Door dien geneesheer, die dagelijks op Camdless-Bay kwam, kreeg James

Burbank geregeld tijdingen en werd hij zoo op de hoogte gehouden van

hetgeen zoowel te Jacksonville als in het noordelijk gedeelte van

het graafschap Duval gebeurde.

De federalistische krijgsmacht had nog geene nieuwe demonstratie

tegen het Floridasche grondgebied ondernomen. Dat was onbetwistbaar.

Waren nu bijzondere voorschriften door de Regeering te Washington

uitgevaardigd, waarbij bevolen werd om op de grens halt te houden en

haar niet te overschrijden?

Dat zou eene rampvolle beslissing geweest zijn voor de belangen der

Unionisten, die op het grondgebied der Zuidelijken gevestigd waren. Zij

zou vooral noodlottig voor James Burbank zijn, wiens toestand, door

zijne laatste zoo vijandige daden tegenover de geconfedereerden,

toch reeds zoo hachelijk te noemen was.

Maar om het even, het smaldeel van den Commodore Dupont bevond zich nog

in de monding der Sint Mary en had nog geene voorwaartsche beweging

beproefd. Dat de lieden van Texar in den avond van den tweeden Maart

door drie kanonschoten waren teruggeroepen, was veroorzaakt geworden

doordat de autoriteiten zich door een valsch bericht hadden laten

beetnemen. Dat bericht was evenwel aan de verongelijkten zeer te

stade gekomen, dewijl daardoor de geheele verwoesting en plundering

van Castle-House voorkomen was geworden.

Maar.... dacht de ellendige Spanjaard er niet aan om dien rooftocht

te hervatten?

Hij voor zich moest het er toch voor houden, dat zijne wraakoefening

onvolkomen was, daar James Burbank zich niet in zijne handen

bevond. Die veronderstelling kon als weinig waarschijnlijk aangenomen

worden. Ongetwijfeld zou de verwoesting der plantage, de aanval op

Castle-House en de ontvoering van Zermah en van de kleine Dy hem

volledige genoegdoening verschaffen en zijne inzichten bevredigen.

Daarenboven, eenige goedgezinde ingezetenen hadden niet geschroomd

hunne afkeuring over het gebeurde op Camdless-Bay luide uit te

spreken, en hunnen afkeer voor het opperhoofd van de muitelingen van

Jacksonville aan den dag te leggen. Dat kon evenwel niet veel baten

en vooral kon dat Texar geene zorgen baren, daar die goedgezinden de

minderheid uitmaakten.

De Spanjaard en zijne woeste aanhangers waren dus machtiger dan ooit

in het graafschap Duval. Die troep leegloopers, die gewetenlooze

gelukzoekers handelden alsof niets ter wereld hen kon deren. Zij

brachten de dagen door met feestvieren, hetgeen veelal in walgelijk

brassen ontaardde. Zij maakten daarbij dan zoo'n geweld, dat hun

spektakel tot op Camdless-Bay vernomen werd; terwijl intusschen het

uitspansel den glans van de talrijke illuminatiën weerkaatste en wel

zoodanig, dat men andermaal aan brandstichting kon gelooven.

Ja, de schrik zat er op Castle-House nog in.

De bedaagde en gematigde lieden waren in die omstandigheden genoodzaakt

te zwijgen en moesten zich het juk van die ellendelingen, die door

het grauw van het graafschap gesteund werden, laten welgevallen.

Inderdaad, de tegenwoordige werkeloosheid van de federalistische

krijgsmacht kwam de nieuwe autoriteiten van Jacksonville bijzonder

wel te stade. Zij maakten behendig gebruik van die omstandigheid,

om het gerucht te verbreiden, dat de Noordelijken de grens van

Florida niet zouden overschrijden, dat zij integendeel reeds bevel

uit Washington ontvangen hadden, om Georgië en de beide Carolina's te

ontruimen, zoodat het Floridasche schiereiland niet aan den inval der

legerscharen van de anti-slaven-gezinden zoude blootgesteld zijn. Voor

dit laatste was volgens die oproerkraaiers eene afdoende reden,

namelijk dat de Staat Florida in zijne hoedanigheid van weleer eene

Spaansche volksplanting te zijn geweest, buiten den kring der Staten

viel, wier belangen door de Unie door middel van wapengeweld konden

beslecht worden. Deze en meer dergelijke praatjes werden natuurlijk

voor goede munt opgenomen.

