lichting van vijfmaal honderd duizend vrijwilligers onder de wapenen
geroepen werd. Men zou het later daarbij niet laten, daar het getal
strijders der abolitionnisten vóór het einde van den reuzenstrijd het
cijfer van een millioen te boven gingen. Men schreef daarenboven eene
leening uit van vijf honderd millioen dollars. Groote legers werden in
het leven geroepen, waaronder dat der Potomac. De Generaals, die aan
het hoofd van die legers geplaatst werden, waren: Banks, Butler, Grant,
Sherman, Mac Clellan, Meade, Thomas, Kearney en Halleck. Dit zijn
slechts de namen van de voornaamsten en van de meest beroemden. Alle
wapens en diensten werden voltallig gemaakt. De infanterie, de
cavalerie, de artillerie, de genie werden allen nagenoeg op dezelfde
wijze in divisiën ingedeeld. Met eene onbeschrijfelijke voortvarendheid
werd er allerwege gewerkt, om het benoodigde oorlogs-materieel te
vervaardigen, zooals: Minié- en Colt-karabijnen, getrokken kanonnen
volgens de stelsels van Parrot en Rodman, kanonnen met gladde ziel en
Columbiads-geschut volgens het stelsel Dahlgren, houwitser-kanonnen,
revolver-kanonnen, Shrapnel-granaten, belegeringsparken, enz. enz. Men
regelde de diensten der militaire telegraphie en der militaire
luchtvaart, ook den reporters-dienst der groote dagbladen, de
transportdienst, welke door twintig duizend karren, door vier en
tachtig duizend muildieren getrokken, verricht zou worden. Men bracht
de noodige hoeveelheden levensmiddelen te zamen, die onder het bestuur
van den directeur der intendance gesteld werden. Men vervaardigde
nieuwe grondvormen van ramschepen, die de »rams" van kolonel Ellet
genoemd werden; ook »gun-boats," die den naam van kanonneerbooten
van den Commodore Foote erlangden. Deze laatstgenoemden verschenen
voor de eerste maal bij een zeeoorlog.
Bij de Zuidelijken werd niet minder ijver en geestdrift ontwikkeld.
Er bestonden vele kanongieterijen in New-Orleans, bij voorbeeld
te Memphis. Er werden smederijen te Tredogar, in de nabijheid van
Richmond aangetroffen, alwaar Parrot- en Rodman-kanonnen vervaardigd
werden. Maar dat kon onmogelijk bij den bestaanden staat van
zaken voldoende wezen. Het gouvernement der geconfedereerden deed
toen bestellingen in Europa. Luik en Birmingham verzonden geheele
scheepsladingen met wapenen, voornamelijk kanonstukken volgens het
stelsel van Armstrong en Whitworth. De blokkadebrekers, die katoen
tegen spotprijs kwamen laden in de havenplaatsen der Zuidelijken,
konden geene vracht dan in ruil van oorlogsmateriëel verkrijgen.
Het leger werd vervolgens uitgerust en georganiseerd. De Generaals
der Zuidelijken waren Johnston, Lee, Beauregard, Jackson, Critenden,
Floyd, Pillow, enz. Aan de vier honderd duizend vrijwilligers, die
voor hoogstens drie jaren en voor minstens een jaar onder de wapenen
geroepen waren, voegde men korpsen ongeregelde troepen toe, zooals:
militietroepen en guerilla-benden. Dat alles werd op den 8sten Augustus
1861 door het Separatistisch Congres met eene onbeschrijfelijke
geestdrift aan den president Jefferson Davis toegestaan.
Alle die voorbereidende maatregelen beletten evenwel niet, dat de
strijd hervat werd, zoodra het tweede gedeelte van den eersten winter
om was. Van het geheele grondgebied, waarop slaven gehouden werden,
was nog slechts Maryland, West-Virginia, eenige gedeelten van Kentucky,
het grootste gedeelte van Missouri en een zeker getal plaatsen op de
kuststreek door de federalistische troepen bezet.
