Burbank gegrepen en drukten die met de meeste innigheid. Dat strekte
hem duidelijk tot bewijs, dat zij zijne daad van stoutmoedigheid,
maar ook van volkomen rechtvaardigheid in allen deele goedkeurden.
Blijkbaar vergat de familie Burbank onder den indruk dier edelaardige
gevoelens, de verwikkelingen, welke uit die gedragslijn van haar
hoofd voor de toekomst konden geboren worden.
Niemand dacht er dan ook aan te Camdless-Bay om James Burbank te
gispen, of het zou ongetwijfeld de administrateur Perry moeten zijn,
wanneer hij op de hoogte gesteld zoude wezen van hetgeen gebeurd
was. Maar hij deed juist eene inspectie-reis op de plantage en zou
eerst bij het vallen van den avond terugkomen.
Het was reeds laat toen men scheidde. James Burbank ging evenwel niet
rusten alvorens verklaard te hebben, dat hij reeds den volgenden
ochtend aan ieder zijner slaven hun bewijs van invrijheidstelling
zoude overhandigen.
»Ik wensch daar haast mede te maken," zei hij tot zijne huisgenooten
en vrienden.
»Wij zullen bij u zijn, James," antwoordde mevrouw Burbank, »wanneer
gij hun zult mededeelen, dat zij vrij zijn."
»Ja, dat zullen wij!" zei Edward Carrol.
»Ja, dat zullen wij allen!" voegde Walter Stannard er aan toe. »Niet
waar, Alice?"
»Voorzeker papa!" antwoordde de jeugdige miss geestdriftvol.
»En ik ook, papa?" vroeg de kleine Dy vleiend aan haren vader.
»Ja, gij ook, lieveling!"
»Goede Zermah," vervolgde het bekoorlijke kind, »zult gij ons thans
gaan verlaten?"
»Neen, mijn kind!" antwoordde Zermah. »Wees gerust, ik zal u nimmer
verlaten!"
»En nu, goeden nacht, allen!" sprak James Burbank, terwijl hij een
kus met de eenen en een handdruk met de anderen wisselde.
»Goeden nacht!"
En iedereen ging naar zijne kamer, ook James Burbank, die alvorens
evenwel zich vergewiste, dat alle veiligheidsmaatregelen voor
Castle-House genomen waren.
De eerste persoon, dien de eigenaar van Camdless-Bay den volgenden
ochtend in het park ontmoette, was juist de administrateur, master
Perry. Daar het geheim van het gebeurde stipt bewaard was gebleven,
zoo wist die waardige man nog van niets. Hij vernam spoedig evenwel
alles uit den mond van James Burbank, die zich intusschen op de
verbazing van master Perry voorbereid hield.
»O! mijnheer James!... O! mijnheer James!" zei hij.
De brave kerel kon waarlijk in zijne verbijstering geen andere woorden
uitbrengen dan:
»O! mijnheer James!... O! mijnheer James!"
»Ontstel toch zoo niet, master Perry," meende James Burbank ter
bedaring van den waardigen administrateur te moeten zeggen.
»O! mijnheer James!... O! mijnheer James!" herhaalde deze schier
wezenloos.
»Mijne handeling kon u toch niet zoo verrassen, Perry," ging James
Burbank voort. »Ik ben slechts de gebeurtenissen vooruitgeloopen. Gij
weet, dat de bevrijding der negers eene daad is, welke zich opdringt
aan elken Staat, die eenig begrip van zijne waardigheid heeft..."
»Van zijne waardigheid, master James?"
»Ja, van zijne waardigheid, Perry!"
»Wat heeft waardigheid hierbij te maken, master James?"
»Vat gij dat woord waardigheid niet, Perry? Welnu het zij zoo! Laten
wij dan zeggen, dat de bevrijding der negers zich opdringt aan elken
Staat, die zijne belangen behartigt."
»Zijne belangen!... zijne belangen, master James!... Gij durft zeggen:
die zijne belangen behartigt?"
