verwijderd van de rijke ondernemingen, die op de beide oevers der Sint
John aangetroffen werden. Onmogelijk zouden Texar en zijne makkers, hoe
weinig eischend zij ook waren, daar hebben kunnen bestaan. Zij bezaten
slechts eenige huisdieren en verder eenige roeden bouwgrond, waarop
zij pataten, maniokwortels, komkommers teelden, en waarop zich eenige
vruchtboomen, die evenwel schier verwilderd waren, verhieven. Dat was
alles. Het is waar, zij konden in de nabijgelegen wouden jagen en in
de kanalen en bochten der lagune visschen, hetgeen in ieder seizoen
kon geschieden; maar dat alles was onvoldoende, om hun bestaan te
rekken, en dus moesten daartoe andere middelen te baat genomen worden,
middelen, waarvan Texar en Squambô alleen het geheim bezaten.
Wat de veiligheid van het blokhuis betrof, die was door zijne ligging
te midden van die onbereikbare schuilplaats verzekerd. Daarenboven,
wie zou getracht hebben dat nest aan te vallen, en waarom zou
zoo iets geschieden? In ieder geval zou iedere verdachte nadering
dadelijk verraden worden door het geblaf der honden, op het eilandje
aanwezig. Dat waren woeste speurhonden, vroeger door de Caraïben
ingevoerd, die weleer gebruikt waren geworden door de Spanjaarden,
om de gevluchte slavennegers op te sporen.
Ziedaar eene beschrijving van het verblijf van Texar, dat hem ten
volle waardig was.
Texar was iemand van omstreeks dertig jaren. Hij was van middelmatige
gestalte, maar van een stevig gestel, een gestel, dat gehard was
geworden door dat leven in de open lucht, door dat leven vol avonturen,
hetwelk hij sedert zijne kindsheid geleid had. Hij was van Spaansche
afkomst, en die afkomst was in allen deele in hem herkenbaar. Hij
had zwart en ruw hoofdhaar, dikke wenkbrauwen, zwartgroene oogen, een
breeden mond met dunne naar binnen gekeerde lippen, alsof zij met een
sabelhouw gespleten waren, een korten dikken neus met neusgaten als
die van een wild dier. Zijn geheel uiterlijk duidde op een heftig,
maar tevens listig karakter.
Vroeger droeg hij een vollen baard, maar nadat deze door een
geweerschot bij het een of andere gevecht tot in de huid geschroeid
was, schoor hij zich, hetgeen de scherpheid en hoekigheid zijner
gelaatstrekken nog meer deed uitkomen.
Die gelukzoeker had zich een twaalftal jaren geleden hier in Florida
komen vestigen en zijn intrek genomen in dat verlaten fortje, dat
niemand ter wereld hem betwistte.
Vanwaar kwam hij? Dat wist niemand en daaromtrent vertelde hij
nooit iets.
Wat was nopens zijne vroegere levenswijze bekend? Ook hoegenaamd niets.
Er waren er, die beweerden,--en die hadden het bij het rechte
eind,--dat hij slavenhaler geweest was en dat hij geheele
scheepsladingen van negers in de havenplaatsen van Georgië, Florida
en van Noord- en Zuid Carolina had aan den wal gebracht. Had hij
bij dien afschuwelijken menschenhandel eenig vermogen vergaard? Dat
bleek niet. Zooveel is zeker, dat hij niet de minste achting genoot,
zelfs niet in dat land, waar toch menschen van zijn allooi bij de
vleet voorkwamen.
Intusschen, al moest het erkend worden, dat Texar volstrekt niet
in een reuk van heiligheid in de streken stond, zoo belette zulks
niet, dat hij toch veel invloed in het geheele graafschap, maar
voornamelijk te Jacksonville uitoefende. Het is waar, dat dit op het
minst aanbevelingswaardige gedeelte der bevolking van die hoofdplaats
geschiedde, maar die invloed was onmiskenbaar en daarom juist des
te gevaarlijker.
