James Burbank had in haar eene liefhebbende en aantrekkelijke

levensgezellin gevonden, aan wie hij een groot gedeelte van het geluk,

hetwelk hij gesmaakt had, verschuldigd was. De edelmoedige vrouw

leefde slechts voor haren echtgenoot, voor hare kinderen, die zij in

de volste beteekenis des woords aanbad, en omtrent welker toekomst

zij de levendigste ongerustheid gevoelde in de gegeven omstandigheden,

waardoor de burgeroorlog tot in Florida zou overgebracht worden.

Ja, zij had Diana, of beter Dy, zooals het vroolijke en beminnelijke

meisje gewoonlijk genoemd werd, op Castle-House bij zich; maar

Gilbert daarentegen was er niet. Die bevond zich te midden van het

volle oorlogsgewoel. En dat was oorzaak, dat de liefderijke moeder

onophoudelijke doodsangsten doorstond en zij zich niet in staat

gevoelde, die steeds en altijd te bemantelen.

Gilbert was een jongeling, die toen vier en twintig jaren oud was,

en bij wien men de edele eigenschappen en hoedanigheden van zijn

vader terugvond. Hij was evenwel iets meer mededeelzaam van karakter,

terwijl hij lichamelijk met meer bevalligheid en aantrekkelijkheid

bedeeld was. Bovendien was hij een stoutmoedige kerel, die zijne

zenuwen door alle mogelijke lichaamsoefeningen gestaald had. Hij was

even behendig ruiter als bekwaam zeevaarder en ervaren jager. Tot

grooten schrik zijner moeder had hij veelal de uitgestrekte wouden en

moerassen van het graafschap Duval tot tooneel zijner jachtbedrijven

gekozen. Ook met de veelvuldige kreken en zeemondingen van de Sint

John was hij bekend, en meermalen had hij zijne tochten tot bij de

Pablo-monding uitgestrekt.

Gilbert gevoelde zich dan ook natuurlijk geheel aangetrokken tot

het soldatenleven, toen de eerste schoten bij het uitbreken van

dien onzaligen secessie-oorlog gewisseld werden, en was tot het

doorstaan van de vermoeienissen, aan dat leven verbonden, geheel

en al geschikt. Hij begreep, dat zijn plicht hem in de gelederen

der federalistische troepen riep en aarzelde niet. Hij verzocht om

te mogen vertrekken. En James Burbank dacht er geen oogenblik aan,

om den wensch zijns zoons te weerstreven, hoeveel verdriet zijne

echtgenoot ook over het genomen besluit mocht ondervinden en hoevele

gevaren de toestand ook mocht aanbieden. Hij dacht evenals zijn zoon,

dat plicht gebood en dat plicht boven alles moet gaan.

Gilbert vertrok dus naar het noorden; maar zijn heengaan werd

zoo geheim mogelijk gehouden. Wanneer men toch te Jacksonville

vernomen zoude hebben, dat de zoon van James Burbank bij het

leger der Noordelijken in dienst getreden was, zou dat voorzeker

represaille-maatregelen tegen Camdless-Bay uitgelokt hebben. De jonge

man had aanbevelingsbrieven medegekregen voor vrienden, die zijn vader

in den Staat New Jersey behouden had. Daar hij steeds een zekere

voorkeur voor het zeemansleven aan den dag gelegd had, verschafte

men hem spoedig eene verbintenis op de federalistische vloot.

In dien tijd kwam men in dienst snel vooruit, en daar Gilbert

tot hen behoorde, die niet van luilakken houden, baande hij zijn

weg. Daarenboven had het gouvernement van Washington het oog op dien

jongen man gevestigd, die bij het uitbreken der vijandelijkheden geen

oogenblik geaarzeld had, om zijne diensten aan te bieden. Bij den

aanval op het fort Sumter had Gilbert het geluk gehad bijzonder

uit te munten. Hij was op de Richmond, toen dit schip in de

Mississippi-monding door de Manassas aan boord geloopen werd, en hij

bracht in ruime mate het zijne er toe bij, om het veroverde vaartuig

te ontdoen van de entertrossen en haken en het te hernemen.