De vernieuwde vijandelijkheden begonnen het eerst in het oostelijk
gedeelte van Kentucky. Op den 7den Januari had Generaal Garfield
de geconfedereerde troepen te Middle-Creek geslagen. Op den 20sten
daarop volgende delfden zij andermaal het onderspit te Logan-Cross of
Mill-Springs. Op den 2den Februari scheepte Generaal Grant zich in met
twee divisiën op eenige groote stoombooten van Tennessee, die door de
gepantserde flottilje van den Commodore Foote ondersteund werden. Op
den 6den reeds viel het fort Henry hem in handen. Zoo werd een schakel
van de keten verbroken, »waarop," zooals de geschiedschrijver van
dien burgeroorlog verklaart, »het geheele stelsel van verdediging
van zijn tegenstander Johnston steunde."
Geheel Cumberland en de hoofdplaats van den Staat Tennessee werden
toen onmiddellijk en binnen korten tijd door de federalistische
troepen bedreigd. Johnston poogde dan ook zijne geheele macht om het
fort Donelson te concentreeren, ten einde een steviger steunpunt te
hebben bij den verdedigenden oorlog, welken hij wenschte te voeren.
Tegen datzelfde tijdstip zakte eene andere expeditie, welke
bestond uit een korps van zestien duizend manschappen, onder de
bevelen van Generaal Burnside, uit een flottilje van vier en twintig
stoomschepen, die behoorlijk ten aanval bewapend waren, en uit vijftig
transportvaartuigen, de Chesapeake af en stak op den 12den Januari
van Hampton Roads in zee. In weerwil dat die scheepsmacht door hevige
stormen geteisterd werd, stevende zij de toegangen van Pamlico-Sound
binnen, om zich van het eiland Roanoke meester te maken en de kust
van Noord-Carolina tot werkeloosheid en onmacht te doemen.
Het eiland was evenwel versterkt. Het toegangs-kanaal werd ten westen
verdedigd door eene afdamming van gezonken scheepsrompen. Batterijen
en veldverschansingen beletten den toegang. Vijf of zes duizend man,
gesteund door een flottilje van zeven kanonneerbooten stonden gereed,
om iedere poging tot ontscheping tegen te gaan.
Maar, in weerwil van dat alles, en in weerwil van den moed der
verdedigers, in de dagen van den 7den en 8sten Februari ten toon
gespreid, viel dat eiland in handen van Burnside, die daarbij
twintig kanonnen buit maakte, terwijl hij meer dan tweeduizend man
krijgsgevangen maakte.
Daags daarna waren de federalistische troepen meester van Elisabeth
City en van de geheele kust van Albermarle Sound, dat wil zeggen van
het noorder gedeelte van die binnenzee.
En eindelijk, om deze beschrijving van den toestand tot op den 6den
Februari te besluiten, moeten wij nog spreken van dien Generaal der
Zuidelijken, van dien gewezen professor in de scheikunde, van Jackson,
van dien puriteinschen soldaat, die den Staat Virginia verdedigde.
Nadat Generaal Lee naar Richmond teruggeroepen was, voerde hij het
bevel over het Zuidelijke leger. Hij verliet op den 1sten Januari
Winchester met zijne tienduizend man, trok het Alleghanies-gebergte
over om Bath, aan den Ohio-spoorweg gelegen, te bezetten; maar hij
werd door het ruwe weder overwonnen. Sneeuwstormen dreigden zijn leger
te vernietigen, zoodat hij verplicht werd naar Winchester terug te
keeren, zonder zijn objectief bereikt te hebben.
En nu wat betreft de Zuidelijke kusten en meer in het bijzonder van
af den Staat Carolina tot aan Florida, ziehier wat er gebeurd was:
De Noordelijken bezaten gedurende de tweede helft van het jaar 1861
genoeg snelvarende schepen, om het noodige politie-toezicht in die
zeeën uit te oefenen, hoewel zij zich niet hadden kunnen meester maken
van het beruchte kaperschip Sumter, dat in Januari 1862 Gibraltar
aandeed, om de Europeesche wateren te kunnen afschuimen. De Jefferson
Davis, die voor de federalistische schepen de wijk moest nemen,
wilde zich te Sint Augustijn in Florida in veiligheid stellen,
maar verongelukte op het oogenblik, toen zij het vaarwater wilde
binnenstevenen.
Bijna terzelfder tijd bemachtigde de Anderson het kaperschip
Beauregard.
