewelddadigheden hielp en steunde; neen, dat was en bleef

onmogelijk. Daarop viel niet meer terug te komen. Dat begreep iedereen.

Master Walter Stannard vroeg toen aan Gilbert, of het waar was, dat de

federalistische troepen in het noorden wederwaardigheden ondervonden

hadden en wat er van de nederlaag te Bentonville aan was?

De jeugdige officier gaf een overzicht van den stand van zaken en

eindigde aldus:

»De overwinning te Pea-Ridge behaald, heeft aan de troepen van Generaal

Curtis veroorloofd, het terrein, dat zij kortstondig verloren hadden,

te hernemen. De toestand der Noordelijken mag uitmuntend heeten en de

einduitslag of beter het eindwelslagen is verzekerd. Wanneer? Ja, dat

tijdstip is moeielijk te bepalen of ook maar te voorzien. Wanneer zij

de voornaamste punten van Florida zullen bezet hebben, dan zullen zij

de oorlogscontrabande kunnen beletten, die nu op zeer vele punten van

het kustland gedreven wordt. Als dat zal kunnen geschieden, dan zullen

weldra zoowel de wapens als de munitie aan de geconfedereerden gaan

ontbreken. Dus dit grondgebied zal binnen kort onder de bescherming

van ons eskader de rust en veiligheid herkregen hebben!... Binnen

kort... Ja... over ettelijke dagen!... Maar, wat kan er in dien

tusschentijd gebeuren?..."

Toen rezen hem de talrijke gevaren voor den geest, waaraan zijn zusje

blootgesteld was en kwam de zucht, om heen te ijlen en haar te gaan

wreken, weer zoodanig bij hem op, dat James Burbank zich genoodzaakt

zag, ten einde hem van dat denkbeeld af te brengen, het gesprek weer op

de oorlogvoerende partijen te brengen. Gilbert kon hen toch nog veel

mededeelen van de gebeurtenissen, die noch te Jacksonville vernomen,

althans niet naar Camdless-Bay overgebracht waren.

En werkelijk, er waren feiten gebeurd die van zeer groot belang waren,

vooral voor de federalistisch gezinde bewoners van den Staat Florida.

De lezer zal zich herinneren, dat de Staat Tennessee, als gevolg

van de overwinning te Donelson, geheel en al onder het bestuur der

Unionistische regeering was teruggekeerd. Deze was er nu op bedacht,

zich door de samenwerking van haar landleger en hare vloot, van den

geheelen loop der Mississippi meester te maken. Dientengevolge waren

de federalisten dien stroom tot bij het eiland nummer 10 afgezakt,

alwaar zij met de troepen van den Generaal Beauregard, wien de

verdediging van den stroom was opgedragen, in botsing zouden komen.

Reeds op den 24sten Februari waren de brigades van den Generaal Pope,

die te Commercie op den rechteroever van de Mississippi ontscheept

waren, er in geslaagd het legerkorps van den Generaal John Thomson

terug te dringen. Het is waar, dat, toen zij in de nabijheid van

het eiland nummer 10 en van het dorp New-Madrid gekomen waren,

zij tegengehouden werden door een zeer sterk stelsel van redoutes

of gesloten versterkingen, tot dat doel door Generaal Beauregard

aangelegd.

Maar al moesten ook, sedert dat Donelson en Nashville door de

Noordelijken genomen waren, al de positiën langs de rivier, boven

Memphis gelegen, als verloren voor de Zuidelijken beschouwd worden,

zoo konden die, meer benedenstrooms gelegen, nog verdedigd worden.

Het was dan op dit punt, dat een slag geleverd zou worden, die

misschien beslissend zoude zijn.

Intusschen was de reede van Hampton Road, in de monding van de

James-Rivier, het tooneel van een gedenkwaardig gevecht geweest. Bij

dat gevecht kwamen de eerste staaltjes van die gepantserde vaartuigen,

welker gebruik de geheele zeetaktiek veranderd en den aard van den

bouw der oorlogsvaartuigen van al de maritieme rijken van de beide

halfronden gewijzigd hebben, tegenover elkander.

