drie spelers in het perk, de derde maat staat er buiten.
De drie tegenstanders staan bij opslag en bovenslag; ze heeten dan het
opslagpartuur.
Gedurende den strijd wisselen beide parturen bij een bepaalden stand der
partij van perk en opslag.
Een samenstelling der speelmakkers heet een partuur; meestal 3 tegen 3.
* * * * *
#Algemeen doel van het spel.# Het opslagpartuur heeft in de eerste
plaats tot taak den bal door _opslaan_ in het _perk_ te drijven en
moet zich verder beijveren om den eventueel _uitgeslagen_ bal door
_terugslaan_ en _keeren_ achter of zoover mogelijk in de richting van
de voorlijn te brengen of te houden.
Het perkpartuur tracht den bal zoover mogelijk in de tegengestelde
richting (naar de bovenlijn) te brengen of te houder en wel door
_uitslaan_, _terugslaan_ en _keeren_.
De spelers van beide parturen mogen elkaar in den kamp niet hinderen.
(Strafpunt Bondsreglement).
* * * * *
#Slaan.# Het slaan geschiedt met de flauw gestrekte hand, de vingers
niet gespreid; bij voorkeur bovenhands, daarbij den betrokken arm
zooveel mogelijk gestrekt, opdat de slag krachtig zij en de bal daardoor
een grooten afstand doorloope.
Ofschoon het slaan van den bal na een enkelen stuit geoorloofd is,
verdient het aanbeveling--als men in de gelegenheid is den bal in de
vlucht te bereiken--dien stuit niet af te wachten, aangezien men dan
niet zeker is van de richting, in welke de bal opspringt.
Niet als slaan wordt aangemerkt als het geschiedt:
_a_. met beide handen tegelijk.
_b_. na den tweeden stuit.
_c_. indien tegelijkertijd de hand den grond aanraakt (of het gras).
_d_. indien de bal in aanraking is geweest met de kleeding of met een
ander lichaamsdeel dan de hand.
_e_. indien de bal reeds door een der partuurmakkers is geraakt,
gedurende dezelfde vlucht.
In al deze gevallen wordt zulks als _keeren_ aangemerkt en wordt de bal
beschouwd zich te bevinden op dàt punt, waar de hierboven bedoelde
handeling plaats vond.
* * * * *
#Opslaan.# Nadat de spelers hunne plaatsen hebben ingenomen, wordt het
spel geopend met _opslaan_. Hij, die hiermee is belast, de opslager,
plaatst zich, front makende naar het perk, achter de opslaglijn, den
kaatsbal in de linkerhand houdende. (De linksche opslager natuurlijk
houdt den bal in de rechterhand).
Terwijl de bal wordt losgelaten, wordt hij met de rechterhand (of
linker) geslagen (bestemming: perk), zóódat de bal de hand verlaat, als
de opslager op de opslaglijn staat. Deze aanloop, snel en kort (b.v.
3 à 6 passen) heeft tot doel den bal een grootere snelheid te geven.
Hoofddoel is nl. den bal ver en krachtig voort te drijven, opdat hij
zoolang mogelijk zijn levende kracht behoude en het uitslaan bemoeilijkt
wordt.
Hoe gestrekter de baan, welke de bal volgt, des te beter de opslager.
Het opslaan moet geschieden in de lengteas van het speelveld, aangegeven
door twee witte ballen op de opslaglijn.
De opgeslagen bal moet binnen het afgelijnde perk gebracht worden. Is
hij er vóór, of over, of buiten (ook op de lijnen), dan is het een
foutieve slag.
(De bal is vóór, of kwaad, of buiten.)
* * * * *
#Uitslaan.# Indien de bal binnen het afgelijnde perk gebracht wordt,
moet de perkbezetting hem _uitslaan_. Zij sla niet, als de bal kwaad,
vóór of buiten is of komt (te roepen: »kwaad«, »vóór«, »buiten«!)
Ingeval zulks wel geschiedt, wordt de bal beschouwd _in_ te zijn. Slaan
de perkmaats den bal niet uit, als hij _in_ is, dan zegt men: »de bal
zit«.