Het gevolg daarvan was, dat zich in al de graafschappen eene strooming,

eerder gunstig dan nadeelig, voordeed ten aanzien der denkbeelden,

welke die woestelingen predikten. Die openbare meening werd vertolkt

door de gruwelen, die allerwege gepleegd werden, en op vele plaatsen,

maar vooral in het noordelijk gedeelte van Florida, aan den kant der

grenzen van Georgië, werden plantage-bezitters, wanneer het mannen

waren, uit de federalistische streken afkomstig, zeer mishandeld,

hunne slaven op de vlucht gedreven, hunne houtzaagmolens, hunne

timmerwerven in brand gestoken en hunne ondernemingen door de troepen

der geconfedereerden verwoest, zooals dat met Camdless-Bay door het

grauw van Jacksonville, gesteund door een afdeeling militie-troepen,

geschied was.

Intusschen bleek het niet, dat de plantage--althans voorshands--een

nieuwen inval en Castle-House een nieuwe belegering te duchten

had. Toch begon James Burbank ongeduldig te worden ten aanzien van de

inbezitneming van het Floridasche grondgebied door de federalistische

troepen. Die draalden hem te lang. Bij den tegenwoordigen staat van

zaken was toch tegen Texar direct niets uit te voeren. Hoe zou het

mogelijk zijn, hem in deze omstandigheden voor de rechtbank te dagen

voor feiten, die hij ditmaal wel is waar niet zoude kunnen loochenen,

maar waaromtrent toch geen recht zoude gesproken worden? Hoe zou men

hem kunnen nopen de plaats te openbaren, waar hij de kleine Dy en

Zermah gevangen hield?

Welk een reeks van angstige gevoelens moesten James Burbank,

zijne echtgenoote en vrienden niet ondervinden door die eindelooze

vertragingen! Toch konden zij niet aannemen, dat de federalistische

troepen op de grens van Florida onbeweeglijk zouden blijven. De laatste

brief van Gilbert Burbank meldde toch bepaald, dat het doel van den

krijgstocht van den Commodore Dupont en van den Generaal Sherman

was: Florida met hunne scheepsmacht en troepen te bezetten. Zou nu

het federalistisch gouvernement sedert het afzenden van dien brief

op zijne besluiten terug zijn gekomen en tegenbevelen naar de baai

van Edisto gezonden hebben, waar het smaldeel het gunstige tijdstip

om zee te kunnen kiezen verbeidde? Had een welgeslaagd wapenfeit,

door de geconfedereerde troepen in Virginia of in een der beide

Carolina's behaald, de legermacht der Unie genoodzaakt haren tocht

naar het zuiden te staken?

Welke voortdurende onrust voor die familie toch, die reeds van het

uitbreken van dezen rampzaligen oorlog af zoo beproefd was geworden! En

op hoevele rampvolle gebeurtenissen moest zij zich niet nog voorbereid

houden!

Zoo verliepen de vijf eerste dagen, die op het noodlottige etmaal

van den inval in Camdless-Bay volgden.

Geen enkele tijding werd ontvangen nopens de maatregelen, welke de

federalisten dachten te nemen. Geen enkele tijding kwam er van de

kleine Dy of van Zermah in, hoewel James Burbank geen enkele poging

onbeproefd had gelaten, om die twee op het spoor te komen, hoewel

geen enkele dag voorbij was gegaan, zonder dat in de eene of andere

richting verkenningen en nasporingen gedaan waren.

Zoo bereikte men den 9den Maart.

Edward Carrol was toen geheel genezen. Hij kon weder deelnemen aan

de veelvuldige tochten, die door zijne vrienden beraamd en uitgevoerd

werden.