Op den 5den Maart hadden de Monitor, een pantserschip door den

Zweedschen ingenieur Erikson, en de Virginia, vroeger Merrimac genaamd,

thans getransformeerd, het anker gelicht en waren vertrokken, het

eerstgenoemde vaartuig van New-York en het andere van Norfolk.

Op dat tijdstip lag eene divisie federalistische vaartuigen, vereenigd

onder de bevelen van den kapitein ter zee Marston, te Hampton Road,

in de nabijheid van Newport-News ten anker. Die scheepsafdeeling

bestond uit de zeilfregatten Congress, de Sint Laurens, de Cumberland

en verder uit twee stoomvaartuigen.

Eensklaps verscheen in den morgen van den 2den Maart de Virginia,

die door den kapitein der geconfedereerden Buchanan gekommandeerd

werd. Gevolgd door een paar andere schepen van minder belangrijkheid,

wierp dat vaartuig zich eerst op de Congress, vervolgens op

de Cumberland, die hij met zijn spoor in de zijde liep, zoodat

dit fregat met honderd en twintig man van zijne equipage in de

diepte wegzonk, welke lieden hun graf in de golven vonden. Toen zich

andermaal naar de Congress wendende, die, om het gevaar te ontkomen,

op eene modderige ondiepte geloopen was, beschoot de Virginia haar met

granaten, vernielde als het ware dit vaartuig door dat vuur en stak

het ten slotte in brand. Alleen de nacht belette, dat ook de drie

andere vaartuigen van de federalistische scheepsafdeeling vernield

werden. Deze konden onder begunstiging van de duisternis de vlucht

nemen en eene veilige haven opzoeken.

Men zou zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken van den indruk,

door die volledige overwinning van zoo'n klein gepantserd vaartuig

bij dien strijd tegen de grootste oorlogsschepen van de Vereenigde

Staten van Noord-Amerika gevoerd, door de geheele beschaafde

wereld, maar vooral in het grondgebied der oorlogvoerende partijen

teweeggebracht. Bij de eene, bij de Noordelijken en hunne aanhangers,

veroorzaakte zij eene diepe verslagenheid, omdat het aan een nietig

vaartuigje als de Virginia mogelijk was geweest tot in de Hudsonrivier

de schepen van New-York te komen rammen.

Bij de andere partij, bij de Zuidelijken, en alle slavenhoudende

Staten veroorzaakte zij eene buitengewone vreugde en hoop. Men zag

toch reeds in de verbeelding de zoo gehate blokkade verbroken en

opgeheven en den handel weer vrij en verlevendigd langs de kusten

der zoo geteisterde landstreken.

Het was inderdaad dat buitengewone succes, dat daags te voren te

Jacksonville zoo luidruchtig gevierd was.

De geconfedereerden mochten nu toch hopen, dat zij voor den aanval der

vaartuigen van het federalistische gouvernement veilig waren. Want

onmogelijk was het toch niet, dat het eskader van den Commodore

Dupont, ten gevolge van de overwinning te Hampton Roads, dadelijk

naar de Potomac- of Chesapeake-monding teruggeroepen zoude worden.

Geen debarkement van vijandelijke troepen zou dan meer voor Florida

te duchten zijn. De denkbeelden der slavenhoudende planters, gesteund

door het meest woeste gedeelte van de bevolking der Zuidelijke Staten,

zouden zonder verdere hinderpalen zegevieren!

Dat zou de bevestiging van Texar en zijne aanhangers zijn in een

toestand, waarin zij zooveel kwaad doen en zooveel onheil stichten

konden!

Intusschen had men zich bij de geconfedereerden te zeer gehaast om

victorie te kraaien.