* * * * *
#Terugslaan.# Heeft het perkpartuur den opgeslagen bal _uitgeslagen_,
dan tracht het opslagpartuur hem terug te drijven achter de voorlijn
van het perk (EG in de teekening). Gelukt dit, dan zal het perkpartuur
op zijn beurt zich beijveren den bal nogmaals terug te slaan, enz.
* * * * *
#Triktrakslag.# Op deze wijze kan een bal zich herhaaldelijk heen en
weer bewegen tusschen perk- en opslagpartuur. Zulke slagen dragen den
naam van triktrakslagen en worden door de toeschouwers uitbundig
toegejuicht, wegens de wisselende kans van den slag.
(Men trekke hieruit niet het besluit, dat zulks het doel is der spelers;
dezen beoogen juist het tegendeel, nl. den bal steeds zooveel mogelijk
_buiten het bereik_ der tegenpartij te brengen).
* * * * *
#Keeren.# Is de kaatser niet in staat den bal door terugslaan een
tegengestelde richting te doen volgen, dan tracht men hem althans in
zijn gang te stuiten, door hem te _keeren_, d. i. tegen te houden,
hetgeen met elk lichaamsdeel mag geschieden.
Goed keeren is veel waard en behoort tot de bekwaamheden van den speler,
even goed als het opslaan en het uitslaan.
Het opvangen van den bal in één of beide handen is intusschen niet
geoorloofd, tenzij men hem onmiddellijk op den grond werpt of laat
vallen.
* * * * *
#Zitten-boven-kaats.# De tot rust gekomen bal zal zich ten slotte
bevinden:
zitten _a_. achter de voorlijn van 't perk: hij _zit_.
boven _b_. voorbij de bovenlijn: hij is _boven_.
kaats _c_. tusschen voor- en bovenlijn: Er is een _kaats_ (tenzij de
slag diende om een reeds bestaande kaats te beslissen), welke op bedoeld
rustpunt wordt aangeduid door een merkteeken (blokje of steen).
* * * * *
~Aanmerken~. Aangezien herhaaldelijk twee kaatsen moeten worden
_aangemerkt_, is het wenschelijk twee verschillende merkteekens, resp.
voor de 1ste en de 2de kaats beschikbaar te hebben.
(1ste kaats: wit blokje; 2de kaats: rood blokje).
#Tellen.# Het tellen geschiedt bij 2 punten tegelijk voor elken
winstslag en wel ten gunste van:
~het perkpartuur~:
_a_. Als de opgeslagen bal is _voor_, _buiten_, _kwaad_.
_b_. Als de uitgeslagen bal is _boven_.
_c_. Als de uitgeslagen bal is _voorbij_ de kaats.
~het opslagpartuur~:
_a_. Als de opgeslagen bal _zit_.
_b_. Als de uitgeslagen bal achter of op de perkvoorlijn
teruggedreven wordt.
_c_. Als de uitgeslagen bal _niet_ is voorbij de kaats.
_d_. Als de uitgeslagen bal kwaad is. (Dat is, als hij over de
zijkwaadlijnen is geslagen of er op).
* * * * *
#Vervallen van de punten.# Acht punten = (4 × 2 p. of 4 winstslagen)
vormen een half spel.
Twee halve spellen maken één spel.
De eenmaal gewonnen halve spellen en spellen blijven bestaan.
Wanneer echter een der parturen een half spel »vol« maakt, vervallen de
»losse« punten der tegenpartij.
Het partuur, dat 3 spel heeft, is winnaar. Soms ook wordt 2 spel
gespeeld. Bij een wedstrijd steeds 3 spel; in bijzondere gevallen kan
daarvan worden afgeweken.
* * * * *
#Wisselen.# Bij den aanvang van het spel wordt door het lot bepaald,
welk partuur het eerst den opslag heeft. Daarvoor geldt steeds, dat het
laagste nummer den opslag heeft. Bij een vrije partij wordt daarom door
beide parturen geraden (met on of even b.v.)
Herhaaldelijk wordt echter van perk en opslag gewisseld. Zulks
geschiedt:
_a_. Als een der parturen (of beide) 6 punten _heeft_ (hebben) en er
_ontstaat_ een kaats.
_b_. Als een der parturen 6 punten _krijgt_ en er _is_ een kaats.
