niet uit het veld geslagen. Integendeel, hij zette een nog hoogere
borst dan vroeger.
»En nu verder?" zei James Burbank.
»Verder?"... antwoordde de Spanjaard.
»Ja, verder? Is dat alles, waarvoor ik hier heb moeten komen?"
»Welnu," sprak Texar met de grootste heftigheid. »In dit oogenblik dat
het land in opstand komt, om de instelling der slavernij te behouden,
in dit oogenblik dat ieder goedgezind ingezetene van dezen Staat
gereed is zijn bloed veil te hebben, om de federalistische troepen,
die ons met een inval bedreigen, terug te slaan, beschuldig ik James
Burbank, dat hij meeningen toegedaan is, die de instandhouding der
slavernij verhinderen en dat hij voor die meeningen propaganda maakt!"
»James Burbank," zei de magistraat, »gij zult begrijpen, dat die
beschuldiging in de tijdsomstandigheden, welke wij doorworstelen,
buitengewoon ernstig en belangrijk is. Ik moet u dus verzoeken daarop
te antwoorden."
»Mijnheer," hernam James Burbank, »mijn antwoord zal zeer eenvoudig
zijn. Ik heb nimmer eenige propaganda gemaakt en zal dat ook nimmer
doen. Die beschuldiging is valsch!"
»Maar uwe meeningen omtrent de slavernij?"
»Wat die meeningen betreft, veroorloof mij, heer rechter, die hier
uit te drukken. Ja! ik ben voor de afschaffing der slavernij! Ja! ik
betreur innig den strijd, dien het Zuiden tegen het Noorden
volhoudt! Ja! ik vrees, dat het Zuiden rampen tegemoet gaat, die het
had kunnen vermijden! En in het belang van dat ongelukkige land zelve
had ik gewenscht, dat het een anderen weg had ingeslagen, dan over
te gaan tot dien noodlottigen oorlog, die tegen de reden en tegen
het algemeen gezond verstand gevoerd wordt. Er zal een dag komen,
dat gij u herinneren zult, dat zij die u woorden doen hooren, als
die welke ik uitsprak, geen ongelijk hadden..."
Een gehuil van woede, dat in de zaal opsteeg, brak hier de rede van
den spreker af. Met over elkander geslagen armen wachtte hij.... en
toen de stilte weer eenigermate ingetreden was, toen hij zich althans
weer kon doen verstaan, vervolgde hij:
»Wanneer het uur van een moreelen vooruitgang, van eene hervorming,
eene herschepping geslagen heeft, dan is het dwaasheid zich daartegen
te verzetten. Daarenboven, de afscheiding van het Noorden van
het Zuiden zou eene misdaad tegenover het Amerikaansche vaderland
zijn! Noch het gezond verstand, noch de rechtvaardigheid, noch de
billijkheid, noch de macht zijn op uwe zijde, en derhalve, geloof mij,
zal die misdaad niet voltrokken worden!"
Thans heerschte er stilte in de gerechtszaal. Dat duurde evenwel
slechts kort. Toen eenig goedkeurend gemompel die vaderlandslievende
woorden begroette, werd dat onmiddellijk door een heftig geschreeuw
overstemd. De meerderheid van het publiek, hetwelk uit lieden van
zeer gering allooi bestond, kon zulke taal niet verdragen.
Toen eindelijk de magistraat er in geslaagd was, de stilte in de
gerechtszaal te herstellen, hernam James Burbank het woord:
»En nu," zei hij, »wacht ik dat er meer stellige beschuldigingen
zullen worden ingebracht, maar betreffende feiten, niet betreffende
meeningen. Als men ze mij bekend zal gemaakt hebben, zal ik er op
kunnen antwoorden."
Tegenover eene zoo waardige houding moesten de magistraten zich in
het nauw gedrongen gevoelen. Hun was geen enkel feit bekend, dat James
Burbank kon ten laste gelegd worden. Hunne rol bestond slechts daarin:
gelegenheid te geven om beschuldigingen in te brengen, natuurlijk
met de bewijzen tot staving, wanneer het althans mogelijk was die
te leveren.