Hij begaf zich zeer dikwijls naar die hoofdplaats voor zaken,
waarover hij met niemand sprak. Hij had daar vele vrienden onder de
half blanken en onder de meest verfoeielijke wezens der stad. Men
heeft dit reeds kunnen ontwaren, toen hij in gezelschap van een half
dozijn kerels van zeer verdacht allooi van Sint Augustijn aan boord
van de stoomboot Shannon wederkeerde.
Zijn invloed strekte zich over eenige kolonisten in de streken van
het Sint John-gebied uit. Hij bezocht dezen meermalen, en wanneer
men hem geen bezoek terugbracht, dan was dat, omdat niemand zijne
schuilplaats in de Zwarte Kreek kende. Maar dat belette niet, dat
hij tot verscheidene ondernemingen op de beide oevers der rivier
toegang had.
De jacht was natuurlijk een voorwendsel van die bijeenkomsten en die
betrekkingen, die zoo spoedig aangegaan worden tusschen lieden van
dezelfde zeden, van dezelfde gebruiken en van denzelfden smaak.
Die invloed had van een anderen kant in de laatste jaren zeer gewonnen,
ten gevolge der heerschende meeningen, tot welker vurigste voorvechter
Texar zich opgeworpen had.
Nauwelijks had de slaven-quaestie eene scheuring tusschen de beide
helften van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika teweeggebracht, of
de Spanjaard had zich als de hardnekkigste, als de meest vastbeslotene
der voorstanders van de slavernij opgeworpen. Zooals hij dat luide
uitbazuinde, kwam daarbij bij hem geen eigenbelang in het spel,
daar hij slechts een half dozijn negers in eigendom bezat. Maar hij
verklaarde het grondbeginsel van eigendom te willen verdedigen. Met
welke middelen evenwel? Ja, het moet gezegd worden, door beroep te
doen op de meest verfoeielijke van alle hartstochten, door de hebzucht
van de lage volksklasse op te zweepen, door haar tot plundering,
tot brandstichting, zelfs tot moord aan te zetten jegens de bewoners
of kolonisten, die de meer edelaardige denkbeelden der Noordelijken
deelden.
En thans strekten de plannen van dien gevaarlijken gelukzoeker tot
niets minder dan tot omverwerping van het gezag der bestaande civiele
autoriteiten te Jacksonville, ten einde de vertegenwoordigers van
dat gezag, die hem te gematigd in hunne staatkundige denkbeelden
waren, te vervangen door de meest geestdriftvolle aanhangers der
zijne. Wanneer hij zoodoende door oproer en muiterij meester van
het graafschap zou zijn geworden, zou hij den tijd gekomen achten,
om aan zijne personeele wraaknemingen den vrijen teugel te vieren.
Uit het vorenstaande zal de lezer gemakkelijk begrepen hebben, welke
belangen James Burbank en eenige andere eigenaren van ondernemingen
bij de bestaande omstandigheden hadden, om de handelingen van zoo'n
kerel, die reeds in gewone tijden door zijne slechte geaardheid te
duchten was, van zeer nabij gade te slaan. Uit dien toestand waren
aan den eenen kant een ingekankerde haat, en aan den anderen kant
een diep ingeworteld wantrouwen ontstaan, die door de aanstaande
gebeurtenissen nog zouden toenemen.
Er kwam nog iets bij, namelijk dat, onder hetgeen men omtrent het
verleden van Texar, sedert hij het baantje van slavenhandelaar
had laten varen, meende te weten, zeer verdachte daadzaken
voorkwamen. Alles scheen er toch op te wijzen dat hij, bij den laatsten
inval van de Seminool-Indianen, in geheime betrekking tot hen gestaan
had. Had hij hun de aanslagen aangeduid, die zij moesten uitvoeren? Of
had hij hen de plantages aangewezen, die aangevallen moesten worden?