Want, er waren toch latere berichten, die in Noord-Florida reeds

bekend waren, en die Gilbert Burbank vernomen had juist toen hij de

kanonneerboot van den gezagvoerder Stevens wilde verlaten en thans tot

geruststelling zijner familiebetrekkingen en vrienden kon mededeelen.

Inderdaad, den tweeden dag na het scheepsgevecht van Hampton Roads had

een ander plaats, dat eene andere uitkomst had, geheel verschillend

met die van het eerstgenoemde.

In den ochtend van den 9den Maart, op het oogenblik dat de Virginia

zich gereed maakte op het federalistische stoomfregat Minnesota,

hetwelk deel uitmaakte van de scheepsmacht van Hampton Road, in te

loopen en met zijn spoor in den grond te boren, verscheen een vijand,

welks tegenwoordigheid het geconfedereerde pantserschip zelfs niet

vermoed had. Het was een zonderling vaartuigje, dat zich als het ware

van de flanken van het fregatschip losmaakte.

»Het is net een kaasstolp op een vlot," zeiden de geconfedereerden.

Maar die kaasstolp was de Monitor, die door den luitenant ter

zee Warden gekommandeerd werd. Dat vaartuig was naar deze wateren

heengezonden, om de strandbatterijen der Potomac te beschieten en te

vernielen, maar bij de uitwatering van de James-Rivier gekomen, had

luitenant Warden het kanongebulder van Hampton Road vernomen en van

den nacht gebruik makende, was het hem gelukt ongemerkt het strijdperk

te naderen en zich achter de Minnesota verdekt op te stellen.

Op tien meter afstand van elkander gekomen, begonnen die beide geduchte

oorlogsgevaarten elkander met al hun geschut te beschieten. Dat vuur

duurde vier uren, maar bleef zonder uitwerking. De vaartuigen liepen

elkander herhaaldelijk aan boord en poogden elkander met den ram

te treffen, maar tevergeefs. De bewegingen van den bedreigde waren

steeds zoo snel en zoo wel uitgevoerd, dat een gevaarlijke schok of

stoot vermeden werd.

Eindelijk werd de Virginia, die slechts tot aan de waterlijn gepantserd

was, daar beneden gevaarlijk getroffen. Zij dreigde te zinken en was

verplicht zich door de vlucht in de richting van Norfolk te redden.

De Monitor, die zelf negen maanden later zou zinken, had zijn

tegenstander volkomen overwonnen, en het was aan dat vaartuig te

danken, dat het federalistisch gouvernement zijne meerderheid in de

wateren van Hampton-Road kon hernemen.

»Neen, vader," zei Gilbert Burbank, terwijl hij zijn verhaal eindigde,

»ons eskader is niet naar het noorden teruggeroepen geworden. De

kanonneerbooten van Stevens liggen in de Sint John voor de tweede

bank ten anker."

»Wachten!... steeds wachten!" prevelde master Walter Stannard.

»Ja, helaas... wachten... Maar, ik herhaal het u, uiterlijk over

drie dagen zullen wij Jacksonville bemachtigd hebben. Wees daar

verzekerd van!"

»Gij ziet dus, Gilbert," sprak James Burbank, »dat ook gij moet

wachten en dat gij naar boord van uwe kanonneerboot moet terugkeeren."

Gilbert antwoordde daarop niet, maar boog toestemmend met het hoofd.

»Maar," vervolgde zijn vader, »vreest gij niet dat, terwijl gij naar

Camdless-Bay roeidet, gij bespied, gevolgd zijt geworden?..."

»Neen, vader," antwoordde de jeugdige officier. »Mars en ik zijn aan

aller oog ontsnapt. Daar ben ik zeker van."

»En die man?"...

»Welke man?"

»Die u bericht is komen geven van de gebeurtenissen op de plantage,

van de brandstichtingen, van de verwoestingen, van de plunderingen,

van de ziekte uwer moeder. Wie is hij?"

»Dat weet ik niet."