Mevrouw Burbank verkeerde steeds in een staat van onrustbarende

zwakheid. Het was alsof hare levensvonk met hare tranen dreigde te

vervlieten. In hare ijlhoofdigheid riep zij met hartverscheurende

stem om haar dochtertje en wilde naar buiten om haar op te zoeken. Die

telkens terugkeerende crisissen eindigden steeds met een zenuwtoeval,

waardoor haar leven in gevaar gebracht werd.

Hoeveel keeren vreesde miss Alice toch, dat die rampzalige moeder

den laatsten adem in hare armen zoude uitblazen!

Een enkel bericht van het oorlogstooneel werd in den ochtend van

den 9den Maart te Jacksonville aangebracht. Ongelukkig was het van

dien aard, dat het de denkbeelden van de afscheidingspartij van de

Unie stijfde.

Volgens dat bericht zou de Generaal Van Doorn der geconfedereerden,

de federalistische troepenmacht onder Generaal Curtis op den 6den

Maart bij het gevecht te Bettonville in den Staat Arkansas geslagen

en tot een volledigen terugtocht genoodzaakt hebben. In waarheid

had slechts een onbeduidend achterhoedegevecht plaats gehad van eene

kleine legerafdeeling der Noordelijken, waarbij dezen het onderspit

gedolven hadden. Maar die nederlaag werd eenige dagen later ruimschoots

opgewogen door de overwinning te Pea-Ridge.

Dat kleine voordeel te Bettonville evenwel was voldoende om de

overmoedige houding der Zuidelijken te verhoogen. Te Jacksonville

vooral werd die onbeduidende achterhoede-schermutseling als eene

volkomene nederlaag der federalistische legermacht voorgesteld. Dit gaf

weer aanleiding tot feestvieringen, tot braspartijen en uitspattingen,

waarvan het spektakel tot bij de droefgeestige bewoners van

Castle-House doordrong.

Zie hier welke tijdingen James Burbank, toen hij tegen zes uren des

avonds van eene verkenning op den linkerrivieroever op Camdless-Bay

wederkeerde, vernam:

Een ingezetene van het naburige graafschap Putnam, meende sporen

der ontvoering van de kleine Dy en Zermah ontdekt te hebben op het

innerlijke gedeelte van een eilandje, in de Sint-John eenige mijlen

bovenstrooms van de Zwarte-Kreek gelegen. Gedurende den afgeloopen

nacht meende die man een wanhopig hulpgeroep gehoord te hebben,

en het was dat feit, hetwelk hij ter kennis van James Burbank kwam

brengen. Daarenboven, de Indiaan Squambô, de bekende vertrouweling

van Texar, was in die buurt met zijn squif gezien geworden. Dat was

ontwijfelbaar, en die bijzonderheid werd ten volle bevestigd door een

passagier van de Shannon, die van Sint-Augustijn terugkeerende, dien

dag aan de pier van de kleine havenkom van Camdless-Bay ontscheept was.

Meer was er niet noodig om James Burbank er toe aan te zetten, dat

spoor te volgen. Hij en Edward Carrol, vergezeld van twee negers,

bestegen eene sloep en roeiden ijverig de rivier op. In de nabijheid

gekomen, staken zij naar het bedoelde eilandje over en onderzochten

het zorgvuldig. Zij drongen zelfs eenige visschershutten binnen,

die evenwel sedert eenigen tijd bleken onbewoond te zijn. Onder

het schier ondoordringbare weelderige struikgewas van het eilandje

werd geen enkel spoor van een menschelijk wezen aangetroffen. Op de

oevers duidde niets ter wereld aan, dat iemand daar aan land gekomen

was. Squambô werd nergens ontwaard, en was hij in zijn squif gezeten,

in de nabijheid van het eilandje ontwaard, dan was hij er zeker niet

op ontscheept.

Die tocht bleef dus als zoovele anderen geheel zonder gevolgen; men

moest naar de plantage terugkeeren met de overtuiging, dat men ook

ditmaal door een onwaar bericht op een valsch spoor gebracht was.