Had hij hen hulp verstrekt bij het leggen van hinderlagen of bij het
doen van aanvallen?
Vele omstandigheden droegen er toe bij, om iedere twijfel dienaangaande
te doen verdwijnen, en zelfs ten gevolge van een der laatste aanslagen
van die Indianen, zagen de magistraten zich genoodzaakt den Spanjaard
gerechtelijk te vervolgen, hem gevangen te nemen en voor de rechtbank
te brengen. Maar Texar beriep zich op een alibi--een reddings-systeem,
dat hem later ook dienen zou,--en hij leverde het bewijs, dat hij
onmogelijk had kunnen deelnemen aan den aanval op eene pachthoeve
in het graafschap Duval, omdat hij zich in datzelfde oogenblik te
Savannah in den Staat Georgië bevonden had, op ruim veertig mijlen
ten noorden en buiten de grenspalen van Florida gelegen.
Gedurende de daaropvolgende jaren werden verscheidene zeer belangrijke
diefstallen gepleegd, hetzij op nabijgelegen ondernemingen, hetzij op
reizigers, die op den openbaren weg in Florida aangevallen waren. Was
Texar medeplichtig aan of bewerker van die misdaden? Hoe het ook zij,
men verdacht hem zeer; maar alweer door gebrek aan bewijzen, moest
men er van afzien het schuldig uit te spreken.
Eindelijk deed zich eene gelegenheid voor, waarbij men dacht den
misdadiger, die tot heden onaantastbaar geweest was, op heeter daad
betrapt te hebben. Het was juist voor die zaak, dat hij daags te
voren voor den rechter van instructie te Sint-Augustijn opgeroepen was.
Die zaak was namelijk deze: Toen James Burbank, Edward Carrol en Walter
Stannard op een avond zoo omstreeks tegen zeven uren, nu ongeveer
acht dagen geleden, van een bezoek op eene naburige onderneming naar
Camdless-Bay terugkeerden, vernamen zij angstgegil, hetwelk tot hen
doordrong. Zij haastten zich naar de plek te ijlen, vanwaar die kreten
kwamen, en bereikten zoo de gebouwen van eene alleenstaande pachthoeve.
Die gebouwen stonden in brand. De pachthoeve was vooraf door een
bende boosdoeners, die zich verstrooid hadden, geplunderd geworden. De
misdadigers konden niet verre zijn; men kon nog twee van die schurken
ontwaren, die trachtten door het woud te ontvluchten.
James Burbank en zijne vrienden zetten die kerels, welke juist
in de richting van Camdless Bay vluchtten, onmiddellijk en zonder
aarzeling na. Die poging was evenwel tevergeefs. De brandstichters,
door de terreinhindernissen te midden van dat woeste bosch begunstigd,
slaagden er in te ontkomen.
Intusschen hadden de heeren Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard
een hunner zeer goed kunnen herkennen en die eene was de Spanjaard.
Bovendien, eene andere bewijsvoerende omstandigheid sloot zich daarbij
aan, namelijk toen die kerel bij een der krommingen van de woudgrens
bij Camdless-Bay verdween, liep hij Zermah, die daar voorbijkwam,
bijna tegen het lijf aan. De mestiesche vrouw schrikte hevig, maar
zij herkende hem. Volgens haar was het wel degelijk Texar, die daar
in alle haast vluchtte.
Zooals men wel begrepen zal hebben, baarde die zaak groot opzien in
het graafschap.
Een diefstal gevolgd door brandstichting, is wel de misdaad, welke de
kolonisten, die over eene groote uitgestrektheid van het grondgebied
meestal eenzaam wonen, het meest duchten. Master James Burbank aarzelde
dan ook geen oogenblik, om met eene formeele aanklacht op te treden.
Ten gevolge van zijne pertinente aanwijzingen, konden de autoriteiten
niet anders doen, dan rechtsingang tegen Texar verleenen.