»Zeker durf ik dat!"
»O, God!... O, God!" prevelde de administrateur wanhopend.
»En de toekomst zal zich met het bewijs van de degelijkheid belasten,
waarde Perry," vervolgde master James Burbank.
»Maar waar zal men voortaan het dienstpersoneel, voor de plantages
benoodigd, aanwerven, mijnheer Burbank?"
»Dat zal steeds onder de vrije negers gevonden worden, Perry."
»Maar wanneer de negers in vrijheid gesteld zullen zijn, zullen zij
niet meer willen werken."
»Integendeel, zij zullen met meer ijver werken, daar het niet meer
gedwongen, maar vrijwillig zal geschieden; zij zullen ook met meer
genoegen werken, daar hun toestand zooveel verbeterd zal worden."
»Maar uwe slaven... master James?"
»Wat! mijne slaven, Perry? Wat bedoelt gij?"
»Uwe slaven zullen beginnen met ons te verlaten!"
»Het zou mij zeer verwonderen, waarde Perry, wanneer één enkele ook
maar de gedachte koesterde om dat te doen."
»Gij meent? God geve, dat gij gelijk hebt!"
»Gij zult zien dat ik gelijk heb."
»Maar, o, God! Intusschen ben ik geen administrateur meer van de
slaven van Camdless-Bay?"
»Gij zijt en blijft steeds de administrateur van het landgoed
Camdless-Bay en ik vermeen dat uw toestand niet verminderd zal zijn
door de omstandigheid, dat gij het opzicht over vrije menschen zult
hebben, instede van bevelen aan slaven uit te deelen."
»Maar..."
»Waarde Perry, ik moet u waarschuwen, dat ik op alle uwe »maren" een
antwoord gereed heb, en geloof vrij: een steeds afdoend antwoord. Schik
u dus in het onvermijdelijke en tracht vrede te hebben met een
maatregel, die vroeg of laat toch moest getroffen worden en waaraan
mijn gezin--ik voeg er dat uitdrukkelijk bij--zijne volle goedkeuring
gehecht heeft."
»En weten onze negers er reeds van, master James?..."
»Neen, nog niet," antwoordde James Burbank. »En ik verzoek u, Perry,
om er nog niet over te spreken."
»Daaraan zal ik voldoen, master James," beloofde de administrateur.
»Intusschen zullen zij heden die belangrijke tijding nog vernemen. Gij
zult hun tegen drie ure in den namiddag in het park van Castle-House
te zamen brengen..."
»En wanneer zij mij vragen, waartoe die samenkomst moet dienen,
master James?"
»Dan kunt gij antwoorden, dat ik hun een belangrijke mededeeling te
doen heb. En dat zal de volle waarheid zijn."
Daarop vertrok de administrateur, terwijl hij groote gebaren van
verbazing maakte en terwijl hij tusschen de tanden mompelde:
»Zwarten, die geen slaven meer zijn! Wie heeft dat ooit op een
viool hooren spelen? Negers, die voor hun eigen rekening gaan
werken! Zwarten, die verplicht zullen zijn in hunne eigen behoeften
te voorzien! Dat is eene omwenteling, dat is eene omkeering van de
sociale maatschappij. Dat is de omverwerping van alle menschelijke
wetten! Dat is tegennatuurlijk!... Ja, tegennatuurlijk!"
James Burbank ging met Walter Stannard en Edward Carrol gedurende den
voormiddag in een licht rijtuig een bezoek brengen aan een gedeelte
der plantage, bij de noordelijke grens gelegen.
De slaven waren met hunnen gewonen arbeid bezig te midden
der rijstvelden, te midden der koffie-aanplantingen en der
suikerriettuinen. Dezelfde ijver werd ook in de werkloodsen, in de
keten en in de houtzaagmolens opgemerkt. Het groote geheim was dus
stipt bewaard geworden. Geen gemeenschap tusschen Jacksonville en
Camdless-Bay, waar langs het nieuws verspreid had kunnen worden, had
nog plaats gevonden; zoodat zij, die er het meest bij betrokken waren
en er dus het meeste belang bij hadden, nog niets van de plannen van
James Burbank afwisten.