Texar begreep, dat van hem gevergd werd zich nader te verklaren,
wanneer hij namelijk zijn doel wilde bereiken.
»Welnu, het zij zoo!" zeide hij. »Ik deel de meening niet, dat men
zich op het punt der quaestie omtrent de slavernij op de vrijheid
van denken kan beroepen, vooral wanneer een geheel land in opstand
geraakt om die quaestie te steunen. Maar, al is het waar, dat James
Burbank het recht heeft te denken zooals hij wil over dat vraagstuk,
al is het waar, dat hij zich onthouden heeft aanhangers voor zijne
meeningen te werven, dan toch ontziet hij zich niet gemeenschap te
onderhouden met den vijand, die de grenzen van Florida genaderd is."
Die beschuldiging van medeplichtigheid met de Noordelijken was zeer
gewichtig in de gegeven omstandigheden. Iedereen begreep dat en
allerwege werd dan ook hartstochtelijk gemompeld. Intusschen was het
gesprokene nog slechts eene beschuldiging vervat in woorden. Wilde
zij eenige waarde erlangen, dan moest zij door onwraakbare feiten
gestaafd worden.
»Gij beweert, dat ik in verbinding met den vijand sta?" vroeg James
Burbank.
»Ja!" bevestigde Texar.
»Gij zult dat wel kunnen bewijzen, niet waar?"
»Zooals gij verkiest," hernam Texar.
»Komaan, ik luister."
»Wij luisteren," herhaalden de magistraten.
»Het is nu ongeveer drie weken geleden," getuigde Texar, »dat een man,
die naar James Burbank gezonden was, het federalistisch leger of de
flottilje van den Commodore Dupont verlaten heeft. Die man is naar
Camdless-Bay gegaan en hij is gevolgd en bespied geworden van het
oogenblik af, dat hij de grens van den Staat Florida overschreden
heeft en gedurende den tijd, dien hij op de plantage doorgebracht
heeft.--Zult gij dat loochenen, James Burbank?"
Klaarblijkelijk gold het hier den bode, die den brief van den
jeugdigen luitenant aangebracht heeft. De spionnen van Texar hadden
zich dienaangaande niet vergist. Dezen keer klonk de beschuldiging
afdoende, en men wachtte niet zonder ongerustheid, welk antwoord
James Burbank daarop zou geven.
Deze aarzelde geen enkel oogenblik om de stipte waarheid mede te
deelen.
»Inderdaad," zei hij, »is tegen dat tijdstip een man op Camdless-Bay
aangekomen. Maar hij was geen vijand; hij was slechts een bode. Hij
behoorde in geenen deele tot het federalistisch leger en bracht
eenvoudig een brief van mijn zoon over."
»Een brief van uw' zoon!" riep Texar uit.
»Ja, van mijn zoon. Wat is daar vreemds in? Zou dat ook bij geval
verboden zijn?"
»Van uw zoon," vervolgde Texar, »die, als ik goed ingelicht ben,
dienst genomen heeft bij de krijgsmacht der Noordelijken! Van uw zoon,
die zich misschien in de voorste gelederen bevindt van de troepen,
die op marsch zijn om een inval in Florida te bewerkstelligen!"
De woestheid, waarmede Texar die woorden uitgalmde, bleef niet in
gebreke grooten invloed op het publiek in de gerechtszaal uit te
oefenen. Wanneer James Burbank, na erkend te hebben, dat hij een
brief van zijn zoon ontvangen had, thans zou bekennen dat Gilbert
zich in de gelederen van de federalistische krijgsmacht bevond, hoe
zou hij zich dan met vrucht kunnen verdedigen tegen de beschuldiging,
briefwisseling gehouden te hebben met de vijanden van de Zuidelijken?
»Wenscht gij te antwoorden op de beschuldigingen, die tegen uwen zoon
ingebracht zijn?" vroeg de magistraat.