Maar in Engeland werden nieuwe schepen ter kaapvaart ingericht en
gewapend.
Toen vaardigde de president Abraham Lincoln eene proclamatie
uit, waarbij de blokkade ook over de kusten van Virginia en
over die van Noord-Carolina en zelfs de fictieve blokkade, dat
wil zeggen de blokkade op papier, over eene uitgebreidheid van
vierduizend vijfhonderd kilometers kustlijn uitgestrekt werd. Om die
uitgestrektheid evenwel gade te slaan, had men slechts twee smaldeelen,
waarvan het eene de Atlantische kusten, het andere die in de golf
van Mexico moest blokkeeren.
De geconfedereerden poogden het eerst op den 12den October de
mondingen van den Mississippi-stroom met de Manassas,--het eerste
schip, hetwelk gedurende dezen oorlog geblindeerd of gepantserd werd,
te bevrijden. Het oorlogsschip werd daarbij door een flottilje branders
gesteund. Maar hoe goed ook gesmeed en voorbereid, de aanslag gelukte
niet. Het korvetschip Richmond ontsnapte aan het gevaar en kon zich
op den 29sten December veilig terugtrekken. Daarentegen slaagde de
kleine stoomer Sea Bird er in, eene federalistische goelet in het
gezicht van het fort Monroe te bemachtigen.
Intusschen werd het noodig gerekend een punt te bezetten, hetwelk tot
operatie-basis kon dienen voor de kruistochten op den Atlantischen
Oceaan. Het federalistisch Gouvernement besloot toen tot de
bemachtiging van het fort Hatteras, hetwelk den toegang of zeeëngte
van dien naam beheerschte en waarlangs de blokkadebrekers veelal
hunnen weg namen. De bemachtiging van dat fort was geen gemakkelijke
taak. Het hoofdwerk werd door een vierkante redoute gesteund, welke
fort Clarke heette. Een duizendtal vrijwilligers en het 7de regiment
van Noord-Carolina waren met de verdediging belast.
Maar om het even; het federalistisch smaldeel, bestaande uit
twee fregatten, drie korvetten, een adviesvaartuig en twee groote
stoombooten, ankerden op den 27sten October voor de zeeëngte. De
Commodore Stringham en de Generaal Butler leidden den aanval. Eerst
werd de redoute Clarke genomen. Het gevecht duurde voort en eindelijk
heesch het fort Hatteras, na langen tijd weerstand geboden te hebben,
de witte vlag.
De Noordelijken hadden die operatie-basis voor den geheelen duur van
den secessie-oorlog verworven.
In November werd het eiland Santa Rosa, ten oosten van Pensacola,
eene onderhoorigheid van de Floridasche kust in de golf van Mexico,
in weerwil van den meest hardnekkigen tegenstand, door de Zuidelijken
geboden, eindelijk door de federalistische troepen genomen.
Toch scheen het bezit van het fort Hatteras niet voldoende voor de
leiding der verdere krijgsoperatiën. Andere punten op de kusten van
Zuid-Carolina, van Georgië en van Florida moesten noodzakelijk in
bezit genomen worden. Twee stoomfregatten, de Wasbah en de Susquehanna,
drie zeilfregatten, vijf korvetten, zes kanonneerbooten, verscheidene
adviesvaartuigen, vijfentwintig kolenschepen, beladen met brandstof en
met de noodige levensmiddelen en munitiën, twee en dertig stoomschepen
met vijftienduizend zeshonderd manschappen aan boord, aangevoerd
door Generaal Sherman, werden onder de bevelen van den Commodore
Dupont gesteld.
Die flottilje lichtte het anker op den 25sten October en vertrok van
het fort Monroe. Na een vrij hevigen storm in volle zee ter hoogte
van kaap Hatteras doorstaan te hebben, kwam zij de toegang-vaarwaters
van Hilton-Head, tusschen Charlestown en Savannah, verkennen.