James Burbank, Walter Stannard en Edward Carrol zaten des avonds bij

elkander in de hal van Castle-House en bespraken die vruchtelooze

poging en wat er de aanleidende oorzaak van geweest was. Miss Alice

Burbank kwam tegen negen uren, toen mevrouw Burbank meer in eene

sluimering dan wel in slaap geraakt was, zich voor een oogenblik bij

hen voegen en vernam den vruchteloozen uitslag van den tocht.

De nacht was zeer duister. De maan, die wassende en in het eerste

kwartier was, was reeds onder den gezichteinder verdwenen. Eene diepe

stilte heerschte rondom Castle-House, alsook over de geheele plantage

en over de gansche oppervlakte der rivier. De weinige negers, op het

heerenhuis aanwezig en in de bijgebouwen gehuisvest, waren op het

punt om in slaap te geraken, toen plotseling de stilte door een ver

verwijderd gerucht afgebroken werd. Heftig geschreeuw werd gehoord,

losbarstingen en knallen als van vuurwerk werden in de richting van

Jacksonville vernomen, alwaar men toen de zoogenaamde overwinningen

van de geconfedereerden met de meeste luidruchtigheid vierde.

Telkenmale wanneer die losbarstingen en dat geschreeuw in de hal van

Castle-House vernomen werden, was het alsof der familie Burbank een

nieuwe slag werd toegebracht.

»Wat mag dat toch zijn, vader?" vroeg miss Alice, die angstig

luisterde.

»Ik weet het niet, mijne dochter," antwoordde Master Walter Stannard.

»Ik ook niet," zei James Burbank zeer ongerust.

»Mij dunkt, het is vreugdegejuich," zei Edward Carrol.

»Ja, het zijn vreugdeschoten, het is het geknetter van vuurwerk,"

zei Walter Stannard.

»Zouden er slechte tijdingen zijn?"

»Wie weet!"

»Wij dienen toch op de hoogte te zijn van hetgeen er gebeurt," zei

Edward Carrol.

»Zeker."

»En trachten te weten te komen, of de federalistische-legerafdeeling

van de bezetting van Florida heeft afgezien."

»Ja, dat moet," zei James Burbank.

»Wij kunnen onmogelijk in die onzekerheid blijven!" vervolgde Walter

Stannard.

»Welnu," zei James Burbank, »ik zal morgen ochtend naar Fernandina

gaan en... daar zal ik berichten inwinnen... wanneer althans de

havenplaats nog in handen der federalisten is."

»Zou dat niet al te gevaarlijk zijn, James?" vroeg Walter Stannard.

»Om het even; het moet!"

In dat oogenblik werd zacht op de hoofddeur van Castle-House geklopt,

die toegang verleende tot de bamboelaan, die naar den oever der Sint

John voerde.

Een kreet ontsnapte aan miss Alice. Het jonge meisje sprong op en

vloog naar de deur, in weerwil van de poging van James Burbank,

die haar wilde grijpen om haar te weerhouden.

Maar daar van binnen nog geen antwoord verleend was, werd andermaal

geklopt, doch thans duidelijker.

XIII.

GEDURENDE EENIGE UREN.

James Burbank was ook naar de deur toegetreden. Hij verwachtte in

dit oogenblik niemand.

Maar... wellicht werd hem een belangrijk bericht van Jacksonville door

John Bruce vanwege zijn correspondent, den heer Harvey, aangebracht!

Een derde maal werd op de deur geklopt, thans echter met ongeduldige

hand.

»Wie is daar?" vroeg James Burbank.

»Ik!" kreeg hij ten antwoord.

»Ik?... Wie is die ik?"

»Ik!"

»Gilbert!" kreet miss Alice.

Ja, zij had zich niet vergist. Haar hart had het geraden.

Gilbert te Camdless-Bay!... Gilbert te midden der zijnen, overgelukkig

om eenige uren in hun midden te komen doorbrengen en natuurlijk geheel

onbekend met de rampen, die hen getroffen hadden!