»Neen, mijnheer," antwoordde James Burbank met kalme maar vastberaden
stem. »Ik heb daarop niet te antwoorden. Voor zoover ik weet, geldt
het thans mijn zoon niet. Ik alleen ben beschuldigd in verbinding
gestaan te hebben met het federalistisch leger. Welnu, dat loochen ik,
en ik tart dien man, die mij slechts uit persoonlijken haat aanvalt,
te bewijzen wat hij zegt!"
»Hij bekent dus," riep Texar uit, »dat zijn zoon zich in de gelederen
bevindt van hen, die tegen de geconfedereerden strijden!"
»Ik heb daaromtrent niets te bekennen," antwoordde James Burbank »Gij
poogt de rollen te verwisselen."
Texar knarsetandde van woede. Burbank vervolgde echter onverstoorbaar
kalm:
»Gij moet eene beschuldiging met bewijzen staven."
»Welnu, dat zal ik!" riep de Spanjaard uit.
»Ik ben geheel gehoor," zei James Burbank hoonend.
»Wij luisteren," zeiden de magistraten ernstig.
»Binnen weinige dagen zal ik in het bezit zijn van dat bewijs, dat
men thans van mij vergt, en als ik het zal hebben...."
»Als gij het zult hebben," sprak de magistraat, »dan zullen wij kunnen
oordeelen, dan zullen wij uitspraak kunnen doen. Maar, tot nu toe
zie ik nog niets, wat op eenige schuld van James Burbank zou wijzen."
Die magistraat sprak, toen hij die woorden deed hooren, als een
onkreukbaar eerlijk man. En ongetwijfeld had hij gelijk. Maar hij had
tegenover een publiek, hetwelk zoo vooringenomen tegen den kolonist
van Camdless-Bay was, ongelijk gelijk te hebben. Hieruit ontstond
gemompel, zelfs protest tegen de makkers van Texar, welke zijne
beschuldigingen steunden. De Spanjaard gevoelde dat wel. Hij liet
dan ook de daadzaken betreffende Gilbert Burbank varen en herhaalde
zijne beschuldigingen tegen den vader.
»Ja," zei hij, »ik zal alles bewijzen, wat ik beweerd heb, namelijk
dat James Burbank briefwisseling onderhoudt met den vijand, die zich
gereed maakt om Florida binnen te rukken. In afwachting meen ik dat
de meeningen, die hij koestert en verkondigt, en die heilloos voor
de zaak der slavernij moeten gerekend worden, een publiek gevaar
voor den Staat daarstellen. Ik verg dan ook in naam van al de
slavenbezitters, die zich nimmer aan het juk zullen onderwerpen,
hetwelk de Noordelijken hen wenschen op te leggen, dat men hem
gevangenneme, om hem onschadelijk te maken!"
»Ja!... Ja!..." riepen al de aanhangers van Texar, terwijl een gedeelte
van de aanwezigen tevergeefs poogde te protesteeren tegen zulk een
niet te qualificeeren eisch.
Het rumoer was vreeselijk en duurde geruimen tijd. Het gelukte
den rechter evenwel, na herhaalde pogingen, eenigermate stilte te
verkrijgen. James Burbank nam toen het woord.
»Ik verzet mij uit alle macht, krachtens het recht," zei hij,
»tegen den willekeurigen maatregel, waartoe men de rechtbank dwingen
wil. Dat ik voor de afschaffing der slavernij gestemd ben! Ja! dat is
waar. Ik heb dat reeds beleden. Maar in het vrije Amerika, onder een
bestuurs-stelsel, dat geheel en al op vrijheid gegrond is, zijn de
meeningen vrij. Het is geene misdaad, geene overtreding, tegen den
slavenhandel te zijn, en derhalve waar geen schuld, geen overtreding
bestaat, kan de wet onmogelijk straf opleggen!"