Bij dat bezoek langs de meest blootgestelde grens der plantage,
wilden James Burbank en zijne vrienden er zich van verzekeren,
dat daar niets verdachts aangetroffen werd. Na de verklaring,
daags te voren in het openbaar afgelegd, was het te vreezen, dat een
gedeelte der bevolking van Jacksonville of van de naburige streek er
toe aangezet werd, om naar Camdless-Bay te trekken. Tot nu toe werd
daarvan evenwel niets bespeurd. Men had zelfs geen zwervers, anders
zoo talrijk in die streken, aan den rivierkant, of op de Sint John
zelve ontwaard. De Shannon, die tegen tien uren de rivier opstoomde,
legde zelfs aan de pier van de kleine havenkom der plantage niet aan
en vervolgde haren koers naar Picolata. Neen, noch bovenstrooms,
noch benedenstrooms werd iets ontwaard, dat voor de bewoners van
Castle-House onrustwekkend mocht heeten.
Een weinig vóór het middaguur keerden James Burbank, Walter Stannard
en Edward Carrol naar het woonhuis terug en reden de brug van de
ringgracht van het park over. De geheele familie wachtte hen met
het ontbijt.
Men was nu meer gerustgesteld. Men praatte meer onbelemmerd. Het was
alsof eene ontspanning, eene verandering in den toestand had plaats
gehad. Ongetwijfeld hadden het plichtbesef en de geestkracht der
magistraten van Jacksonville ontzag ingeboezemd aan de drijvers van
de partij van Texar.
Wanneer dat nu het geval was en wanneer die staat van zaken nog slechts
weinige dagen aanhield, dan zou Florida door de federalistische troepen
onder Generaal Sherman bezet zijn en dan konden zich de voorstanders
van de afschaffing der slavernij, hetzij zij van afkomst tot de
Noordelijken, hetzij zij tot de Zuidelijken behoorden, in veiligheid
in den Staat rekenen.
James Burbank wou dus overgaan tot de plechtigheid van de
invrijheidstelling zijner slaven. Dat zou de eerste daad van dien
aard zijn, welke vrijwillig in een Slavenstaat verricht zoude worden.
Van al de negers van de geheele plantage van Camdless-Bay, was er een,
die wel het meest vergenoegd van allen zou wezen. Dat was een lummel
van ongeveer twintig jaren, die Pygmalion--in het dagelijksch leven bij
verkorting Pyg--geheeten werd. Pyg was bij den dienst van het woonhuis
Castle-House zelve geplaatst en woonde dan ook in de bijgebouwen
daarvan. Hij behoefde niet in het veld of in de werkplaatsen of keten
of werven van Camdless-Bay te arbeiden. Het moet erkend worden, dat
Pygmalion een bespottelijke kerel was, een snoever en een luiaard,
van wien zijn meester uit goedhartigheid veel door de vingers zag.
Sedert de slaven-quaestie op het tapijt was gekomen, zette die
lummel een hooge borst en men had hem eens moeten hooren hoogdravende
volzinnen opdreunen over de vrijheid der menschen. Iedere gelegenheid
greep hij aan, om pedante redevoeringen voor zijne rasgenooten te
houden, die hem hartelijk in het gezicht uitlachten. Hij poogde eene
belangrijke rol te vervullen, terwijl hij nauwelijks voor schoenpoetsen
geschikt was. Maar daar hij, alles wel beschouwd, volstrekt niet
kwaadaardig van inborst was, liet men hem praten. Maar de lezer zal
wel reeds bevroeden welke twistredenen hij met den administrateur,
master Perry, moest hebben, wanneer deze namelijk in eene gunstige
stemming was, om naar hem te luisteren, alsook welke tevredenheid
die lummel zal betuigen, wanneer hij in vrijheid zal gesteld zijn,
en hij zich in zijne waardigheid van mensch hersteld zal gevoelen.