In een oogwenk lag de jonge man in de armen zijns vaders, die hem

aan de borst klemde. Een man vergezelde hem; deze sloot zorgvuldig

de deur, na een bespiedenden blik naar buiten geworpen te hebben.

Dat was Mars, de echtgenoot van Zermah, de toewijdingsvolle mesties

van den jongen Gilbert Burbank.

Toen hij zijn vader omhelsd had, keerde Gilbert zich om. Hij ontwaarde

toen miss Alice. Hij greep hare hand en drukte die met innige maar

onweerstaanbare teederheid.

»Maar, mijne moeder?" vroeg hij. »Waar is mijne moeder?.... Is het

waar, dat zij ziek, dat zij stervende is?"

»Gij weet dus, mijn zoon?...." vroeg James Burbank.

»Ik weet alles, vader!"

»Alles?... Ook de vernieling der plantage door de bandieten van

Jacksonville?... Ook den aanval op Castle-House?..."

»Ja, vader!... Maar, mijne moeder?... mijne moeder?... Zij is toch

niet dood?"

»Neen, Gilbert! Neen, goede jongen. Zij is niet dood! Stel u gerust."

De aanwezigheid van den jongen man in deze streek, alwaar hij

persoonlijk zooveel gevaar liep, vond thans hare gereede verklaring,

niet waar?

Ziehier, wat er gebeurd was.

Sedert den vorigen dag waren ettelijke kanonneerbooten van het

eskader van den Commodore Dupont, in weerwil van den buitengewoon

lagen waterstand op de bank buiten de rivier, de monding der Sint John

binnengedrongen. Na eenigen tijd stroomopwaarts gestevend te hebben,

waren zij genoodzaakt geweest voor eene tweede bank op vier mijlen

beneden Jacksonville halt te houden en ten anker te komen. Weinige

uren later was er een man aan boord van de kanonneerboot van den

gezagvoerder Stevens gekomen, waarop Gilbert Burbank als eerste

officier dienst deed. Die man gaf te kennen, dat hij lichtwachter op

den vuurtoren van Pablo was, en deelde alles mede, wat te Jacksonville

voorgevallen was, alsook den inval, waaraan Camdless-Bay blootgesteld

had gestaan, de uiteenjaging der negers en den wanhopigen toestand,

waarin mevrouw Burbank zich bevond.

De lezer kan oordeelen, wat er in het gemoed van Gilbert Burbank

omging, toen hij het verhaal van die betreurenswaardige gebeurtenissen

vernam.

Toen overviel hem een onweerstaanbare begeerte, om zijne innig geliefde

moeder weer te zien.

Hij vroeg en verkreeg verlof van den gezagvoerder Stevens, om

de flottilje te mogen verlaten. Hij steeg in een van die kleine

vaartuigen, die gieken genoemd worden, en vergezeld van zijn getrouwen

Mars, slaagde hij er in,--zooals hij althans meende,--onopgemerkt

te midden der duisternis voort te spoeden. Hij voer naar den wal en

verliet het vaartuigje op een halve mijl afstands van Camdless-Bay,

om te vermijden in de kleine havenkom aan te leggen, die voorzeker

bewaakt en bespionneerd zoude zijn.

Maar, wat hij niet wist en ook niet weten kon, was dat hij in een

strik gevallen was, die hem door den laaghartigen Texar met de meeste

behendigheid gespannen was.

De Spanjaard had besloten, het mocht kosten wat het wilde, dat bewijs

te erlangen, hetwelk door de magistraten van Court-Justice geëischt

was, het bewijs namelijk dat James Burbank, de Noordelijke, de eigenaar

van Camdless-Bay, briefwisseling met den vijand onderhield. Om dan

ook den jongen officier naar de plantage te lokken, had de Spanjaard

een lichtwachter van den vuurtoren te Pablo, die aan hem verknocht

was, opgedragen, naar de kanonneerboot van Stevens te roeien, om aan

Gilbert Burbank een gedeelte der gebeurtenissen mede te deelen, die

op Castle-House voorgevallen waren, maar om hem vooral op de hoogte

te brengen van den onrustbarenden gezondheidstoestand zijner moeder.