_c_. Als geen der parturen 6 punten heeft en er ontstaat een _tweede_
kaats.
* * * * *
#Beslissing der kaatsen.# Bij wisseling dient de eerste bal om over de
_eerste_ (c. q. de eenige) kaats te beslissen. Met den tweeden bal moet
op gelijke wijze in zake de tweede kaats--zoo deze bestaat--worden
beslist.
Het perkpartuur, dat pas in het perk is gekomen, tracht den bal voorbij
het merkteeken te slaan. Na de gevallen beslissing der kaatsen wordt
onmiddellijk het betrokken merkteeken weggenomen.
* * * * *
#Rolverdeeling der spelers.# _A_. Bij het opslagpartuur.
1ste ~opslager~. Hij, die in het opslaan de meeste bedrevenheid bezit,
treedt als 1ste opslager op (voor best opslaan) en is dus normaal met
bedoelde taak belast. Voor hem geldt de verste opslaglijn.
2de ~opslager~. Een ander partuurmakker is 2de opslager (voor minst
opslaan) en bezigt de kortste opslaglijn.
Als zoodanig moet hij werkzaam zijn:
_a_. Zoodra het perkpartuur een kaats geslagen heeft en nog niet
gewisseld wordt.
_b_. den 1sten opslagbal, direct na de wisseling, indien er nl. 2
kaatsen waren.
De _tweede_ opslager moet dus bij wisseling den bal opslaan bij de
beslissing over de 1ste kaats.
Daarna geeft hij den bal over aan den 1sten opslager, bij de beslissing
over de 2de kaats. Deze houdt den bal, tot weer een kaats geslagen
wordt. Is er bij de wisseling van perk en opslag maar één kaats, dan
heeft de 1ste opslager den bal en houdt hem, totdat er weer een kaats
geslagen wordt.--Wil het opslaan met een der opslagers niet gelukken,
staat hij buiten of voor, dan mag hij den bal aan den derden makker
afstaan.
Overigens stellen de leden van dit partuur zich op naar verkiezing,
daarbij zorgende zich min of meer over het veld te verdeelen.
De praktijk leert welke punten op het speelveld de doelmatigste
opstellingsplaatsen zijn. Die plaats der spelers wisselt echter met
bijna elken slag. Taktiek en overleg der spelers komen hierbij zeer te
stade; het bepaalt mede hun bekwaamheid of betoefdheid in het spel.
* * * * *
_B_. Bij het perkpartuur.
Bij een partuurformatie van 3 spelers nemen twee hunner plaats in het
perk; de een vóór (de voorman), de andere achter in het perk (de
achterinsche), daarbij zorgende, dat de voorste den achterste niet het
vrije uitzicht op den opslagbal belemmert.
Wanneer zij een bal hebben uitgeslagen, zijn zij niet meer aan het perk
gebonden, doch mogen zich vrij over het veld bewegen, ten einde den
eventueel teruggeslagen bal te gemoet te loopen, opdat deze nogmaals
door hen geslagen en anders gekeerd kan worden. In het bijzonder rust de
laatstbedoelde taak op den _derden_ makker van het partuur, die buiten
het perk staat en vlugger er bij kan zijn dan zijn perkmakkers. Daarom
moet hij eveneens voortdurend den blik gericht houden op de handelingen
en bewegingen van het opslagpartuur.
De perkmakkers mogen van plaats verwisselen, als dit voor hun spel beter
blijkt; of als het met een dezer spelers niet vlotten wil, kan deze met
den derden makker van rol wisselen.
Om den achterman beter slag op den opslagbal te geven, is het
wenschelijk, dat de voorman ter zijde wijkt buiten het afgelijnde perk.
Blijft hij staan, dan belemmert hij allicht den achterinsche in den
slag. Deze voorman moet goed uit zijn oogen zien, of de snelheid en de
hoogte van den opslagbal van dien aard zijn, dat hij den bal voor zich
moet nemen of dien aan zijn perkmaat moet overlaten.
Een geoefend oog is voor de perkspelers noodzakelijk, om den bal op tijd
te slaan. Ze moeten dit juist weten te bepalen. Slaan zij te _gauw_ of
te _laat_, dan mist de slag zijn effect, wat duidelijk te zien is aan
het resultaat van den slag en de richting, die de uitgeslagen bal neemt.