Luide en talrijke goedkeuringen schenen James Burbank gelijk te
geven. Thans scheen het Texar toe, dat de gelegenheid gekomen was om
van taktiek te veranderen, daar zijne aanvallen tot nu toe mislukt
waren. Men zal zich dan ook niet verwonderen, dat hij eensklaps en
geheel onverwacht James Burbank toevoegde:
»Welnu, stel dan uwe slaven in vrijheid, daar gij verklaart tegen de
slavernij gestemd te zijn!"
»Dat zal ik doen," antwoordde James Burbank.
»Zoo? maar wanneer?"
»Wanneer het oogenblik daartoe aangebroken zal zijn."
»Inderdaad? Ja, wanneer het federalistisch leger meester in Florida zal
zijn, niet waar?" grinnikte Texar hoonend. »Gij wacht op de soldaten
van Sherman en op de mariniers van Dupont, om den moed te hebben
uwe daden met uwe denkbeelden in overeenstemming te brengen! Dat is
voorzichtig, maar tevens laf!"
»Laf?..." riep James Burbank, die niet begreep dat zijn ellendige
tegenstander hem een strik spande, verontwaardigd uit.... »Laf?...."
»Ja, laf!" herhaalde Texar tartend. »Kom, laat zien. Heb toch den
moed om uwe meeningen en denkbeelden in praktijk uit te voeren!"
»Ja, dien moed dient men te bezitten, wanneer men tegen de slavernij
gekant is!" huilden verscheidene stemmen in de zaal.
»Stilte!" gebood de magistraat.
»Stilte!" schreeuwde de deurwaarder.
Toen die verkregen was, vervolgde Texar steeds hoonend:
»Waarlijk, ik geloof, dat ik niet ver van de waarheid verwijderd ben,
wanneer ik beweer, dat gij slechts een gemakkelijk middel aanwendt
om eene soort populariteit bij de Noordelijken na te jagen!"
James Burbank knarsetandde en balde de vuisten bij die zoo beleedigende
woorden.
Texar vervolgde:
»Ja, anti-slaafsgezinde voor de leus, en in schijn zijt gij slechts
een huichelaar; want inderdaad zijt gij in den grond van uw hart uit
eigenbelang een voorstander van het behoud der slavernij!"
James Burbank had onder dien hoon zijne gestalte verheven. Dat was meer
dan hij verdragen kon. Zoo'n verwijt van huichelarij was blijkbaar in
tegenspraak met zijn geheele leven, hetwelk een leven van toewijding
en loyauteit kon genoemd worden. Hij wierp een grimmigen blik van
verachting op den ellendeling, en niemand verwonderde zich toen hij met
eene luide en heldere stem, die door allen gehoord werd, antwoordde:
»Bewoners van Jacksonville, van heden af bezit ik geen enkelen slaaf
meer! Van heden af proclameer ik de invrijheidstelling van alle mijne
slaven, en de afschaffing der slavernij op mijne geheele bezitting
van Camdless-Bay! En die woorden zal ik gestand doen!"
In het eerste oogenblik werd die stoutmoedige verklaring met eenige
hoerah-kreten beantwoord.
Ja, er was waarlijk moed toe noodig. Ja, moed! Maar of James Burbank
voorzichtig gehandeld had? Instinctmatig gevoelde hij, dat hij zich
door zijne verontwaardiging had laten vervoeren.
Nu was het maar al te duidelijk, dat die maatregel de belangen
der andere planters in Florida zeer zou benadeelen. Dit bewustzijn
bracht eene plotselinge verkoeling teweeg, die hare terugwerking op
de aanwezigen in de gerechtszaal van Court-Justice niet miste. De
eerste goedkeurende kreten voor den kolonist van Camdless-Bay werden
spoedig overstemd en gesmoord door verwenschingen, die niet alleen
geuit werden door hen, die uit grondbeginsel de slavernij toegedaan
waren, maar zelfs door hen, die zich tot nu toe onverschillig voor
het vraagstuk van den slavenhandel gevoeld hadden. En de vrienden en
aanhangers van Texar zouden voorzeker van dien ommekeer der gevoelens
en de gemoederen gebruik gemaakt hebben, om zich aan daden van geweld
tegen James Burbank over te geven, wanneer de Spanjaard zelf hen niet
weerhouden had.