Na die verrichting werd hij, hoewel hij niet afkomstig was van

de zeevaartkundige inrichting te Annapolis, evenmin als al die

geïmproviseerde officieren, welke aan den handel ontleend waren,

tot adelborst bevorderd. In dezen nieuwen graad kwam hij bij het

smaldeel van den Commodore Dupont aan en woonde het schitterende

wapenfeit van het nemen van het fort Hatteras, daarna het bezetten

der Sea Islands bij.

Hij was nu luitenant ter zee aan boord van een der kanonneerbooten

van den Commodore Dupont, die zich gereed maakten om de toegangen

tot de Sint John te bemachtigen.

Ja, dit jongmensch was ook ongeduldig om dien onzaligen en bloedigen

broederoorlog een einde te zien nemen. Hij beminde toch en werd

weder bemind!

Wanneer zijn diensttijd om zoude zijn, zou hij naar Camdless-Bay

vliegen, alwaar hij met de dochter van een der beste vrienden zijns

vaders in het huwelijk zoude treden.

Master Walter Stannard behoorde niet tot de klasse der kolonisten van

Florida. Hij was als weduwnaar, evenwel niet geheel zonder vermogen,

bij den dood zijner gade achtergebleven en had zich geheel en al willen

wijden aan de opvoeding zijner dochter. Hij woonde te Jacksonville

en had derhalve de rivier slechts vier of vijf mijlen op te varen,

om zich naar Camdless-Bay te begeven. In de laatste vijftien jaren

was er geen week voorbijgegaan, dat hij geen bezoek aan de familie

Burbank gebracht had. Men zou dus gerust kunnen beweren, dat Gilbert

Burbank en Alice Stannard te zamen opgevoed waren.

Vandaar dan ook dat men reeds sedert langen tijd plannen van een

huwelijk tusschen de jongelieden gevormd had. Die plannen hadden nu

tot eene beslissing geleid, die het geluk van beiden moest verzekeren.

Hoewel Walter Stannard van zuidelijke afkomst was, zoo was hij

toch, evenals meerdere zijner medeburgers in Florida, een bepaald

tegenstander van de slavernij. Maar hij en zijne medestanders waren

niet talrijk genoeg, om aan de groote meerderheid der kolonisten en

der bewoners van Jacksonville, welker denkbeelden steeds scherper aan

den dag kwamen en zich al meer en meer voor de zaak der afscheiding

uitspraken, het hoofd te kunnen bieden. Daaruit volgde, dat die

eerlijke lieden door de volksmenners in het graafschap, door

de half-blanken en vooral door de heffe des volks, die tot alle

buitensporigheden en uitspattingen in staat was, met vertoornden blik

nagekeken werden.

Walter Stannard was een Amerikaan, van Nieuw Orleans geboortig. Mevrouw

Stannard, van Fransche afkomst, was op jeugdigen leeftijd gestorven,

maar had de edele hoedanigheden, welke het Fransche ras zoo eigen zijn,

op hare dochter overgedragen.

Toen het oogenblik van vertrek voor Gilbert gekomen was, had Alice eene

groote geestkracht aan den dag gelegd. Zij was het, die toen mevrouw

Burbank getroost en gerustgesteld had. Hoewel zij Gilbert evenzeer

beminde als hij haar liefhad, hield zij niet op zijne moeder er op te

wijzen, dat het zijn plicht was om te vertrekken, dat het zijn plicht

was om voor zulk eene menschlievende zaak te strijden. Strijden voor

die zaak, was strijden voor de bevrijding van een geheel menschenras.