Daar wordt de baai van Port-Royal aangetroffen, destijds een der
voornaamsten van de Amerikaansche confederatie, alwaar de Generaal
Rippley de landmacht der Zuidelijken aanvoerde. De twee forten
Walker en Beauregard bestreken den ingang van de baai en waren op
vierduizend meters van elkander gelegen. Acht stoombooten werkten
tot de verdediging mede; maar wat haar bijna onneembaar maakte, was
de zandbank, die er voor ligt en waarop eene vreeselijke branding
staat. Die maakte haar schier ontoegankelijk.
Op den vijfden November was het zeegat of beter het vaarwater,
hetwelk toegang tot de baai verleende, afgebakend. Dupont drong, na
eenige kanonschoten met de forten gewisseld te hebben, er in door,
zonder evenwel in de mogelijkheid te zijn, de troepen van Sherman
aan wal te zetten.
In den voormiddag van den 7den viel hij het fort Walker en daarna het
fort Beauregard aan. Hij overstelpte die sterkten onder een hagelslag
als het ware van zijne zwaarste bommen en granaten. Tegen zulk een vuur
was niets bestand. De forten werden verlaten en de federalistische
troepen namen er bijna zonder gevecht bezit van. Zoo kwam Sherman in
het bezit van dat punt, hetwelk voor het vervolg der krijgsoperatiën
zoo belangrijk zoude zijn.
Dat was de Slaven-Staten in het hart zelve aantasten. De naburige
eilanden vielen nu voor en na in handen van de Noordelijken, zelfs het
eiland Tybec en het daarop gelegen fort Puloski, hetwelk de monding
der Savannah-rivier beheerschte.
Toen het jaar ten einde liep, was Dupont meester van de vijf groote
baaien van North-Edisto, van Sint-Helena, van Port-Royal, van Tybec
en van Warsaw, alsook van dien geheelen krans van eilandjes, welke
langs de kusten van Carolina en Georgië gezaaid liggen. Een laatste
succes, op den 1sten Januari 1862 behaald, gedoogde den Commodore om
de uitbreiding der versterkingswerken der Zuidelijken op de oevers
der Coosaw te beperken.
Zoo was dus de toestand der oorlogvoerende partijen bij het begin van
de maand Februari des jaars 1862. Daaruit is duidelijk de voortgang
van het federalistisch gouvernement naar het zuiden te ontwaren,
nu het tijdperk naderde, dat de schepen van den Commodore Dupont en
de troepen van den Generaal Sherman Florida bedreigden.
IV.
DE FAMILIE BURBANK.
Het was iets over zeven uren, toen master James Burbank en Edward
Carrol de treden van het perron opstegen, waarop de voornaamste deur
van Castle-House, naar den kant van de Sint-John rivier, toegang
verleende. Zermah, die het kleine meisje bij de hand hield, volgde
hen onmiddellijk. Weldra bevonden zij zich in de hall, eene soort
van groote vestibule, welker achtergedeelte, koepelvormig afgerond,
de dubbele omwenteling van de groote trap bevatte, welke naar de
bovenverdiepingen voerde.
Mevrouw Burbank bevond zich daar in gezelschap van den heer Perry,
die de geheele administratie van de plantage voerde.
»Is er geen nieuws van Jacksonville gekomen?" vroeg James Burbank
aan zijne echtgenoote.
»Neen, manlief."
»Zijn er geen tijdingen van Gilbert?"
»Toch... er is een brief!"
»God zij gedankt! Waar is hij?"
»Ziehier."
James Burbank nam den brief en brak hem, na zijne vrouw en ook de
kleine Dy, zijne dochter, hartelijk gekust te hebben, open.
Die brief was niet geopend geworden gedurende de afwezigheid van
James Burbank. De omstandigheden in aanmerking genomen, waarin hij,
die hem geschreven had, en ook zijne familie in Florida zich bevonden,
had mevrouw Burbank het geraden geacht, dat haar echtgenoot het eerst
van den inhoud kennis nam.
»Die brief is ongetwijfeld niet met de gewone postgelegenheid
gekomen?" vroeg James Burbank bezorgd.
»O, neen, mijnheer Burbank," antwoordde Perry.
»Dat zou van den kant van Gilbert te onvoorzichtig zijn," vulde
mevrouw Burbank aan.
»Wie heeft zich met de bezorging belast?"... vroeg de echtgenoot
»Een man uit Georgië, op wiens toewijding onze jonge luitenant
vertrouwen meent te kunnen stellen."