Zooals verhaald is, werd den negers bevolen zich tegen drie uren in
het park van Castle-House te verzamelen. Dan zou hun eene belangrijke
mededeeling gedaan worden door den eigenaar van Camdless-Bay.
Toen het vastgestelde uur naderde, begon het geheele personeel de
barakken te verlaten en naar het park voor Castle-House toe te
stroomen. Die brave lieden waren na hun middagmaal niet naar de
werkplaatsen, naar de velden en ook niet naar de perceelen bosch
gegaan, die geveld moesten worden. Zij hadden zich een weinig
willen opschikken en hunne werkkleederen voor hun Zondagspak willen
verwisselen, zooals trouwens gebruikelijk was, wanneer de poterne der
palissadeering voor hen ontsloten werd. Er ontstond dus eene groote
opgewektheid onder hen, een eindeloos heen en weer geloop van de eene
hut naar de andere; terwijl de administrateur, master Perry, tusschen
de barakken op en neer wandelde en tusschen de tanden mompelde:
»Als ik bedenk, dat in dit oogenblik nog handel te drijven is met
die zwarten, dat zij nog steeds als koopwaar te beschouwen zijn! En
over een uur, dan zal het niet meer geoorloofd zijn hen te koopen of
te verkoopen! Ja, ja! ik herhaal het en ik zal het tot mijn laatsten
ademsnik herhalen! Master Burbank heeft mooi praten en mooi handelen,
en met hem de president der republiek Abraham Lincoln, en met den
president Abraham Lincoln al de federalisten van het Noorden en met
die al de vrijheidsgezinden van de beide halfronden, van de geheele
wereld, ik blijf er bij: het is tegennatuurlijk!"
In dit oogenblik van innerlijke opgewondenheid bevond de waardige
administrateur zich eensklaps van aangezicht tot aangezicht met
Pygmalion.
»Zoo ben jij daar?" vroeg hij den neger.
»Ja, master Perry!" antwoordde deze.
»Het is je geluk, dat je bijtijds bent."
»Dat ben ik altijd, als ik geroepen word," zei de vlegel vrij
brutaal. »Maar waarom worden wij opgeroepen, master Perry? Wilt gij
de goedheid hebben mij dat te zeggen?"
»Zeker, domoor! Het is om je..."
Maar plotseling zweeg de administrateur stil. Hij bedacht, dat het
hem verboden was de reden der samenkomst te verraden. Toen viel hem
eene gedachte in.
»Kom hier, Pyg!" zeide hij.
Pygmalion naderde.
»Luister. Ik trek je wel eens aan je ooren, niet waar, lummel?"
»Ja, master Perry, dat doet gij, omdat gij daartoe het recht hebt,
al strijdt dit ook met alle rechtvaardigheid, hetzij van goddelijken
of menschelijken oorsprong!"
»Dus, je erkent, dat ik dat recht heb, niet waar?"
Pygmalion knikte ja.
En zonder zich toen om de kreten van den kerel te bekommeren, of
zich daardoor te laten weerhouden, trok hij hem, hoewel hij zorgde
hem daarbij niet te veel pijn te doen, duchtig aan zijne ooren,
die toch al reeds eene vrij aanzienlijke lengte bezaten. Waarlijk,
het schonk den administrateur eene soort van verlichting, nu hij nog
eens, misschien wel voor den laatsten keer, zijn recht op een der
slaven van de plantage kon doen gelden.
Toen het drie uren sloeg, verschenen James Burbank en zijne
huisgenooten op het perron van Castle-House. Voor hen stonden op
het groote grasveld voor het heerenhuis zevenhonderd slaven, mannen,
vrouwen en kinderen gegroepeerd. Onder hen bevonden zich zelfs een
twintigtal oude negers, grijsaards in den volsten zin des woords, die,
toen erkend werd dat zij voor iederen arbeid ongeschikt waren, eene
veilige toevlucht voor hun ouden dag in de barakken van Camdless-Bay
gevonden hadden.