Miss Alice was toen negentien jaren oud. Het was een blond jong meisje

met bijna zwarte oogen, met eene warme en levendige huidtint, met

eene bevallige gestalte en met lieve en voorname gelaatstrekken. Zij

was wellicht een weinig ernstig, maar daarbij toch zoo bewegelijk

van uitdrukking, dat de minste glimlach voldoende was om haar fraai

gelaat te doen uitkomen.

En nu nog de schildering van een paar anderen.

Waarlijk, de kennismaking met de familie Burbank zou onvolkomen zijn,

wanneer men naliet de beide dienstboden Mars en Zermah met een paar

penseelstreken te vermelden.

Zooals men uit den brief van Gilbert gezien heeft, was deze niet alleen

vertrokken. Mars, de echtgenoot van Zermah, had hem vergezeld. De

jonge man zou geen meer verknochten makker hebben kunnen aantreffen dan

die slaaf van Camdless-Bay, die vrij was, zoodra hij het grondgebied

der anti-slaven-gezinde Staten betreden had. Maar Gilbert was steeds

voor Mars zijn jonge meester en hij had hem niet willen verlaten,

hoewel het federalistische gouvernement reeds lang overgegaan was tot

het vormen van neger-bataljons, waarin hij natuurlijk een plaats had

kunnen vinden.

Mars en Zermah behoorden niet door hunne geboorte tot het zuivere

negerras. Zij waren beiden mestiezen. Zermah had tot broeder dien

heldhaftigen slaaf, Robert Small genaamd, die vier maanden later in de

baai zelve van Charlestown aan de geconfedereerden een stoomscheepje,

bewapend met twee kanonnen, zou ontnemen, om het als hulde aan de

federalistische vloot aan te bieden.

Zermah was dus van goed ras; maar Mars ook. Het was een gelukkig

huisgezin, dat gedurende de eerste jaren van hun huwelijk, zich

meermalen door den hatelijken slavenhandel in hun geluk bedreigd had

gezien. Het was zelfs ten gevolge van zulk een oogenblik, waarbij zij

door de wisselvallige kansen van eene verkooping gescheiden zouden

worden, dat zij te Camdless-Bay in het personeel der plantage waren

opgenomen geworden.

Ziehier onder welke omstandigheden dat plaats had.

Zermah was thans een-en-dertig jaren oud, Mars vijf-en-dertig

jaren. Zij waren zeven jaren vroeger getrouwd, toen zij aan een

zekeren kolonist toebehoorden, Tickborn genaamd, wiens onderneming

een twintig mijlen hoogerop en bovenstrooms van Camdless-Bay gelegen

was. Die kolonist had sedert jaren in drukke betrekking gestaan met

Texar. Deze laatste bracht veelvuldige bezoeken op de plantage van den

eerstgenoemde, alwaar hij steeds goed ontvangen werd. Dat kan geen

bevreemding baren, daar Tickborn iemand was, die hoegenaamd geene

achting in het graafschap genoot. Zijn bevattelijkheid was gering,

en daar zijne zaken in de war geraakten, was hij verplicht eene partij

zijner slaven te verkoopen.

Juist tegen dat tijdstip had Zermah, die, evenals het overige

slavenpersoneel van de plantage Tickborn, zeer mishandeld was geworden,

een armzalig klein wezen ter wereld gebracht, dat haar bijna dadelijk

ontnomen was geworden. Terwijl zij de straf onderging voor de eene of

andere misdaad of verzuim, dat zij niet begaan had, of waaraan zij

niet schuldig was, stierf haar kind in hare armen. Dat men oordeele

welke droefheid de arme Zermah bezielde, maar ook welken toorn Mars

voelde opwellen!

Maar wat konden die rampzaligen tegen een meester uitrichten, aan

wien hun vleesch, hetzij levend hetzij dood, toebehoorde? Hij had

het immers gekocht!