Bestaat een partuur uit 2 spelers, dan nemen beiden in het perk plaats;
ook moeten ze beiden als opslagers fungeeren.
De sterkste en mooiste partuurformatie is die van 3 tegen 3.--Bij een
formatie van 2 tegen 2, kan het speelveld niet goed bezet worden, om de
uit- of teruggeslagen ballen te treffen.
* * * * *
#Onderscheidingsteeken.# Van twee tegen elkaar strijdende parturen wordt
het laagste nummer door een roode sjerp om den middel, een rooden band
om den arm, of een rood strikje op de borst, als het partuur der
_Rooden_ aangeduid.
Het hoogste nummer wordt op dezelfde wijze door wit aangeduid en het
partuur der _Witten_ geheeten.
Bij den aanvang van den strijd vangt het _roode_ partuur den kamp aan
met den _opslag_.
De kleuren bij het kaatsspel zijn dus Rood en Wit. Het _rood_ ziet op
het vuur van den strijd, den moed, terwijl het _wit_ op het smettelooze,
op de reinheid of eerlijkheid van den kamp wijst.
* * * * *
#Telegraaf.# Ten einde den stand der partij bij elken slag te kunnen
aangeven, gebruikt men bij het kaatsspel een werktuig, _telegraaf_
geheeten, in hoofdzaak bestaande uit een verticale, draaibare staak,
waaraan horizontale armen, aan welke de _halfspellen_, de _spellen_ en
de _punten_ worden opgehangen, terwijl aan haakjes van den stok bordjes
worden bevestigd, welke de gemaakte _kaatsen_ aangeven.
[Illustratie: DE TELEGRAAF.]
(Er zijn dus drie dwarslatten aan den staak)
De eene helft der telegraaf is _rood_ geschilderd, de andere
helft _wit_. Deze kleuren zijn dus in overeenstemming met het
onderscheidingsteeken der spelers van beide parturen. Eveneens zijn
de bordjes, welke halve spellen en spellen aangeven in deze beide
kleuren geverfd, wat mede het geval is met de dubbele ballen, die
de punten voorstellen.
Gedurende het spel is de witte helft steeds naar den kant der Witten,
de roode helft naar de zijde der Rooden gekeerd. Zoo kunnen de
toeschouwers op elk moment den stand der partij overzien, terwijl
door directe aanteekening van den »telegrafist« geschillen tusschen
de parturen over den stand van de partij worden vermeden.
(Zie de teekening). Aan de haakjes van de onderste lat worden de
_punten_ (dubbele ballen) opgehangen; de middelste lat wijst de _halve
spellen_ der beide parturen aan, terwijl aan de bovenste de gewonnen
_spellen_ worden genoteerd.
De persoon, die de telegraaf bedient, heet _telegrafist_; hij, die de
kaatsen aanmerkt met de blokjes, heet de _aanmerker_.
Stand: _Rood_ heeft, 2½ spel met 4 punten; insgelijks _Wit_. Er zijn 2
kaatsen. De stand der partij is dus gelijk.
* * * * *
#Benaming der slagen.#
~Bovenslag~: Een slag, waarbij de bal rollende over de bovenlijn komt,
heet kortweg een _bovenslag_.
~Victoriaslag~: Komt de bal bij eersten uitslag met de vlucht over de
bovenlijn, zoo heet de slag een _Victoriaslag_.
~Herculesslag~: Een slag, waarbij de bal bij eersten uitslag met
de vlucht over het afgesloten speelveld geslagen wordt, heet
_Herculesslag_.
~Triktrakslag~: Wordt de bal eenige keeren tusschen perk- en
opslagpartuur heen en weer geslagen, zoo is het een _triktrakslag_.
~Pripper~: Indien de bal laag bij den grond, juist over de voorlijn, of
voor de voeten van den voorman of in den hoek geslagen wordt, is het
een _pripper_.
~Vosseslag~: Komt de bal tusschen voorman en achterman in, zoodat hij
niet of slecht te slaan is, zoo heet de slag een _Vosseslag_.