De Spanjaard werd te Sint-Augustijn voor den recorder gedaagd, om
tegenover de getuigen gehoord en bij ontkentenis met hen geconfronteerd
te worden.
James Burbank, Walter Stannard, Edward Carrol en Zermah verklaarden
eenparig, dat zij Texar herkend hadden in den kerel, die de in brand
staande pachthoeve ontvluchtte. Volgens hen was hier geene vergissing
mogelijk. Texar was een der euveldaders bij die misdaad.
Maar van zijn kant had de Spanjaard een zeker aantal tegengetuigen
naar Sint-Augustijn doen oproepen. Dezen nu verklaarden formeel,
dat zij zich dienzelfden avond, toen de misdaad bedreven werd,
in gezelschap van Texar in de »tienda" de Torillo te Jacksonville
bevonden hadden. Die tienda was eene slecht befaamde kroeg, die als
zoodanig bij iedereen bekend was. Texar zou dat krot gedurende den
geheelen avond niet verlaten hebben.
Eene nog meer bevestigende bijzonderheid werd er bij gevoegd,
namelijk dat Texar, juist op het oogenblik dat de misdaad gepleegd
werd, een twist had met een der gasten van die kroeg van Torillo,
welke twist door bedreigingen gevolgd en met slagen geëindigd was,
waarvoor ongetwijfeld klachten tegen hem zouden ingebracht worden.
Tegenover deze getuigenissen, die men niet wantrouwen kon, omdat zij
door personen afgelegd werden, die den Spanjaard geheel vreemd waren,
zag de magistraat van Sint-Augustijn zich verplicht de rechtsvervolging
te staken en den beschuldigde vrij en frank te laten gaan.
De alibi was dan ook ditmaal ten voordeele van dezen vreemdsoortigen
kerel ten volle bewezen geworden.
Het was na die rechtszaak, dat Texar in gezelschap van zijne getuigen
van Sint-Augustijn, den zetel der arrondissements-rechtbank, in den
avond van den 7den Februari terugkeerde. Men weet, welke houding
hij aan boord van de Shannon, terwijl die boot den stroom afstoomde,
aangenomen had.
Toen later de squif, door Squambô gevoerd, hem opgenomen had, was hij
naar het verlaten fortje teruggekeerd, alwaar hij, zooals wij weten,
moeielijk te volgen ware geweest.
Wat dien Squambô betreft,--waarover wij toch ook een enkel woord dienen
te zeggen,--dat was een schrandere en listige Seminool-Indiaan, die de
vertrouweling van Texar geworden was. Deze had hem, juist bij het einde
dier laatste expeditie van die inboorlingen binnen het grondgebied
van Florida, waarbij zijn naam zoo ten rechte gecompromitteerd was
geworden, in dienst genomen.
De Spanjaard kon natuurlijk in den geestestoestand, waarin hij zich
tegenover James Burbank bevond, aan niets anders denken, dan zich door
alle mogelijke middelen te wreken. En nu, door de gebeurlijkheden,
die door den oorlog dagelijks konden in het leven geroepen worden, zou
Texar, wanneer hij er in slaagde, het bestaande bestuur te Jacksonville
omver te werpen, voor Camdless-Bay zeer gevaarlijk worden en derhalve
zeer te duchten zijn.
Het is waar, dat de geaardheid van master James Burbank hem niet
gedoogde voor iemand van zulk gehalte te beven; maar dat nam niet weg,
dat mevrouw Burbank redenen te over meende te hebben, om voor haren
echtgenoot en voor allen, die haar lief waren, te vreezen.
En wanneer die eerlijke familie nu nog had geweten, dat Texar
vermoedde, dat Gilbert Burbank dienst had genomen in de gelederen
van de strijdmacht der Noordelijken, dan zou zij voorzeker in
onophoudelijke angsten geleefd hebben.