Bij dat verdriet zou een nog veel verschrikkelijker gevoegd worden. En

inderdaad, den morgen volgende op den dag dat hun kind gestorven was,

waren Zermah en Mars ten verkoop aangeslagen geworden. Maar... de

troost om zich bij een anderen meester weer bij elkander aan te

treffen, zouden zij zeker niet hebben mogen smaken. Er had zich toch

een man voorgedaan, die Zermah wilde koopen; maar Zermah alleen,

hoewel hij geene plantage bezat. Een gril voorzeker! En die man was

Texar. En zijn vriend Tickborn was op het punt de vereischte koopakte

op te maken, toen in het laatste oogenblik door een nieuwen kooper

een opbod gedaan werd.

Die nieuwe kooper was master James Burbank, die bij dien verkoop der

slaven van Tickborn tegenwoordig was. Hij gevoelde zich zeer bewogen

met het lot der arme mestiesche vrouw, die tevergeefs bad en smeekte,

dat men haar toch niet van haren echtgenoot zoude scheiden.

James Burbank had juist eene min voor zijn dochtertje noodig. Toen hij

vernam, dat eene der slavinnen van Tickborn, wier kind pas gestorven

was, in de gewenschte omstandigheden verkeerde, had hij slechts ééne

gedachte, namelijk die om haar te koopen. Maar innig bewogen door de

tranen van Zermah, aarzelde hij niet om voor haren man en haar een

veel hoogeren prijs te loven dan tot nu toe geboden was.

Texar kende master James Burbank, die hem reeds verscheidene malen

van zijn landgoed als een man van zeer verdachte reputatie verjaagd

had. Dat was dan ook de oorzaak van den haat, dien Texar aan de

geheele familie op Castle-House toedroeg.

Texar poogde tegen zijn rijken concurrent op te bieden; maar dat ging

niet. Hij hield evenwel vol, zoodat de prijs tot het dubbele steeg

van dien, welken Tickborn voor de beide mestiezen, voor man en vrouw,

gevraagd had. Dat diende tot niets dan om James Burbank te noodzaken

zooveel duurder te betalen. Eindelijk werd hem het paar toegewezen.

Dus, niet alleen zouden Mars en Zermah niet van elkander gescheiden

worden, maar zij zouden in dienst komen bij den meest edelaardigen

van alle kolonisten van geheel Florida.

Dat was waarlijk eene verzachting in hun leed. Zij zagen dan ook

met een zeker gevoel van veiligheid de toekomst, die zich zoo

verschrikkelijk voorgedaan had, tegemoet.

Zermah was zes jaar later op het toppunt harer schoonheid als

mestiesche vrouw. Zij bezat eene geestkrachtvolle geaardheid,

daarenboven een hart, dat geheel aan hare meesters gewijd was. Zij

was meer dan eens in de gelegenheid geweest,--en zou in het vervolg

ook nog in de gelegenheid komen,--om hun hare dankbare toewijding te

bewijzen en te toonen. Mars was ten volle die vrouw waardig, waaraan

de liefderijke daad van James Burbank hem voor immer vastgeklonken

had. Hij was een opmerkenswaardig type van dit Afrikaansche ras,

hetwelk zich op zoo breeden voet met het Kreoolsch bloed gekruist

heeft. Hij was lang, uiterst stevig gebouwd en bezat een moed, die

gerust bij iedere gelegenheid op de proef gesteld kon worden. Daardoor

was hij in staat gesteld, om zijn meester de meest belangrijke diensten

te bewijzen.

Die twee nieuwe dienaren, welke aan het personeel der plantage van

Camdless-Bay toegevoegd waren, zouden evenwel niet als gewone slaven

behandeld worden. Door hunne goedhartigheid en hunne schranderheid

waren zij al heel gauw op hunne juiste waarde geschat geworden.

Mars werd in het bijzonder voor den dienst van den jeugdigen Gilbert

bestemd.

Zermah werd natuurlijk de min, de voedstermoeder van de lieve kleine

Diana.