* * * * *
#Bepalingen.# ~Hand~. _a_. De kaatsers mogen alleen spelen met de
onbedekte hand. Indien echter een speler bij 't doorslaan van de hand
zich van een handbedekking wenscht te voorzien, heeft hij deze te
onderwerpen aan de goedkeuring der keurmeesters bij een wedstrijd.
_b_. De ballen mogen alleen geslagen worden met de _hand_, die geacht
wordt op te houden, waar de pols begint. Raken ze den pols of den arm,
zoo is de slag foutief. In het perk is het een verloren slag, op het
speelveld wordt de slag als keeren aangemerkt. Hetzelfde is het geval,
als de bal bij den slag de kleeding van den speler heeft geraakt, of een
ander lichaamsdeel dan de hand.
* * * * *
#Kaatscostuum.# Bij de wedstrijden van den Ned. Kaatsbond en zijne
afdeelingen, is het volgende costuum verplichtend:
Lange of korte bovenbroek met Eng. hemd, sportblouse of tricot.
In het kaatsreglement van den Ned. Kaatsbond zijn opgenomen de _regels_
van het spel, de _verplichtingen_ der spelers, enz. (Het is à 10 cts.
verkrijgbaar bij den Bondssecretaris).
[Illustratie: Het Kaatsterrein te Leeuwarden.--Foto »Revue der
Sporten«.]
V.
Beschrijving van eene partij.
_(Voorgestelde loop van het spel)._
We willen, om hierbij zoo duidelijk mogelijk te zijn, twee parturen van
drie spelers tegen elkaar laten kaatsen. (Zie daarom de teekening van
het speelveld). De spelers 1·, 2·, 3· begeven zich bij den aanvang van
den kamp naar het perk; ze zijn de _Witten_. Hun drie tegenstanders 1×,
2×, 3× stellen zich op bij den opslag, ze zijn het partuur der Rooden.
De Rooden ('t laagste nummer) hebben bij den aanvang steeds 't eerst
den _opslag_. In het perk staan 2 uitslagers der Witten, de derde makker
staat er buiten. Van de Rooden heeft 3× den eersten opslag. (Let tevens
op de teekening van de »Telegraaf« en lees vooraf goed »De uitleg van
het spel« hiervoor).
* * * * *
De strijd neemt een aanvang. De speler 3× der Rooden neemt den kaatsbal
ter hand, en stelt zich als 1ste opslager achter de 1ste opslaglijn op.
Hij neemt een aanloop, werpt behendig den bal met de linkerhand een
weinig op en drijft hem daarna met de rechter zoo krachtig mogelijk
naar het perk, waar de perkspelers zich schrap hebben gezet, het oog
op den opslager en daarna op den bal gericht. (Deze opslager tracht
zulke krachtige of slechte ballen te geven, dat de perkspelers ze niet
of moeilijk kunnen uitslaan, terwijl dezen den bal over de bovenlijn of
zoo ver mogelijk uit het bereik der tegenstanders trachten te brengen).
De opslagbal vliegt naar het perk. Nu zijn twee gevallen mogelijk.
_A_. De bal bereikt het afgelijnde perk _niet_. (Hij komt terecht vóór
of òp de voorlijn (hij is vóór)--hij valt buiten of òp de zijlijnen (hij
is buiten)--hij wordt óver of òp de kwaadlijn van het perk geslagen (hij
is kwaad).) Het zijn misslagen.
In al deze gevallen is het een verloren slag voor de spelers op den
opslag. Het perkpartuur krijgt 2 punten (dubbele bal) aan de onderste
lat van de telegraaf aan zijn zijde (de Witten).
_B_. De bal bereikt het afgelijnde perk _wel_. Nu kunnen de volgende
gevallen zich voordoen.
1º. De perkspelers slaan den bal _niet_ terug. Hij zit. (Het
opslagpartuur wint nu 2 punten en de telegrafist hangt aan de roode
helft een dubbelen bal op).
2º. Een der perkspelers slaat den bal zoo krachtig, dat het een
bovenslag wordt (de bal wordt geslagen over de bovenlijn; bovenslag,
Victoriaslag of Herculesslag.) Het perkpartuur wint 2 punten.