Zooals wij weten, was de jeugdige luitenant vertrokken; maar wat hij

alweer niet wist, was dat hij behoorlijk bespied werd, terwijl hij de

Sint John oproeide. Intusschen was hij er toch in geslaagd, door vlak

langs het dichte riet en de biezen, die zich op den oever der rivier

bevonden, te roeien, de verspieders van den Spanjaard, die in last

hadden hem te volgen, het spoor bijster te maken. Maar hadden die

spionnen hem ook al niet op den oever beneden Camdless-Bay zien aan

wal stappen, dan hoopten zij toch hem bij zijn terugkeer naar boord in

handen te krijgen en dit niet zonder grond, daar dat benedengedeelte

der rivier door hen en hunne partijgangers stipt bewaakt werd.

»Mijne moeder?... Waar is mijne moeder?" herhaalde Gilbert Burbank

ongerust.

»Hier ben ik, mijn zoon, mijn Gilbert!" antwoordde mevrouw Burbank.

Zij verscheen op het portaal van de trap der hal en klom langzaam naar

beneden, terwijl zij zich krampachtig aan de leuning vasthield. Beneden

gekomen, viel zij uitgeput op een divan neder, maar had toch nog kracht

genoeg om haren zoon, haren Gilbert, die haar met kussen overdekte,

in de armen te sluiten en aan het moederlijk hart te drukken.

In hare sluimering had de zieke op de deur van Castle-House hooren

kloppen. Toen had zij zich reeds opgewekt gevoeld, maar toen zij de

stem van haren zoon herkend had, had zij krachten genoeg gevonden om

op te staan, om naar haren Gilbert te gaan en om met hem en met al

de haren te weenen en de gebeurde zaken te betreuren.

De jonge man klemde haar in zijne armen.

»Moeder!... Moeder!..." sprak hij met ontroerde stem. »Ik zie u dan

toch weer!... O, wat ziet gij er lijdende uit!"

»Dat's niets, mijn jongen," antwoordde de ongelukkige moeder, »zie,

ik leef nog en dat is het voornaamste!"

»Ja, moeder, dat is het voornaamste!... En wij zullen u door onze

zorgen, door onze verpleging genezen!... Ja, dat zullen wij!... O,

de ongeluksdagen zijn thans voorbij!"

»God verhoore je, mijn Gilbert!" bad mevrouw Burbank; terwijl zij

het hoofd van haren zoon in hare handen omklemd hield en hem in de

heldere oogen keek.

»Ja, moeder, wij zullen weldra allen vereenigd zijn!... Gij zult

uwe gezondheid herwinnen!... En wat mij betreft, vrees voor mij

niets!... Niemand dan Mars en ik weten dat wij hierheen gekomen

zijn!..."

En terwijl hij sprak, liefkoosde hij zijne moeder, en trachtte haar

door zijne vroolijke hoopvolle woorden op te beuren. Helaas, hoe

zou de arme vrouw opgebeurd hebben kunnen worden. Slechts een flauwe

treurige glimlach vloog over haar gelaat, terwijl zij de liefkoozingen

haars zoons ontving.

Intusschen scheen Mars te begrijpen, dat noch Gilbert noch hij, de

ramp, die hem en het gansche gezin getroffen had, in haren geheelen

omvang kende. James Burbank en naast hem de heeren Edward Carrol en

Walter Stannard stonden daar stilzwijgend en met gebukt hoofd. Miss

Alice trachtte hare tranen te drogen en kon hare snikken niet

bedwingen. Wat was er dan toch nog gebeurd?

»Maar... waar zou de kleine Dy zijn?" vroeg zich de trouwhartige

kleurling af. »En waar Zermah? Die had moeten raden, dat haar

echtgenoot op Camdless-Bay aangekomen was, dat hij binnen het woonhuis

was, dat hij zijne vrouw wachtte, met ongeduld wachtte..."