Die schikkingen eigenden zich in het bijzonder, om die twee zoo innig

mogelijk in de vertrouwelijke intimiteit der familie Burbank binnen

te voeren.

Zermah gevoelde daarenboven al heel spoedig eene moederlijke liefde

voor dat jonge meisje in haar hart opwellen, eene liefde, die zij niet

meer voor haar eigen overleden kindje kon koesteren. Dy betaalde haar

die liefde met woekerwinst uit, en de kinderlijke liefde van de eene

beantwoordde ten volle aan de moederlijke liefde van de andere. Was

het wonder, dat mevrouw Burbank de meest vriendschappelijke en meest

dankbare gevoelens voor die twee mestiezen koesterde?

Dezelfde edelaardige band was tusschen Gilbert Burbank en Mars

ontstaan.

De mesties was behendig en krachtig. Door zijn voorbeeld en onderwijs

had hij er veel toe bijgebracht, om zijn jeugdigen meester eene zekere

behendigheid in alle lichaamsoefeningen te verleenen. James Burbank

wenschte zich zelven dan ook geluk, dat hij dien persoon aan zijn

zoon verbonden had.

Dus de toestand en de levensvoorwaarden van Zermah en van Mars waren

nimmer zoo gelukkig geweest.

Zij zouden nimmer vergeten, wat zij bij dien Tickborn geleden hadden,

ook niet, dat zij op het punt geweest waren in handen van een man

als Texar te geraken.

V.

DE ZWARTE KREEK.

Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dageraad,

wandelde een man op den oever van een der kleine eilandjes, welke

als verloren te midden van die lagune der Zwarte Kreek bestaan.

Dat was Texar.

Niet ver van hem, slechts op weinige passen van hem verwijderd, was een

Indiaan in de squif gezeten, die den vorigen dag bij het stoomschip

Shannon aangelegd had. Het vaartuigje scheen pas aangekomen, maar

ook weer gereed te zijn de lagune in of de rivier op te stevenen.

Die Indiaan--zal het nog wel noodig zijn hem te noemen?--was Squambô.

Na eenige malen heen en weer gedrenteld te hebben, bleef Texar voor een

magnolia-boom stilstaan, greep een der benedentakken, boog dien tot

zich en plukte een blad met stengel af. Daarna haalde hij een klein

briefje uit zijn notitieboekje, dat slechts drie of vier woorden,

met inkt geschreven, bevatte. Hij rolde dat briefje tot den kleinst

mogelijken vorm op en verborg het toen tusschen de onderhuid van

het magnolia-blad. Dat werd zeer behendig verricht, en wel zoodanig,

dat aan het uiterlijke van dat blad niet te bespeuren was, dat daarin

iets verborgen was.

»Squambô!" riep Texar toen.

»Meester?" vroeg de Indiaan.

»Ga, gij weet wel waarheen."

Bij die woorden reikte Texar hem het magnolia-blad aan.

Squambô nam het aan en legde het in het voorste gedeelte van de squif

neder. Daarop nam hij plaats bij den achtersteven, greep zijn pagaai,

sloeg dien te water, rondde met zijn vaartuigje weldra de eindpunt

van het eilandje en verdween eindelijk in een bochtig vaarwater,

te midden van het dichte gewelf, hetwelk de loofkruinen der boomen

over de lagune vormden.

Die lagune vormde een labyrinth, een waar doolhof van kanalen, die

met een uitgestrekt netwerk te vergelijken was. Zij was gevuld met

een zwart gekleurd water, niet ongelijk aan dat van de uitgeveende

turfgronden in Drenthe.

Niemand zou in dit doolhof den weg hebben kunnen vinden, tenzij hij

door langdurige ervaring eene grondige kennis opgedaan zoude hebben

van de vaarwaters en doorgangen van dat diepe uitwateringsbekken,

waarin de neventakken van de Sint John zich uitstorten.

Maar Squambô aarzelde geen oogenblik.