3º. De spelers in het perk slaan den bal terug, maar de opslagpartij
drijft hem op haar beurt achter de perkvoorlijn terug en de perkmaats
kunnen hem niet weer bemachtigen. Het opslagpartuur heeft nu 2 punten
gemaakt.
4º. Een der perkmakkers slaat den opslagbal terug, maar deze spat
van de hand en komt in de vlucht (vóór de bovenlijn) op of over de
zijkwaadlijnen. Het is voor de tegenstanders een gewonnen slag. Het was
een kwaadslag. Komt de bal _rollende_ of stuitende over de kwaadlijnen,
dan is het geen kwaadslag, maar een gewone uitslagbal.
5º. Een der spelers van het perk slaat den opslagbal terug, maar niet
ver genoeg. Hij wordt door de tegenpartij gekeerd vóór de bovenlijn,
of door haar teruggeslagen, maar niet zoover, dat hij achter de
voorperklijn gedreven wordt.
Na enkele heen- en weerslagen komt de bal tusschen perk en bovenslag tot
rust. Hij _zit_ dus niet (in het perk) en hij is niet _boven_ (achter de
bovenlijn). Geen der parturen heeft dezen slag gewonnen. Het is een nog
onbesliste slag, een _kaats_. De aanmerker plaatst een kaatsblokje bij
dit punt. Nu moet de 2de opslager den bal overnemen (2× bijv.). Dezelfde
gevallen, als hierboven beschreven zijn, kunnen zich nu weer voordoen.
Na enkele slagen moeten Rood en Wit wisselen. Rood gaat naar het perk,
Wit naar den opslag. Deze wisseling geschiedt: met _één_ kaats, als
beide parturen (of een van beide) 6 punten aan de lat hebben (heeft).
Met _twee_ kaatsen, als _geen_ der parturen 6 _punten_ heeft (b.v. Rood
heeft 4 p., Wit 2 p. enz., enz.).
In het half spel, stellen we, staat de partij Rood 4 p., Wit 2 p. en
twee kaatsen. Er wordt dus gewisseld. Er wordt nu eerst gestreden om die
beide kaatsen. Rood (in het perk) moet de ballen _voorbij_ die kaatsen
slaan, om de slagen te winnen. Gelukt dit niet, dan wint Wit (op den
opslag) telkens 2 punten. Wit heeft dan 6 punten en Rood staat nog op
4 punten.
De strijd wordt voortgezet met de opslagballen van Wit. Krijgt Wit nu
ook den volgenden slag, dan heeft het 8 punten, en daarmee het eerste
_halfspel_ gewonnen. Rood _verliest_ nu de behaalde 4 punten en de
strijd om het _tweede_ halfspel vangt aan. Deze strijd geschiedt volgens
dezelfde regels, maar de wisselingen van het spel kunnen natuurlijk
nu weer geheel anders zijn, doch de spelers, die het eerst 4 × [0-0]
hebben bemachtigd, winnen steeds het gespeelde halfspel. Had de
tegenpartij daarbij 3 × [0-0] gewonnen, ze moest deze wederom missen,
daar de winstpunten der tegenstanders altijd daarbij vervallen.
Hoewel het spel dus zeer eenvoudig is, kunnen tal van onderscheidene
slagen zich hierbij voordoen, wat het spel zeer _afwisselend_ maakt.
Het partuur, dat het eerst 3 spellen veroverd heeft, is winnaar.
* * * * *
~Opmerking~: De lezers zullen hebben opgemerkt dat de slagen op »gelijk
zes« (Rood en Wit hebben beide 3 × [0-0]) _veege_ slagen zijn, omdat het
eene partuur de gewonnen punten moet verliezen. Bij zulke veege slagen
is de belangstelling onder de toeschouwers op 't hoogst gespannen en de
kaatsers zelf zijn natuurlijk op hun qui vive. Sommige spelers, vooral
de jongere, zijn bij zulke gewichtige slagen een weinig zenuwachtig.
De ervaren kaatser haalt er bij zoo'n veegen slag alles uit, wat hij
kan. Oppervlakkig schijnt het onbillijk, de eenmaal gewonnen punten
weer te verliezen, doch dit vervallen dier punten verhoogt juist de
belangwekkendheid van het spel, de belangstelling van de toeschouwers
en de ambitie der spelers.