Zoodra de familie Burbank op het perron verscheen, trad eene diepe
stilte in.
Master Perry en zijne onderopzieners deden op een gebaar van James
Burbank, het personeel tot bij de trappen van Castle-House naderen,
opdat allen de mededeeling, welke gedaan zoude worden, duidelijk
zouden hooren.
Toen allen aandachtig en met open mond luisterden, nam de eigenaar
van Camdless-Bay het woord.
»Vrienden," sprak hij, »gij weet dat een burgeroorlog, die reeds
al te lang duurt en helaas! maar al te veel bloed gekost heeft, de
bevolking van onze Vereenigde Staten van Noord-Amerika verdeelt. De
ware oorzaak van dien oorlog is de slavenquaestie. Het Zuiden, dat
zich slechts door een gevoel van eigenbelang heeft laten leiden,
heeft het behoud der slavernij geëischt. Het Noorden, hetwelk in het
belang der menschheid handelde, wilde die menschonteerende instelling
uitroeien. God heeft de verdedigers van die rechtvaardige zaak gezegend
en de overwinning heeft zich reeds meermalen ten voordeele van hen
verklaard, die voor de bevrijding van een geheel menschenras strijden.
»Niemand is er onbekend mede, dat ik, getrouw aan mijne afstamming,
steeds de meening der Noordelijken gedeeld heb, zonder evenwel
in de gelegenheid gekomen te zijn, haar in de praktijk te kunnen
toepassen. Nu hebben zich sedert gisteren zoodanige omstandigheden
voorgedaan, dat ik in staat ben het oogenblik te verhaasten, om mijne
daden en handelingen in overeenstemming met mijne meeningen te brengen.
»Luistert nu goed naar hetgeen ik u ook namens mijne geheele familie
mede te deelen heb."
Een dof gemompel van aandoening liep door de verzamelde menigte. Dat
duurde evenwel slechts zeer kort; want bij het herhaald shut! shut! van
master Perry en van zijne opzieners verstomde het dadelijk.
James Burbank uitte toen met eene heldere stem, die door iedereen
duidelijk vernomen werd, de navolgende verklaring:
»Van heden af, den 28sten Februari 1862, zijn al de slaven van
mijne plantage in vrijheid gesteld en bijgevolg van alle verplichte
dienstbaarheid ontslagen. Zij kunnen onbeperkt over hunne eigene
persoon beschikken. Er bevinden zich thans slechts vrije menschen
op Camdless-Bay!"
De eerste uiting, dat zich van die nieuw bevrijden vernemen liet,
was een doordringend hoerageschreeuw, hetwelk van alle kanten
losbarstte. De armen strekten zich uit en bewogen, de handen wuifden
ten teeken van dank. De naam van Burbank werd luide verheerlijkt. Allen
drongen naar het perron. Mannen, vrouwen en kinderen wilden de handen
kussen van hunne bevrijders. Het was eene onbeschrijfelijke geestdrift,
welke zich daar ontwikkelde en die te meer aangrijpend was, daar
zij niet voorbereid was, dus geheel onverwacht kwam. De lezer zal
kunnen oordeelen, hoe Pygmalion zich als een bezetene aanstelde,
hoe hij gesticuleerde en een voorname houding trachtte aan te nemen.
Toen trad een oude neger, de deken als het ware van het personeel,
vooruit, steeg de trappen van het perron op en daar aangekomen,
verhief hij het grijze hoofd en sprak met eene diep bewogen stem:
»In naam van de slaven van Camdless-Bay, die thans vrij zijn, dank
ik u, master Burbank, dat gij ons de eerste woorden van bevrijding
hebt doen hooren, die in den Staat Florida uitgesproken zijn!"