»Weet gij dat niet?"

»Neen. Hij heeft mij alleen gezegd, dat hij een lichtwachter van

den vuurtoren van Pablo geweest is, die door de autoriteiten van

zijn post ontzet en weggejaagd is. Hij kwam den kommandant Stevens

verwittigen van het gevaar, dat de Noordelijk-gezinden in dit gedeelte

van Florida liepen."

»Wist hij, dat gij aan boord van de kanonneerboot waart?" vroeg James

Burbank bezorgd.

»Neen, vader."

»Niet?"

»Neen. Hij scheen zich zelfs over mijne aanwezigheid te verbazen,"

antwoordde de jeugdige officier. »Maar waarom toch al die vragen,

beste vader?"

»Omdat ik waarlijk ducht, dat u een valstrik door Texar gespannen is."

»Een valstrik, vader?"

»Ja, hij doet meer dan op gissing afgaan; hij weet zeker dat ge in

dienst van de federalistische krijgsmacht zijt."

»Zou dat?... Maar dan weet hij nog niet, dat ik aan boord van een

der vaartuigen van dit eskader ben..."

»Dat kan hij vernomen hebben."

»Van wien?"

»Ja, wie weet?... Maar als hij weet, dat gij onder de bevelen van

den kommandant Stevens staat... dan is het niet onmogelijk, dat hij

u hierheen heeft gelokt."

»Vrees niets, vader. Mars en ik zijn op Camdless-Bay aangekomen, zonder

door iemand gezien te zijn, terwijl wij de rivier oproeiden. En wees

verzekerd, dat wij onze maatregelen zullen nemen, om even onbemerkt

weer heen te gaan..."

»Waarheen?" vroeg de vader met driftigen angst.

De jonge officier antwoordde niet dadelijk. Hij scheen zich te

bedenken.

»Om naar boord terug te keeren, niet waar?..." vervolgde zijn vader,

terwijl hij Gilberts hand greep.

»Dat heb ik u beloofd, vader," was het kalme antwoord. »Ja, Mars en

ik gaan naar boord en morgen vóór het aanbreken van den dag zullen

wij daar terug zijn."

»Hoe laat wilt gij vertrekken?"

»Als de eb ingetreden zal zijn, dat wil zeggen: tegen half drie in

den ochtend."

»Maar zou vóór dien tijd?..." begon Edward Carrol.

»Wat bedoelt gij?" vroeg James Burbank. »Spreek."

»Zou het niet mogelijk zijn, dat de kanonneerbooten van den kommandant

Stevens geen zoolang oponthoud zullen ondervinden voor de bank van

de Sint John als Gilbert wel meent?"

»Ja!..." antwoordde de jeugdige officier. »Het zou voldoende zijn

dat de zeewind wat aanwakkerde, om voldoend diep water op de bank

te hebben."

»Och, dat dit toch geschiede!" zuchtte James Burbank, zijn vader.

»Ja, en al moest er een storm blazen!" zei Gilbert. »Dat hij kome! Uit

dien hoek zal hij welkom zijn!"

»Ja, welkom!" kreet Mars met rauwe stem.

»Dan zouden wij met die ellendelingen kunnen afrekenen," dreigde

Gilbert. »Dan..."

»Dan, dan zal ik Texar vermoorden!" brulde Mars, terwijl hij zijne

woorden met een ontzettend gebaar aanvulde.

Het was toen iets over middernacht. Gilbert Burbank en Mars zouden

Castle-House eerst tegen twee uren verlaten. Zij moesten toch het

intreden der eb afwachten, om de flottilje van den kommandant Stevens

te kunnen bereiken.

De duisternis zou dan zeer groot zijn en dan waren de kansen het

allergunstigst om onbemerkt tusschen de vele vaartuigen, die de

opdracht hadden de Sint John beneden Camdless-Bay te bewaken, door

te sluipen.