Hoe had die kerel die bijzonderheid toch vernomen? Gilbert was
toch in stilte heengegaan en zijn vertrek was voor een ieder geheim
gehouden. Daarop is geen antwoord te geven. Voorzeker had hij hen,
die hij haatte, laten bespieden, en hij was gewoon, zooals wij wel
later zullen zien, zich van spionnen te bedienen.
En inderdaad, zou men niet moeten duchten, nu Texar vermeende dat
de zoon van master James Burbank in de gelederen der federalisten,
onder de bevelen van den Commodore Dupont diende, dat hij zou pogen
den jeugdigen officier een strik te spannen? Ja, dat zeker. Ook dat,
wanneer hij er in slagen mocht, hem op het Floridasche grondgebied te
lokken, hij zoude trachten zich van zijn persoon meester te maken, om
hem aan de Zuidelijke autoriteiten over te leveren. Men begrijpt welk
lot Gilbert zoude wachten, wanneer hij zich in handen zoude bevinden
van die slavenhouders, die door den voorspoed der Noordelijken ten
zeerste verbitterd waren.
Zoo stond de staat van zaken op het oogenblik, dat dit verhaal begint.
Zoo was de toestand der federalisten, die tot dicht bij de zeegrenzen
van Florida genaderd waren.
Zoo was de toestand van master James Burbank te midden van het
graafschap Duval.
Zoo was de positie van Texar niet alleen te Jacksonville, maar in de
geheele uitgestrektheid van het slavenhoudende grondgebied van Florida.
Wanneer de Spanjaard er in slaagde, de bestaande regeering omver te
werpen of hare macht te verlammen, dan zou het voor hem eene zeer
gemakkelijke taak zijn, om de dweepzieke bevolking, die tot de grootst
mogelijke woede ten opzichte van de tegenstanders van de slavernij
opgezweept zoude zijn, aan te zetten zich op Camdless-Bay te werpen.
Een uur ongeveer nadat hij Texar verlaten had, was Squambô weer op
het centraal-eilandje terug. Hij trok zijne squif op de oeverhelling,
begaf zich naar het fortje, stapte de poterne door en de trap van
het blokhuis op.
»Hebt gij gedaan, wat ik u bevolen had?" vroeg Texar hem.
»Ja, meester."
»En.... niets?"
»Neen, niets."
VI.
JACKSONVILLE.
»Ja, Zermah, ja, je bent geschapen en ter wereld gebracht, om slavin te
zijn!" herhaalde de administrateur Perry, wie weet voor de hoeveelste
maal. »Ja, om slavin te zijn en volstrekt geen vrij schepsel!"
Als die man zijn stokpaardje bereed, was hij er onmogelijk af te
brengen.
»Ik deel uwe meening niet," sprak Zermah kalm en zonder van eenige
aandoening te laten blijken.
Het goedige schepsel was gewoon geraakt aan het geleuter van den
administrateur van Camdless-Bay.
»Zoo, deel je mijne meening niet?"
»Neen, master Perry!"
»Nu, om het even, Zermah! Mij kan het niet schelen, wat uwe meening
ook zijn moge; maar gij zult toch eindigen moeten met de meening te
deelen, dat er redelijkerwijze geene gelijkheid kan bestaan of in
het leven geroepen worden tusschen blanken en zwarten."
»Och, die gelijkheid is reeds in het leven geroepen, mijnheer Perry,
en zij is dat door de natuur zelve."
»Gij vergist u, Zermah."
»Vergis ik mij, master Perry?"
»Ja, Zermah, en het bewijs daarvan is, dat het aantal blanken over
de oppervlakte der aarde verspreid, tienmalen, twintigmalen...;
maar wat raaskal ik?... honderdmalen dat der zwarten overtreft!"
»En daarom hebben zij hen tot slavernij gedoemd!" antwoordde Zermah.
»Juist.... Maar...."
»Omdat zij de macht hadden, hebben zij er misbruik van gemaakt!"
»Maar luister dan toch, Zermah!"