»Wanneer is deze brief aangekomen?"
»Wanneer?"
»Ja, op welken dag? Gisteren of vandaag?"
»Gisteren."
»En de man?"
»Wien bedoelt gij?"
»De man, de bode, welke dien brief gebracht heeft?"
»O, die is denzelfden avond weer vertrokken."
»En is hij voor zijn dienstbetoon goed beloond geworden?"
»Ja, manlief; maar niet door ons..."
»Niet door u?"
»Neen, maar door Gilbert. Zoo zei hij en daarom wilde hij niets van
ons ontvangen."
»Dat is zonderling," zei James Burbank peinzend.
De hall was door twee helder brandende lampen verlicht, die op eene
marmeren tafel voor een breeden divan stonden. James Burbank nam
bij die tafel plaats, terwijl zijne echtgenoote en zijne dochter
naast hem gingen zitten. Edward Carrol had, nadat hij zijne zuster
de hand gedrukt had, in een leuningstoel plaats genomen. Zermah en
Perry stonden dicht bij de trap. Zij waren genoegzaam vertrouwd met
de familie Burbank, dan dat hunne tegenwoordigheid bij het lezen van
dien brief aan onbescheidenheid zou kunnen worden toegeschreven.
James Burbank had hem geopend en bekeek hem.
»Hij dagteekent reeds van den 3den Februari," zei hij.
»Reeds vier dagen oud!" antwoordde Edward Carrol. »Dat is lang in de
tijdsomstandigheden, die wij doorleven."
»Lees dan toch!" zei mevrouw Burbank.
»Ja, lees dan toch, papa!... lees dan toch!" zei het kleine meisje,
trillend van ongeduld, hetgeen voor haren leeftijd zeer begrijpelijk
was.
Ziehier, wat die brief inhield:
»Aan boord van de Wasbah, ter ankerplaats te Edisto, den 3den
Februari 1862.
»Waarde Vader!
»Ik begin met u een kus toe te zenden voor mijne dierbare
moeder, voor mijne kleine zuster en voor u. Ik vergeet daarbij
mijn oom Carrol niet. En om niets te verzuimen, zend ik tevens
aan de goede Zermah de meest liefderijke groeten van haren
echtgenoot, van mijn braven en toegenegen Mars.
»Wij beiden zijn zoo gezond mogelijk en lijden slechts aan
eene gemeenschappelijke kwaal, namelijk aan de begeerte om bij
ulieden te zijn! De vervulling dier begeerte zal wel niet lang meer
uitblijven, hopen wij, al zou Perry ons ook daarom moeten vloeken,
hij onze waardige administrateur, die, daar hij de meest verstokte
voorstander der slavernij is, daarom als een razende moet aangaan,
nu de Noordelijken zoo'n voortgang maken..."
»Ziezoo," zei Edward Carrol, »dat is voor u Perry. Daar kunt gij het
vooreerst mede doen!"
»Ieder heeft zijne eigene meeningen daaromtrent," antwoordde Perry,
op den toon van iemand, die volstrekt niet genegen is de zijne prijs
te geven.
James Burbank vervolgde:
»Deze brief zal u overhandigd worden door een man, omtrent wien ik
verzekerd ben. Vreest derhalve dienaangaande niets. Gij zult wel
reeds vernomen hebben, dat het smaldeel van den Commodore Dupont zich
van Port Royal en de nabijgelegen eilanden meester gemaakt heeft. De
Noordelijken dringen de Zuidelijken dus langzamerhand achteruit. Het
komt mij dan ook als zeer waarschijnlijk voor, dat het federalistisch
gouvernement trachten zal de voornaamste havenplaatsen van Florida,
zoowel langs den Atlantischen Oceaan als langs de golf van Mexico,
in handen te krijgen. Men praat veel over een krijgstocht, die Dupont
en Sherman tegen het einde van deze maand denken te ondernemen.
»Zeer waarschijnlijk zullen wij dan de baai van Sint Andrews
bezetten. Dat is volgens mij het meest geschikte punt, om van daaruit
den Floridaschen Staat binnen te dringen.