Terwijl hij zoo sprak, was de oude neger langzaam nader getreden. Hij
had de handen van James Burbank gegrepen en overdekte die met kussen;
en toen de kleine Dy hem de mollige armpjes toestak, greep hij het
kind, keerde zich om en vertoonde het zoo op zijn arm gezeten, aan
zijne overgelukkige lotgenooten.
»Hoera!... Hoera, voor master Burbank!"
Die kreet weerklonk machtig en geweldig door de lucht en moest te
Jacksonville aan de overzijde der Sint John gehoord worden, alwaar
hij de tijding overbracht van de grootsche daad van menschenmin,
die verricht was.
De familie Burbank stond daar diep bewogen. Tevergeefs poogde ieder
harer leden die teekenen van geestdrift te doen bedaren. Eindelijk
gelukte het aan Zermah, om eenigermate stilte te verkrijgen toen zij
naar het perron toetrad, om op hare beurt het woord te voeren.
»Vrienden," zei zij, »wij zijn thans vrij, dank zij der edelmoedigheid
en der menschlievendheid van hem, die onze meester en de beste van
alle meesters was!"
»Ja, ja!..." riepen honderden stemmen uit in eene edelaardige opwelling
van dankbaarheid.
»Ieder onzer kan dus voortaan over zijn eigen persoon beschikken,"
ging Zermah voort.
»Ja!... Ja!..." joelde de menigte.
»Ieder onzer kan dus de plantage verlaten, als hij dat wil. Hij
is vrij en mag dus vrij handelen, zooals hem dat door zijn belang
ingegeven wordt," vervolgde de mestiesche.
»Ja!... Ja!..." jubelden de negers en negerinnen.
»Wat mij betreft," ging Zermah steeds voort, zonder zich van haar
stuk te laten afbrengen, »ik zal slechts den aandrang van mijn hart
volgen en ik houd mij overtuigd, dat het meerendeel uwer niet anders
zal handelen dan ik zal doen...."
»Laat hooren!... Laat hooren!..." riepen vele stemmen.
»Het is ruim zes jaren geleden, toen ik op Camdless-Bay aangebracht
werd. Ik heb er met mijn echtgenoot tevreden geleefd en wij wenschen
er ons leven te eindigen!"
»Wij ook!... Wij ook!..." riep de overgroote meerderheid.
»Ik verzoek master Burbank dus," vervolgde de kleurlinge, »om ons bij
zich te houden nu wij vrij zijn, zooals hij ons bij zich hield, toen
wij zijne slaven waren.... Dat zij dus, wiens wensch dat ook is...."
»Allen!... Allen!... Wij allen wenschen dat!"
En die woorden, duizendvoudig herhaald, verkondigden genoegzaam,
welke edele waardeering de eigenaar van Camdless-Bay genoot, welke
vriendschapsband en welke gevoelens van dankbaarheid hem met al die
vrijgestelden van zijn landgoed verbonden.
James Burbank nam toen het woord. Hij verklaarde, dat allen, die
zulks zouden verlangen, op de plantage konden blijven, zelfs nu
hun toestand, hunne omstandigheden gewijzigd waren. Men behoefde nu
slechts de belooning van den vrijwilligen arbeid en de rechten van
de nieuw vrijgestelden te regelen.
De eigenaar van Camdless-Bay voegde er bij, dat eerst en vooraf de
nieuwe toestand wettig bevestigd moest worden. Daarom zou iedere
neger, zoowel voor zich zelven als voor zijn gezin, eene akte van
invrijheidstelling ontvangen, die hem veroorloven zoude den rang en
de plaats in de maatschappij in te nemen, die hem rechtens toekwamen.
Dat werd dadelijk door de goede zorgen van den administrateur Perry,
geholpen door de onderopzieners, ten uitvoer gebracht.
Daar James Burbank reeds sedert lang voornemens geweest was zijne
slaven in vrijheid te stellen, zoo had hij die documenten bijtijds
doen in gereedheid brengen, en iedere neger ontving het zijne met
alle teekenen der innigst gevoelde dankbaarheid.