Hij stuurde stoutmoedig zijne squif naar plekken, waar het oog

geen doorvaart kon ontwaren. De lage takken, die hij ophief, om

den doortocht te erlangen, hernamen achter hem hun vorigen stand,

en niemand zou hebben kunnen vermoeden, dat een vaartuig daar ter

plaatse voorbij gestevend was.

Zoo vervolgde de Indiaan zijn weg en stevende door die lange bochtige

kanalen, die soms niet eens zoo breed waren als die voren in de

polders gegraven, om het naburige land droog te leggen. Eene groote

menigte van watervogels vloog bij zijne nadering op. Glibberige alen,

met verdachte koppen, die aan slangen deden denken, schoten onder de

struikwortels, die boven water uitstaken.

Squambô, als echte Indiaan, vreesde dat schuifelend gedierte niet,

evenmin de krokodillen, die in de modder lagen te slapen en die hij

wekken kon, door ze met zijn pagaai of met de kiel van zijn vaartuig

aan te raken. Hij stevende steeds vooruit en wanneer hem de ruimte

ontbrak om te kunnen pagaaiën, dan greep hij een staak, waarmede hij

zijn vaartuigje dan voortboomde.

In weerwil dat het reeds volle dag was, in weerwil dat het nachtelijk

duister bij het schitteren der eerste stralen van de opkomende zon

verdwenen was, zoo was het toch onmogelijk de dagvorstin onder dat

ondoordringbaar dak van loof te ontwaren. Zelfs bij den meest schellen

zonneschijn, zelfs wanneer dat hemellichaam in het zenith stond,

was het onmogelijk dat een enkele lichtstraal tot op de oppervlakte

van het zwarte water doordrong.

Het was alsof die moerassige streek slechts een halfduister noodig

had, zoowel voor het kruipend gedierte, hetwelk in dat smerige water

rondwriemelde, als voor de waterplanten, die op hare oppervlakte

dreven.

Zoo stevende Squambô gedurende ruim een half uur van het eene eilandje

naar het andere. Toen hij stil hield, was zijn vaartuigje bij een

der meest verwijderde hoeken der kreek aangekomen.

Bij die plek, waar het moerassige gedeelte der lagune eindigde, stonden

de boomstammen minder dicht bij elkander en waren de boomkruinen

minder ondoordringbaar. Hier en daar waren dan ook enkele lichtstralen

te ontwaren.

Iets verder strekte zich een uitgestrekt weiland uit, hetwelk met

wouden omzoomd was. Het waterpas van den bodem van dat weiland was

weinig boven de oppervlakte van de Sint John verheven. Ternauwernood

groeiden vijf of zes alleenstaande boomen er op. Wanneer de voet

zich op dien moddergrond neerzette, ondervond hij een gevoel, alsof

hij op eene veerkrachtige matras trad. Eenige sassafras-struiken,

met hun mager loof en hunne kleine violetkleurige bessen, teekenden

grillige arabesken op het groene grastapijt.

Na zijn squif aan een stronk op den oever vastgemeerd te hebben, sprong

Squambô aan wal. De nachtelijke nevelen begonnen op te trekken. Het

weiland, dat geheel verlaten was, begon langzamerhand uit den mist

te voorschijn te treden. Te midden der vijf of zes boomen, welker

omtrekken in slechts onzekere beelden te bespeuren waren, stond een

magnoliaboom van middelmatige ontwikkeling.

De Indiaan trad op dien boom toe en bereikte hem binnen weinige

minuten. Bij hem gekomen, deed hij, wat hij Texar had zien doen; hij

greep een der benedentakken en boog dien naar zich toe. Maar in stede

van er een blad van te plukken, bevestigde hij het blad, hetwelk hij

van zijn meester ontvangen had, er aan vast. Toen hij daarmede klaar

was, liet hij den tak weer los, die zijn vorigen stand hernam en dat

blad te midden der duizenden anderen van den boom als verloren voerde.