»Laat af!" sprak hij bevelend.
En toen zijne makkers hem verwonderd aankeken, vervolgde hij:
»Laat begaan! James Burbank heeft zich zelven ontwapend!... Thans is
hij ons!"
Die woorden, waarvan de lezer weldra de beteekenis zal begrijpen, waren
voldoende, om zijne aanhangers van gewelddadigheden te doen afzien.
James Burbank werd dan ook in het geheel niet verontrust of
lastig gevallen, toen de magistraten hem gezegd hadden, dat hij
kon vertrekken. Bij afwezigheid zelfs van het geringste bewijsstuk,
had men onmogelijk den eisch tot gevangenneming, door Texar gesteld,
kunnen inwilligen.
Wanneer de Spanjaard, die zijne beweringen bleef volhouden, later
deugdelijke en afdoende bewijzen zoude leveren omtrent de beweerde
strafbare mededeelingen van James Burbank aan den vijand, dan zouden de
overheden de vervolging hervatten. Maar tot zoolang moest de eigenaar
van Camdless-Bay in vrijheid blijven.
Het is waar, die verklaring van de invrijheidstelling van het
slavenpersoneel van Camdless-Bay, in het publiek afgelegd, zou later
tegen de autoriteiten der stad en in het voordeel der muiterspartij
aangewend worden.
Hoe het ook zij, hoewel James Burbank bij het verlaten van
Court-Justice, door een menigte gevolgd werd, die zeer veel
kwaadgezindheid jegens hem aan den dag legde, slaagden de
politie-agenten er toch in, om te beletten dat gewelddadigheid werd
gepleegd. Hij werd uitgejouwd, ja zelfs bedreigd; maar hij ondervond
geen enkele daad van mishandeling. Blijkbaar beschermde de invloed
van Texar hem.
James Burbank kon dus ongehinderd de havenkade bereiken, alwaar zijn
vaartuig hem wachtte. Daar nam hij afscheid van master Harvey, zijn
correspondent, die hem geen oogenblik verlaten had.
Toen hij in de boot gestapt was, werd dadelijk van wal gestoken, en
dank zij der lichaamskracht zijner roeiers, was hij weldra buiten
het bereik van het schelden en schreeuwen, waarmede het plebs van
Jacksonville zijn vertrek had meenen te moeten begroeten.
Daar de eb zwaar doorstond, had het vaartuig, dat met den zeer
sterken stroom te worstelen had, niet minder dan twee uren noodig,
om de aanlegplaats van Camdless-Bay, alwaar de geheele familie en
de gasten van Castle-House James Burbank stonden op te wachten, te
bereiken. Het zal wel onnoodig zijn de vreugde te beschrijven van dien
kleinen kring bij dat weerzien. Er hadden toch zooveel redenen bestaan
om te vreezen, dat men den edelaardigen man weerhouden zou hebben.
»Dus niet weggebleven, paatjelief!" riep de kleine Dy, terwijl zij
in de handjes klapte.
»Neen, neen! mijn dotje!" riep de gelukkige vader, terwijl hij het
kleine meisje optilde en haar met kussen overdekte. »Neen, neen!... Ik
had je beloofd om vóór het diner terug te zijn. En je weet, lieveling,
dat ik mijne beloften steeds stipt nakom."
»Ja, dat weet ik!" juichte het kind. »Ja, dat zie ik, beste papa!"
VIII.
DE LAATSTE SLAVIN.
Dienzelfden avond, toen de kleine Dy te bed gebracht was, en de
familie met hare vrienden te zamen vereenigd zat, stelde James Burbank
allen op de hoogte van hetgeen in de gerechtszaal van Court-Justice
voorgevallen was.