»Hoe ongeduldig ben ik, waarde vader, om dien krijgstocht aan boord
van onze zegevierende flottilje mede te maken. De toestand mijner
verwantschap te midden dier bevolking van heftige aanhangers der
slavernij beangstigt mij steeds. Maar het oogenblik nadert al meer
en meer, dat wij openlijk de beginselen kunnen doen zegevieren,
welke steeds op de plantage van Camdless-Bay voorgezeten hebben en
daar nimmer verloochend zijn.
»O, kon ik toch een uitstapje maken. Een slippertje, zooals wij hier
zeggen, al ware het slechts voor vierentwintig uren; hoe zou ik mij
haasten, om u te komen opzoeken!
»Maar neen, dat zou te onvoorzichtig handelen zijn, zoowel voor u als
voor mij. Beter is het nog wat geduld te oefenen. Nog eenige weken
en dan zullen we allen te Castle-House vereenigd zijn!
»En nu ik zal gaan eindigen, vraag ik mij af, of ik niemand vergeten
heb, toen ik u opdroeg mijne groeten over te brengen. En, waarlijk,
ik vergat mijnheer Walter Stannard en mijne bekoorlijke Alice, die ik
zeer ongeduldig ben om terug te zien! »Doet mijne hartelijke groeten
aan haren vader, maar... geef aan haar toch nog iets meer.
»Ik noem mij met den meesten eerbied en hartelijke liefde,
uwe u liefhebbende zoon:
»Gilbert Burbank."
Toen hij met lezen ophield, legde James Burbank den brief op tafel
neder. Zijn echtgenoote greep het papier en bracht het aan de
lippen. Daarna volgde de kleine Dy, die een klinkenden zoen op de
handteekening van haren broeder drukte.
»Brave kerel!" zei Eduard Carrol.
»En brave Mars!" vulde mevrouw Burbank aan, terwijl zij Zermah
aankeek, die het kleine meisje in hare armen sloot en onstuimig aan
haar hart drukte.
»Zeg, manlief," vervolgde mevrouw Burbank, »weet ge wat ge doen moest?"
»Als gij het mij zeggen zult, zal ik het weten, vrouwlief."
»Gij moest aan Alice mededeeling doen," ging de liefhebbende moeder
voort, »dat wij een brief van Gilbert ontvangen hebben."
»Juist, dat is eene goede gedachte," antwoordde James Burbank. »Ik
zal haar schrijven...."
»Schrijven?..."
»Of beter... binnen eenige dagen moet ik toch naar Jacksonville gaan
en zal dan Walter Stannard ontmoeten. Sedert Gilbert dezen brief
geschreven heeft, zijn waarschijnlijk nadere berichten omtrent den
voorgenomen krijgstocht ontvangen. O, dat zij toch spoedig mogen komen,
onze Noordelijke vrienden, en dat ons schoon Florida toch weer spoedig
onder de vlag der Unie moge gesteld worden! Want onze toestand zoude
ten lange laatste eindigen met eenvoudig onhoudbaar te worden!"
En inderdaad sedert het oorlogsgewoel al meer en meer het zuiden
naderde, onderging de openbare meening in Florida eene onmiskenbare
wijziging ten opzichte van de quaestie, welke de Vereenigde Staten
zoo wreed verscheurde. Tot op dat tijdstip had zich de slavernij
niet buitengewoon ontwikkeld in die vroegere Spaansche kolonie,
die de beweging niet met dezelfde geestdrift, als in de Staten
Virginia, Noord- en Zuid-Carolina, Georgië of Alabama het geval was,
gevolgd had. Maar heethoofdige volksmenners hadden zich weldra aan
het hoofd der voorstanders van de slavernij geplaatst. Die lieden,
die steeds tot muiterij en opstand gereed waren, hadden niets te
verliezen, daarentegen alles te winnen, wanneer de zaken in de war
liepen en troebelen uitbraken. Zij beheerschten de autoriteiten
te Sint Augustijn, maar vooral te Jacksonville, waar zij bij het
afzichtelijkste gedeelte der bevolking steun zochten.
En daarom kon de toestand van James Burbank, wiens afkomst en
denkbeelden niet onbekend waren, op een gegeven oogenblik zeer
onrustbarend worden.