De jeugdige officier ging toen naar de kamer zijner moeder. Toen

hij binnentrad, zat miss Alice bij het hoofdeneind van het

ledikant. Mevrouw Burbank, die uitgeput was door de laatste

krachtsinspanning, die zij volvoerd had, was in eene soort van zeer

pijnlijke verdooving geraakt, althans te oordeelen naar de snikken,

die aan hare borst ontsnapten.

Gilbert wilde dien staat van verdooving, die meer aan neerslachtigheid

en uitputting dan wel aan een gerust slapen te wijten was, niet

storen. Hij zette zich, nadat miss Alice hem met de hand een teeken

gegeven had, om niet te spreken, naast het bed neder.

Daar zaten zij te zamen en waakten stilzwijgend bij die rampzalige

vrouw, die zoozeer door het ongeluk vervolgd was en misschien nog

zou worden!

Hadden die twee jongelieden woorden noodig om hunne gedachten te

vertolken?

Waarlijk neen; zij gevoelden dezelfde smarten, zij begrepen elkander,

al uitten hunne monden geen woord, zij spraken tot elkander door

het hart.

Eindelijk was het oogenblik aangebroken, om Castle-House te

verlaten. Gilbert Burbank reikte aan miss Alice de hand en beiden

bukten zich over mevrouw Burbank, die daar bewusteloos en met half

gesloten oogen terneerlag en die twee jongelieden derhalve niet

kon zien.

Toen drukte Gilbert een kus op het voorhoofd zijner moeder, waarna

het jonge meisje hetzelfde op dezelfde plaats deed. Mevrouw Burbank

ondervond als eene pijnlijke rilling, die haar door de ledematen voer;

maar zij zag haren zoon niet heengaan, ook niet dat miss Alice hem

volgde, om hem nog eens de hand te drukken en een laatst vaarwel

te zeggen.

Gilbert en het jonge meisje vonden James Burbank, Walter Stannard

en Edward Carrol in de hal van het heerenhuis terug, welke zij niet

verlaten hadden.

Mars, die naar buiten getreden was, om den omtrek van Castle-House

te verkennen, kwam in dit oogenblik terug.

»Het is tijd!" zei hij.

Gilbert keek hem als wezenloos aan. Hij was met zijne gedachten elders.

»Het is tijd om te vertrekken," herhaalde Mars.

»Ja, Gilbert," hernam James Burbank. »Het is tijd; draal dus

niet. Vertrek..."

»Vader!..."

»Geen verteederingen, mijn zoon! Vertrek... en te Jacksonville zullen

wij elkander wederzien!"

»Ja!... te Jacksonville," antwoordde de zoon, »en morgen reeds

wellicht, wanneer de vloed flink komt doorzetten en veroorloven zal,

dat wij de bank overstevenen!"

»Dat God je verhoore, mijn Gilbert!"

»En wat Texar betreft..."

»Wij moeten hem levend in handen hebben! Levend!... Denk er aan,

Gilbert!"

»Ja!... Levend!..."

De jonge man omhelsde zijn vader, wisselde een handdruk met zijn oom

Edward Carrol, en met Walter Stannard, den vader van miss Alice.

Daarop zei hij met vastberaden stem:

»Kom Mars!"

En beiden traden naar buiten en stapten langs den rechteroever der

Sint John, die daar de plantage begrensde, voort en volgden haar

gedurende een half uur. Zij ontmoetten gelukkig niemand op hun weg.

Bij de plek gekomen, waar zij hunne giek tusschen de biezen verstopt

hadden, stapten zij in het vaartuigje en brachten het zoo spoedig

mogelijk in den vollen stroom, die hen met de meeste snelheid naar

de bank in de Sint John zoude voeren.

XIV.

OP DE SINT JOHN.

De oppervlakte van den stroom was eenzaam in dit gedeelte van zijn

loop.

De strijd tusschen Noord en Zuid Deel 1: Overrompeling eener plantage · 第 16 / 19 段