»Wanneer de zwarten evenwel de getalsterkte aan hunne zijde hadden
gehad, dan zouden zij de blanken tot slaaf gemaakt hebben!... Maar
neen! Driemaal neen! Zij zouden veel meer rechtvaardigheidszin en
veel minder wreedheid hebben aan den dag hebben gelegd!"
»Dat zou nog te bezien staan," pruttelde de oude administrateur, niet
tevreden over den loop van het gesprek. »God weet, wat die zwarte
schelmen zouden uitvoeren, als zij eens de baas waren!"
Men moet nu uit dit gesprek, dat zoo nu en dan maar eens gevoerd werd,
niet afleiden, dat de administrateur Perry en de gewezen min Zermah
vijandig tegenover elkander stonden. O, zeker niet! Het tegendeel was
waar; maar zij hadden voor het oogenblik niets anders te doen dan te
babbelen en te kibbelen.
Er zou kunnen aangenomen worden, dat het onderwerp van hun onderhoud
eene meer nuttige strekking zou kunnen gehad hebben, en dat zou ook
waarschijnlijk het geval zijn, zonder het zwak van den administrateur,
die steeds over de slavernij-quaestie wilde twisten.
Beiden waren gezeten in eene der pleizier-vaartuigen van Camdless-Bay,
dat door vier varensgezellen van de plantage geroeid werd. Zij
staken de rivier in schuine richting over en begaven zich naar
Jacksonville, waarbij zij door de ingetreden eb goed geholpen
werden. De administrateur had eenige zaken voor rekening van James
Burbank ter hoofdplaats te behandelen, en Zermah vergezelde hem,
om eenige toiletartikelen voor de kleine Dy in te koopen.
Men telde toen den 10den Februari.
Master James Burbank was te Castle-House en Texar in de Zwarte
Kreek sedert drie dagen na het proces, te Sint-Augustijn gevoerd,
teruggekeerd.
Het spreekt vanzelf dat master Walter Stannard en zijne dochter den
volgenden ochtend een briefje van Camdless-Bay ontvingen, waarin hun
in korte trekken van den inhoud van Gilberts brief mededeeling gedaan
werd. Waarlijk, die tijdingen kwamen niet te vroeg, om miss Alice,
die hare dagen, sedert het uitbreken van dien onzaligen burgeroorlog
tusschen het zuidelijk en noordelijk gedeelte van de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika, in voortdurende ongerustheid doorbracht,
eenigermate tot bedaren te stemmen.
Het vaartuig, waarin Perry en Zermah gezeten waren, was getuigd
met een soort barkzeil en stevende flink vooruit. Nog een klein
kwartieruur, dan zou het de haven van Jacksonville bereikt hebben. Er
bleef den administrateur dan nog maar zeer luttel tijd over, om zijne
geliefkoosde denkbeelden grondig te ontwikkelen. Hij liet dan ook de
gelegenheid niet ontsnappen.
»Neen, Zermah, neen, geloof mij," hernam hij. »Al hadden de zwarten
ook al de getal-meerderheid gehad, dan nog zou dat niets aan den
staat van zaken veranderd hebben"....
»Hetgeen te bezien zou staan," mompelde de mestiesche vrouw.
»En ik ga verder," vervolgde Perry, »en beweer dat, welke ook de
uitkomsten van den oorlog mogen zijn, men steeds tot de slavernij
zal terugkeeren...."
»En dat waarom?" vroeg Zermah ietwat bits.
»Eenvoudig, omdat er slaven noodig zijn voor den dienst der plantages."
»Zoo denkt master Burbank er toch niet over, zooals gij zeer goed
weet!" antwoordde Zermah.
»Ja, dat weet ik, maar in weerwil van den eerbied, dien ik voor hem
koester, durf ik beweren, dat master James Burbank zich vergist. Een
zwarte behoort tot den inventaris eener onderneming, evengoed als de
huis- en trekdieren, evengoed als de landbouwgereedschappen."
»Het is wat moois!" bromde de mestiesche.