Het was ongeveer twintig jaren geleden, toen master James Burbank,
na den Staat New Jersey verlaten te hebben, alwaar hij nog eenige
grondeigendommen bezat, zich met zijne vrouw en zijn zoon, toen nog
slechts vier jaren oud, te Camdless-Bay was komen vestigen. Men weet,
hoe de plantage was vooruitgegaan, dank zij zijner oordeelkundige
bedrijvigheid, alsook dank zij den krachtigen bijstand, dien Edward
Carrol, zijn zwager, hem geboden had.
Hij gevoelde dan ook eene onwrikbare aanhankelijkheid voor dat
grondbezit, hetwelk hij van zijne voorouders geërfd had. Daar was
zijn tweede kind, de kleine Dy, geboren, vijftien jaren nadat hij
zijn intrek op Castle-House genomen had.
Master James Burbank was toen zes en veertig jaren oud. Hij was een
man van een ijzersterk gestel, die aan den arbeid gewoon was en zich
niet spaarde, wanneer het gold het goede voorbeeld te geven. Men
wist dat hij een geestkrachtvol karakter had. Hij was zeer aan zijn
eenmaal opgevatte meeningen gehecht, en deinsde er niet voor terug die
openlijk te verkondigen. Zijne gestalte was lang, zijn hoofdhaar begon
nauwelijks te grijzen, zijn gelaat vertoonde een ernstigen trek, maar
ademde toch welwillendheid en stootte volstrekt niet terug. Evenals
de Amerikanen der Noordelijke Staten, droeg hij een kinbaard, zonder
knevels of bakkebaarden en stelde zoo het type daar van den echten
Yankee van Nieuw-Engeland.
Hij was op de geheele plantage, hoe uitgestrekt ook, bemind;
want hij was goedig. Men gehoorzaamde hem gaarne; want hij was
rechtvaardig. Zijne zwarten waren innig aan hem verknocht en hij
wachtte, evenwel niet zonder ongeduld, dat de omstandigheden hem
gedogen zouden, hen van het slavenjuk te kunnen bevrijden.
Zijn schoonbroeder, die ongeveer zijn leeftijd bereikt had, was
hoofdzakelijk met de comptabiliteit van Camdless-Bay belast. Edward
Carrol leefde in alles in de beste verstandhouding met hem, en deelde
zijne meeningen ten opzichte van de slavenquaestie volkomen.
Er was dus slechts de administrateur Perry, die te midden van die
kleine wereld te Camdless-Bay een ander gevoelen toegedaan was. Maar
men moet daarom niet gelooven, dat die waardige man de slaven
mishandelde. Integendeel, hij zorgde goed voor hen en stelde alle
pogingen in het werk, om hen in hun toestand zoo gelukkig mogelijk
te maken.
»Maar," verkondigde hij, »er zijn streken in de warme landen, waar de
veldarbeid slechts door de zwarten kan verricht worden. En nu zouden
zwarten, die geene slaven waren, geen zwarten meer zijn!"
Dat was zijne theorie, zijne meening, die hij bij iedere gelegenheid,
welke zich voordeed, hardnekkig volhield. Men liet hem gaarne
redekavelen, zonder veel naar hem te luisteren. Maar, toen het
wapengeluk de tegenstanders der slavernij toelachte, hield master
Perry niet met raaskallen op.
»Men zal mooie dingen op Camdless-Bay zien gebeuren," zei hij,
»wanneer master Burbank zijn negers de vrijheid zal verleend hebben."
Maar, zooals gezegd is, het was een best, zelfs een uitstekend
mensch, en daarbij moedig ook. Toen toch James Burbank en Edward
Carrol deel hadden uitgemaakt van dat detachement der militie,
hetwelk de »minutemen" genoemd werd--minuut-menschen, om aan te
duiden, dat zij iedere minuut, ieder oogenblik gereed moesten staan
om uit te rukken--had hij zich zonder aarzelen bij hen aangesloten,
om de laatste overgebleven benden der Seminool-Indianen te bevechten.
Mevrouw Burbank droeg toen ten tijde hare jaren met eere. Men zou
nimmer gezegd hebben, dat zij reeds negen en dertig was. Zij was nog
zeer schoon. Ongetwijfeld zou hare dochter haar gelijken.