Zijn hart kneep te zamen. Een onuitsprekelijke angst overviel

hem. Hij keek rond, onderzocht met den blik iederen hoek der hal,

en het eindelijk niet meer kunnende uithouden, vroeg hij aan master

James Burbank:

»Wat is er toch, meester?"

James Burbank schudde treurig, ja wanhopig het hoofd.

In dit oogenblik wierp Gilbert, na nog eene laatste liefkoozing met

zijne moeder gewisseld te hebben, een blik rondom zich.

»Waar is Dy?"... vroeg hij. »Is kleine Dy reeds te bed?... Maar,

waar is mijn lief zusje dan toch?"

»En waar is mijne vrouw?" vroeg Mars.

Helaas, nu begon een verhaal van het gebeurde, dat, meermalen door

snikken, door onbedwingbare snikken, door geween, door angstgegil,

door wanhoopskreten afgebroken, maar ten slotte toch ten einde gebracht

werd. Toen wisten de jeugdige zeeofficier en Mars alles.

Bij het voortschrijden van den oever der Sint John, van de plek af,

waar hunne sloep hen wachtte, hadden de beide mannen wel bouwvallen op

de plantage in het duister ontwaard. Maar zonder zich daaromtrent veel

te bekommeren, hadden zij de meening gekoesterd, dat de geheele ramp

zich tot een min of meer belangrijke materieele schade, onafscheidelijk

verbonden aan de vrijstelling der slaven, bepaalde!... Thans evenwel

was hen alles bekend. De eene miste zijn zusje; de andere miste zijne

echtgenoote... En niemand kon hen zeggen, waarheen die ellendige

Texar de twee onschuldige wezens in de laatst verloopen zeven dagen

vervoerd had.

Gilbert keerde zich weer naar zijne moeder, knielde naast haar neder

en weende bitterlijk met haar.

Mars daarentegen liep, met hevige als met bloed beloopen oogen,

met hijgende borst op en neder en kon zich onmogelijk bedwingen.

Eindelijk barstte zijn toorn los.

»O, ik zal dien Texar dooden!" riep hij uit. »Ja, ik zal hem

vermoorden!... Ik zal naar Jacksonville gaan... morgen... neen,

dezen nacht nog... dadelijk... oogenblikkelijk..."

»Ja, kom, Mars, kom!..." antwoordde Gilbert.

James Burbank weerhield hen.

»Waar wilt gij heen?" vroeg hij.

»Naar Jacksonville!"

»Zoudt gij dan denken, mijn zoon, dat wanneer dat doenlijk ware,

ik tot uwe terugkomst zoude gewacht hebben?" kreet de wanhopige

vader. »Kunt gij denken, dat ik die taak aan u zou overlaten?... Neen,

bij God! neen! Dan had de ellendeling al lang het kwaad, dat hij ons

gedaan heeft, met zijn leven betaald!..."

»Maar... maar..." wilde Gilbert in het midden brengen.

»Maar wat, mijn zoon?"

»Die aterling kan toch niet ongestraft blijven!"

»Neen, bij God! dat zal hij niet!--Maar eerst zal hij ons moeten

mededeelen, wat hij alleen weet..."

»Vader!..."

»Ja, dat gaat voor! En als ik u en Mars aanmaan om te wachten,"

sprak James Burbank hoogst ernstig, »gelooft mij, dan moet er gewacht

worden!"

» Welnu, het zij zoo, vader! Gij kunt gelijk hebben."

»Ik heb gelijk, Gilbert, geloof mij!"

»Welnu, ik herhaal: het zij zoo! Wij zullen niet naar Jacksonville

gaan. Maar gij zult mij toch wel veroorloven, hoop ik, om het geheele

grondgebied, de geheele streek te doorzoeken, om..."

»Maar... denkt ge dan, dat ik dat niet gedaan heb?" riep master James

Burbank uit.

De strijd tusschen Noord en Zuid Deel 1: Overrompeling eener plantage · 第 15 / 19 段