Het einde van dien heugelijken dag werd aan vreugdebedrijven
gewijd. Zou ook al het geheele personeel den volgenden dag den arbeid
met ijver en vlijt hervatten, deze dag moest in eene feestelijke
stemming doorgebracht worden.
De familie Burbank, welke tusschen de gelukkigen, die zij gemaakt had,
bleef verwijlen, ontving de meest hartelijke en oprechte betuigingen
van vriendschap, zoowel als de verzekering eener onbegrensde
toewijding.
Middelerwijl dat alles plaats vond, stapte de administrateur Perry,
na de bezorging der akten van invrijheidstelling geregeld te hebben,
te midden zijner oude kudde van menschelijke wezens, als eene ziel in
het vagevuur op en neer, en antwoordde op de vraag van James Burbank:
»Wel, Perry, wat zegt gij er van!"
»Wat ik zeg, master James? Ik zeg alleen en blijf er bij, dat al zijn
die Afrikanen ook al vrij verklaard, zij daarom niet minder in Afrika
geboren en dat zij ook niet van kleur veranderd zijn! Dus daar zij
dientengevolge zwart ter wereld gekomen zijn, zullen zij wel zwart
blijven, en zwart sterven...."
»Maar zij zullen als blanken leven," hernam James Burbank glimlachend,
»en dat is, dunkt mij, het voornaamste!"
Dien avond vereenigde het diner de geheele familie Burbank en hare
gasten, die allen de toekomst vol vertrouwen te gemoet zagen, rondom de
tafel van Castle-House. Vooral de eigenaar van Camdless-Bay gevoelde
zich gelukkig en genoot het bewustzijn zijner daad ten volle. Nog
weinige dagen, dan zou de veiligheid in Florida ten volle verzekerd
zijn. Daarenboven, geen enkele Jobs-tijding was van Jacksonville
ontvangen. Het was toch niet onmogelijk, dat de houding van James
Burbank voor de magistraten van Court-Justice op het meerendeel der
bewoners een voldoenden gunstigen invloed had gehad.
Ook master Perry, de administrateur van Camdless-Bay, die wel
genoodzaakt was, zich bij de genomen maatregelen, die hij niet
had kunnen verhinderen, neer te leggen, woonde dat diner bij. Hij
was zelfs geplaatst tegenover den deken der negers, die door James
Burbank opzettelijk uitgenoodigd was, om in diens persoon goed te
doen uitkomen, dat de invrijheidstelling, aan hem en zijne lotgenooten
verleend, geen ijdele verklaring in mond of gedachte van den eigenaar
van Camdless-Bay was.
Buiten barstten allerwege vreugdekreten los, en het park van
Castle-House werd prachtig verlicht met illumineerglazen en
feesttoortsen, die allerwege ontstoken waren en zelfs op de verst
verwijderde punten van de plantage schitterden. Bij het eindigen
van het feestmaal vertoonde zich eene deputatie der negers, die aan
de kleine dochter van den eigenaar een prachtigen bouquet aanboden,
voorzeker de mooiste, dien »mejuffrouw Dy Burbank van Castle-House"
ooit ontvangen had.
Natuurlijk werden plichtplegingen en dankzeggingen, waarbij de
gemoederen zeer aangedaan waren, over en weer gewisseld.
Daarna ging ieder naar huis en begaf de familie Burbank zich naar de
hal van het woonhuis, in afwachting dat het uur gekomen zoude zijn,
om zich naar de slaapvertrekken te begeven.
Het scheen een ieder toe, dat een dag, die zoo goed begonnen en zoo
goed besteed was, niet dan prettig zou kunnen eindigen.
Het was ongeveer acht uren in den avond. Alles was rustig op de geheele
plantage en de meening mocht gegrond heeten, dat niets die rust zoude
komen storen, toen eensklaps buiten af een gerucht van verscheidene
stemmen vernomen werd.
James Burbank stond dadelijk op en ging de groote deur der hal openen.