_Maximum- en minimumpunten der winnende partij._
_a_. Elk half spel bestaat uit 4 × 2 p. = 8 punten; de geheele partij
uit 3 spellen (6 halve spellen = 6 × 8 p. = 48 punten). Winnen nu bijv.
de _Rooden_ achtereenvolgens de 6 halve spellen, zonder dat de Witten
één halfspel kunnen veroveren, dan heeft Rood met 48 punten gewonnen.
(Minimum).
_b_. Winnen b.v. de Rooden de partij, dan hebben zij vast behaald
6 × 8 p. = 48 punten. Nu kan het zijn, dat ze 5 halve spellen aan
_Wit_ verloren, waarbij zij echter telkens 6 punten verwierven.
De Rooden hebben dan in 't geheel 6 × 8 p. met 5 × 6 p. = 78 p.
gemaakt. (Maximum).
Tusschen deze cijfers varieert dus het behaalde aantal punten der
winnende partij.
Bij de gebruikelijke telwijze kan het nu voorkomen, dat het
_verliezende_ partuur _meer_ punten heeft gemaakt dan het _winnende_.
_c_. Stel b.v. dat Rood achtereenvolgens 5 halve spellen wint van Wit,
zonder dat Wit één slag wint. Rood heeft nu 5 × 8 p. = 40 punten en
Wit 0 punten. Daarop keert de kans ten gunste van Wit. Het bemachtigt
achtereenvolgens alle 6 halve spellen en wint dus met 6 × 8 p. = 48
punten. Nemen we aan, dat Rood hierbij telkens op »gelijk 6« verloor,
dan had Rood in de geheele partij gemaakt 5 × 8 p. met 6 × 6 p. = 76
punten. Wit won nu met 48 tegen Rood 76.
Dit is nu wel het ongunstigste geval; vele gevallen liggen tusschen deze
getallen.
Toen Rood reeds 5 halve spellen had, had Wit nog _niets_, omdat de
gewonnen punten in deze vijf halve spellen voor zijn partuur vervielen;
(het kon ook telkens op »gelijk 6« verloren hebben). Maar Wit houdt den
moed er in, (een goed speler laat vóór den laatsten slag nooit den moed
zakken) wint nu een half spel, strijdt met vuur en.... zegeviert ten
slotte nog. Dergelijke partijen zijn spannend, en de emotie bij de
toeschouwers stijgt bij elk volgend halfspel.
Ze bereikt haar toppunt, wanneer de partij den eindstand heeft van 5
halve spellen gelijk en 6 punten gelijk. Is er dan ook nog eene kaats,
dan moet nu de volgende slag de _beslissende_ zijn.
* * * * *
Deze emotie is het grootst bij de partij van den Nederlandschen
kaatsbond, waar de afdeelingen met hare sterkste parturen elkander
den _Mulierprijs_ betwisten. De leden der betrokken vereenigingen
en hun stad- of dorpsgenooten scharen zich om de strijdende parturen
hunner plaatsen Ze leven geheel mede in het spel en schieten bij de
overwinning op hun vrienden toe, om ze geluk te wenschen met de zege.
Terwijl de partijen elkander bekampen, is het onder die duizenden
toeschouwers geen luidruchtig geschreeuw, maar een stille en kalme
aanschouwing van den kamp, soms eene uiting van geestdriftige
toejuiching bij een spannenden of meesterlijken slag. Hier wordt
gestreden niet om de geldprijzen, maar om de _eer_, vandaar dat de
partij van den Ned. Kaatsbond de meest geziene is in de Ned. kaatssport
en het talrijkst bezoek haar ten deel valt. Het is een stukje poëzie te
midden van een fellen kamp--hier wordt meegevoeld, meegeleefd,
meegestreden door al die duizenden.
_Het speelveld van Frieslands jeugd._
Geeft de terreinteekening hiervoor een afbeelding van het speelveld bij
een wedstrijd, de jeugd behelpt zich met een terrein, dat zeer primitief
is ingericht, en in weinige oogenblikken zonder kosten gereed is. (Zie
de teekening hiernaast).