Squambô keerde toen naar zijn vaartuigje weder en stevende naar het

eilandje terug, waar Texar hem wachtte.

Die Zwarte Kreek, naar hare donkerkleurige wateren aldus genoemd,

besloeg een uitgestrektheid van ongeveer vijf- of zeshonderd

bunders. Zij werd door de Sint John gevoed en vormde eene soort

van archipel, die volkomen ondoordringbaar was voor hem, die er

de doolwegen en de kronkelende vaarwaters niet van kende. Het

getal eilandjes, hetwelk op hare oppervlakte werd aangetroffen,

bedroeg zeker een honderdtal. Om de gemeenschap daartusschen daar

te stellen, bestonden geene bruggen of veren. Neen, slechts enkele

lange dooreengevlochten lianen, eene soort van slingerplanten,

overspanden het vaarwater, slechts enkele hooge takken kruisten zich

boven de ontelbare waterspruiten, welke die eilandjes van elkander

scheidden. Dat was alles. Niets meer. En, het moet erkend worden, dat

deze verbindingsmiddelen niet zeer geschikt waren, om de gemeenschap

druk te doen zijn.

Een dezer eilandjes, nagenoeg in het midden van het stelsel gelegen,

was door zijne uitgestrektheid van een twintigtal bunders en door

zijne verhevenheid van vijf of zes voeten boven den gemiddelden

waterstand zoowel van de Sint-John als van den Atlantischen Oceaan,

als het voornaamste aan te merken.

In een lang vervlogen tijdvak, had dit eilandje tot emplacement

gediend van een klein fort, een soort blokhuis, dat thans uit een

militair oogpunt verlaten was en welks slooping aan den tand des

tijds overgelaten was, zooals de officiëele uitdrukking luidt. Zijne

palissadeering, die reeds half verrot was, stond nog onder de hooge

boomen, onder de magnolia's, de cypressen, de steeds groenende eiken,

de zwarte noteboomen, de zuidelijke pijnboomen, die met hunne lange

festoenen van cobea's en andere eindelooze slingerplanten doorvlochten

en getooid waren.

Binnen de omwalling ontwaarde het oog eindelijk onder de dichte

loofkruinen van dat geboomte de geometrische lijnen van dat kleine

fort of beter gezegd: van dien observatiepost, die nimmer voor meer

geschikt geweest was, dan tot opneming van een detachement van een

twintigtal manschappen. Smalle schietgaten waren in die houten muren

der palissadeering ingesneden. De graszoden daken dekten de gebouwen

met een dikke laag aarde, die bestemd was om de kogels der aanvallers

op te vangen.

In het innerlijke bevonden zich eenige kamers, welke het centrale

reduit uitmaakten en aan een magazijn grensden, waarin vroeger

de levensmiddelen en de munitiën, voor de bezetting benoodigd,

opgeborgen waren.

Om binnen dat reduit van het fortje te geraken, moest men eerst langs

eene smalle poterne door de walgang dringen, daarna de esplanade of

binnenplaats overschrijden, die met eenige boomen beplant was, en

eindelijk een tiental treden opstappen, die in den grond uitgestoken

waren en door balken gesteund werden. Dan vond men de eenige deur,

die tot het innerlijke van het reduit toegang verleende, en die was

nog, om de geheele waarheid te zeggen, slechts eene oude embrasure

of kanonschietgat, hetwelk tot dat doeleinde gewijzigd was.

Dat was het gewone verblijf, of beter de gewone schuilplaats van Texar,

die niemand kende.

Daar leefde hij, verscholen voor iedereen, met dien Squambô, die aan

den persoon van zijn meester zeer verknocht was. Deze en vijf of zes

slaven, die daar ook verblijf hielden, waren niet veel beter dan Texar.

De strijd tusschen Noord en Zuid Deel 1: Overrompeling eener plantage · 第 4 / 19 段