Hij deelde hen de hatelijke handelingen van Texar mede en stelde in het
licht, hoe de dagvaarding, om voor de magistraten te verschijnen, aan
den invloed van dien man en aan den aandrang van de lagere volksklasse
van Jacksonville toe te schrijven was. Toch verdienden de magistraten
slechts lof voor hunne houding in deze zaak. Op de beschuldiging
van verstandhouding met de Noordelijken, hadden zij geantwoord met
de opvordering van het bewijs der misdaad. En daar Texar dat bewijs
niet had kunnen leveren, was James Burbank in vrijheid gelaten.
Intusschen viel het niet te ontkennen, dat te midden dier onbewezen
beschuldigingen, de naam van Gilbert uitgesproken was geworden. Het
scheen, dat niet in twijfel was getrokken geworden, dat de jonge man
in de gelederen van de krijgsmacht der Noordelijken diende. En zou
nu de weigering van James Burbank, om zich dienaangaande duidelijk
te verklaren, niet als eene soort van erkenning uitgelegd worden?
Die omstandigheid verlevendigde de vrees en de angsten van mevrouw
Burbank, van miss Alice en van die geheele familie, die zich toch
al niet op haar gemak gevoelde. En die vrees was maar al te zeer
gewettigd.
Zouden de woestelingen van Jacksonville, nu de zoon zich buiten hun
bereik bevond, zich niet willen wreken op den vader?
Texar had ongetwijfeld gesnoefd, toen hij beloofd had, binnen weinige
dagen het bewijs te leveren van de uitgesproken beschuldiging. Maar
zou het niet mogelijk zijn, alles wel beschouwd, dat hij er in slaagde
om dat bewijs in handen te krijgen? En wanneer dat geschiedde, dan
zou de toestand in de hoogste mate onrustbarend worden. Dat moesten
allen inderdaad erkennen.
»Mijn arme Gilbert!" riep mevrouw Burbank uit. »Te weten, dat hij
zich zoozeer in de nabijheid van dien Texar bevindt, die tot alles
in staat is om zijn doel te bereiken!"
»Ja, dat is die ellendeling!" beaamde James Burbank.
»Maar, zou men Gilbert niet op de hoogte kunnen stellen van hetgeen
te Jacksonville voorgevallen is?" vroeg miss Alice.
»Mij dunkt van ja," zei Edward Carrol.
»Mij dunkt, dat zoo iets moet geschieden," beaamde master Walter
Stannard. »Vooral zouden wij hem moeten aanbevelen, dat iedere
onvoorzichtige daad zijnerzijds de meest noodlottige gevolgen voor
zijne familie-betrekkingen en ook voor hem zelven zoude hebben."
»Maar hoe in verbinding met hem te komen?" vroeg James Burbank bezorgd.
»Ja, hoe? Die vraag heb ik mij al gedaan," zei Edward Carrol.
»Het is maar al te zeker," ging James Burbank voort, »dat
voortdurend spionnen rondom Camdless-Bay zwerven. Reeds is de bode,
dien Gilbert ons toegezonden heeft, bij zijn terugkeer gevolgd en
bespied geworden. Iedere brief, dien wij Gilbert zouden schrijven,
loopt gevaar in handen van Texar te vallen. Ieder man, dien wij met
eene mondelinge boodschap tot hem zouden zenden, loopt gevaar onderweg
aangehouden te worden."
»Dat is waar," beaamde master Walter Stannard met een hoofdknik.
»Neen, vriend," vervolgde de eigenaar van Camdless-Bay, »laten
wij niets beproeven of ondernemen, hetgeen den toestand zou kunnen
verergeren."
»En geve de hemel!" zuchtte mevrouw Burbank, »dat het federalistisch
leger Florida spoedig moge bezetten!"
»Ja, waarlijk, dat wordt inderdaad wenschelijk voor de minderheid
der eerlijke lieden," zei Walter Stannard, »die zoo ergerlijk door
de meerderheid der schurken in het land bedreigd wordt."
Inderdaad, James Burbank had gelijk. Het zou ten gevolge van het
toezicht, dat ongetwijfeld rondom de plantage uitgeoefend werd,
zeer onvoorzichtig zijn geweest, briefwisseling met Gilbert te
houden. Daarenboven, het oogenblik naderde ras, waarin James Burbank
en met hem alle noordelijk-gezinden onder de bescherming van het
federalistisch leger volkomen in veiligheid zouden zijn.