»Verbeeld je dat een paard kon weggaan, wanneer het wilde," vervolgde
de administrateur, »dat een ploeg het recht had uit eigen beweging
in andere handen dan in die van zijn meester over te gaan, wanneer
dat in zijn kraam te pas kwam, dan zou..."
»Maar dat is eenvoudig bespottelijk!" sprak Zermah heftig.
»Dan zou geene exploitatie meer mogelijk zijn," ging Perry
onverstoorbaar voort. »Juist Zermah, gij hebt het gezegd: dat zou
eenvoudig bespottelijk zijn!"
»Maar, master Perry..."
»Laat master James Burbank zijne slaven in vrijheid stellen, dan
zullen wij eens zien, wat er van Camdless-Bay terecht zal komen."
»Hij zou dat reeds gedaan hebben, wanneer de omstandigheden zulks
gedoogd hadden, dat weet gij ook wel, master Perry. En wilt gij
weten, wat er gebeurd zoude zijn, wanneer de slaven in vrijheid
gesteld waren?"
»Ja, dat wou ik wel eens weten, Zermah!"
»Welnu, dan zou geen enkele neger de plantage verlaten hebben."
»Niet? Een mooie vrijheid dan."
»Er zou niets veranderd zijn, dan het recht om hen als lastdieren te
kunnen behandelen. En daar gij nimmer van dat recht gebruik gemaakt
hebt, master Perry, zou Camdless-Bay, na de invrijheidstelling der
slaven, gebleven zijn wat het tot dusver was."
»Denkt gij mij bij geval tot uwe denkbeelden bekeerd te hebben,
Zermah?" vroeg de administrateur.
»In geenen deele, master Perry. Daarenboven, dat zou geheel nutteloos
wezen."
»Nutteloos?"
»Ja, geheel en al nutteloos, en weet gij waarom?"
»Welnu?"
»Om eene zeer eenvoudige reden..."
»En welke?"
»Wel, omdat gij in het wezen der zaak over die quaestie denkt evenals
master Burbank, als master Edward Carrol, als master Walter Stannard
en evenals alle anderen, die een edelmoedig hart en een rechtvaardigen
geest hebben."
»Nooit, Zermah, nooit!"
»Gij hebt mooi praten."
»Nooit, Zermah, nooit! En ik beweer zelfs, dat, wat ik aanvoer,
geheel en al in het voordeel der zwarten is. Als men hen aan hun
eigen wil overlaat, dan zullen zij van ellende omkomen en hun ras
zal onvermijdelijk te niet gaan."
»Dat geloof ik niet, master Perry, al verteldet gij dat honderd malen!"
»Gij zult het zien."
»Neen, nooit! nooit!... En al ware dat zoo... welnu, dan zou het
beter zijn, dat het ras te niet ging, dan dat het aan de eeuwigdurende
vernederende slavernij zoude gewijd zijn!"
De administrateur, die, zooals men wel bevroeden zal, zijne
bewijsgronden nog lang niet uitgeput had, zou wel hebben willen
antwoorden, maar het zeil was reeds ingenomen en het vaartuig schoot
het houten staketsel van de aanlegplaats op zijde. Daar moest het
op den administrateur en Zermah blijven wachten. Beiden ontscheepten
weldra en spoedden zich heen, om zich ieder van hunnen kant aan hunne
zaken te wijden.
Jacksonville is op den linkeroever der Sint-John aan de grens van
een vrij lage vlakte gelegen. Die vlakte is door prachtige bosschen
omzoomd, die haar eene steeds groene omlijsting schenken. Uitgestrekte
velden van maïs of Turksche tarwe en van suikerriet besloegen dat
geheele terrein, terwijl in de nabijheid der rivier rijstvelden
aangetroffen werden.
Jacksonville was, nog slechts een tiental jaren geleden, niets meer
dan een groot dorp, een stadje, bestaande uit hutten van »torchis"
of biezen, die slechts tot woningen van de negerbevolking dienden.