En waarlijk, den volgenden morgen reeds zou de Commodore Dupont het
anker lichten om van de reede te Edisto te vertrekken. Vóor dat drie
dagen verloopen zouden zijn, zou men ongetwijfeld de tijding vernemen,
dat de flottilje, na de kuststreek van Georgië voorbij gestevend te
zijn, in de baai van Sint Andrews aangekomen was.
James Burbank vertelde toen ook de ernstige mededeeling, in
tegenwoordigheid der magistraten van Jacksonville gedaan. Hij deelde
mede, hoe hij genoodzaakt was geworden, door de uitdaging van Texar
met betrekking tot de slaven van Camdless-Bay, om te handelen zooals
hij deed. Door zijn goed recht en door zijn geweten gesteund, had
hij in het openbaar de afschaffing der slavernij op zijn landgoed
verklaard. Wat nog geen Zuidelijke Staat had durven afkondigen, zonder
daartoe door wapengeweld genoodzaakt te zijn, had hij vrijwillig en
geheel en al uit vrije beweging gedaan.
Die invrijheidstelling was even stoutmoedig als edelmoedig, voorwaar!
Welke zouden er de gevolgen van zijn? Dat kon natuurlijk niemand
voorspellen.
Klaarblijkelijk evenwel was zij weinig geschikt, om den toestand
van James Burbank minder bedreigd en onrustwekkend te midden van die
slavenhoudende bevolking te maken. Misschien zou zij zelfs aanleiding
geven, om de neiging tot opstand onder de slaven der andere plantages
eenigermate voedsel te verschaffen.
Maar die bijomstandigheid mocht niet wegen! De familie Burbank,
bewogen door de grootschheid der daad, keurde ten volle en geheel
onvoorwaardelijk de gedragslijn van haar hoofd goed.
»James," zei mevrouw Burbank, »wat er ook gebeuren moge, gij hebt
gelijk gehad met de hatelijke insinuatiën, welke u door dien Texar,
dien ellendeling, naar het hoofd geslingerd werden, te beantwoorden
zooals gij gedaan hebt."
»Wij zijn trotsch op u, vader," vulde miss Alice aan, die voor den
eersten keer aan master Burbank den naam van vader gaf, »ik sluit
mij aan bij de gedachte van Gilberts moeder."
»Gij hebt goed gehandeld, master James Burbank!" betuigden èn Edward
Carrol èn Walter Stannard.
»En thans, geliefde dochter," sprak de eigenaar van Camdless-Bay,
terwijl hij Alice's wangen streelde. »En thans, wanneer Gilbert en
de federalistische troepen Florida zullen binnenrukken, dan zullen
zij op mijn landgoed geen enkelen slaaf meer aantreffen."
»Ik dank u, mijnheer Burbank," sprak Zermah, »ik dank u voor mijne
lotgenooten en voor mij."
»Gij behoeft mij daarvoor niet te bedanken, Zermah," zei James Burbank.
»Zeker, master Burbank, zijn wij u dank schuldig, voor de groote gave,
die gij ons verleent," antwoordde de mestische.
»Gij beschouwt dus de vrijheid als eene groote gave, Zermah?"
»Wat mij betreft, master Burbank," vervolgde de kleurlinge, »ik heb
nimmer den druk, van slavin te zijn, bij u gevoeld. Uwe goedheid en
uwe edelaardigheid verschaften mij eene groote mate van vrijheid en
ik gevoelde mij even vrij als thans."
»Gij hebt volkomen gelijk, Zermah," hernam mevrouw Burbank. »En
verlies nimmer uit het oog, dat slavin of vrij, om het even, wij
zullen u steeds liefhebben!"
Zermah poogde, maar tevergeefs, hare aandoening te verbergen. Zij
greep de kleine Dy in hare armen, drukte haar aan hare borst en
overdekte het kind zenuwachtig met kussen.